Nieuwe muziek Het nieuwe album van The Strokes bevat goede ideeën, maar is ook irritant. Verder: een matige Deep Purple-plaat en vijf ballen voor Mitsuko Uchida.
The Strokes is op hun zevende album niet meer de band die het ooit was. Niet meer de band van het fantastische debuut uit 2001 (Is This It) en de misschien nog betere opvolger uit 2003 (Room on Fire), waarop een stel slonzige New Yorkse jongens puntige gitaarliedjes lieten overlopen van goede melodieën die met een verveelde coolheid akelig precies in elkaar haakten. Ze zijn gelukkig ook niet meer hetzelfde als die in de periode na hun prima derde (First Impressions of Earth), waarin de bandleden behoorlijk de weg kwijt waren. Omdat ze elkaar niet meer konden luchten of zien, namen ze in die jaren erna zelfs een plaat los van elkaar op.
The Strokes
Reality Awaits
Reality Awaits is een vervolg op de onverwacht goede comeback uit 2020, The New Abnormal, waarmee The Strokes zelfs een nieuwe generatie fans aanboorde. De band werkte op het nieuwe album samen met producer Rick Rubin, de bebaarde goeroe waarvan niemand eigenlijk weet wat hij nou precies doet, behalve dat hij een grote rol heeft gespeeld bij albums van onder anderen Adele, Kanye West, Beastie Boys, Johnny Cash en Red Hot Chili Peppers. Voor Reality Awaits liet Rubin de band ergens op een berg in Costa Rica naar hartenlust jammen om het plezier weer terug te vinden. Er werd elke dag direct iets op tape vastgelegd. Het leverde negen rommelige liedjes op, waarin wel telkens iets moois verstopt zit.
Zo roept iemand wanneer de gitaarsolo in ‘Liar’s Remorse’ wel heel dun en zoekend klinkt: „Harmonic minor!”, en komt alles weer wonderlijk bij elkaar. Zanger Julian Casablancas lijkt de boel te willen ontregelen. Zijn teksten voelen vaak onaf, hij sneert naar een muziekjournalist in ‘Lonely in the Future’, zet plots een Brits accent op in het sterke ‘Dine N’Dash’ en draait geregeld zijn autotune zo ver open dat een prettig rollend geluid ver de hoogte in schiet. Maar gelukkig bevat de plaat naast al die ergerlijke momenten ook genoeg goede ideeën om er bij terug te willen komen.
Ralph-Hermen Huiskamp
Deep Purple
SPLAT!
Er is een betere timing denkbaar voor oude rockers die een halve eeuw geleden glorieerden en nu hun 24ste album uitbrengen (reminder aan de marketingafdeling: onlangs verscheen ook de 25ste plaat van een Brits bandje genaamd The Rolling Stones). Desondanks smeten de dappere landgenoten van Deep Purple dertien nieuwe nummers op straat, onder de toepasselijke titel: SPLAT!
Voor iedereen zonder grijze haren: Deep Purple behoorde, samen met Led Zeppelin en Black Sabbath, tot de pioniers van de hardrock en heavy metal. Sabbath klonk traag en eng, LedZep was bluesy (maar ook megalomaan) en Deep Purple blonk uit in virtuositeit – of het nu ging om het ijselijke gegil van Ian Gillan, de vingervlugge riffs van gitaargod Ritchie Blackmore, het onnavolgbare drumgeraas van Ian Paice of het ronkende Hammondorgel van Jon Lord. De tien minuten durende rockopera ‘Child in Time’ (1970) stond talloze keren op nummer één in de top honderd aller tijden (eat that, Rolling Stones!).
Zoals dat gaat bij oudemannenbands is de originele bezetting allang niet meer compleet. Blackmore vertrok meermaals (zodra de rest weer genoeg had van zijn dictatoriale trekjes) en stortte zich uiteindelijk op middeleeuwse muziek. Ook Gillan kreeg twee keer de bons, maar bleef vanaf 1992. Lord stierf in 2012.
Ouwe mannen die nog lekker willen rocken, prachtig natuurlijk. Maar dat moeten ze dan nog wel kunnen. SPLAT! begint veelbelovend met ‘Arrogant Boy’ waarin de gitaren (van Simon McBride) als vanouds galopperen. In ‘Third Call’ jengelt het Hammondorgel (van Don Airey) op oorlogssterkte. Maar zodra de zang begint, voel je alleen nog maar plaatsvervangende schaamte.
Omdat Gillan niet meer kan gillen, probeert hij een soort van te croonen, en daardoor klinkt hij als een opa die voor zijn kleinkinderen een gangsterrapper probeert na te doen. Helemaal tenenkrommend wordt het als hij ook geen idee heeft wat hij wil zeggen, zoals in het wanstaltige ‘Scriblin’ Gib’rish’ waarin hij achtereenvolgens „Gobbledegook”, „Snookerakacho” en „Hoosanackamackerel” zingzegt.
Tijd voor uw middagdutje, meneer Gillan. Welterusten, zetten wij snel weer ‘Child in Time’ op.
Frank Provoost
Mitsuko Uchida
Beethoven – The Last Three Sonatas
Het was met een grote tederheid dat Mitsuko Uchida vorig najaar voor het ademloze publiek in de Suntory Hall in Tokio begon aan de ‘onaardse’ drie laatste pianosonates van Ludwig van Beethoven. Boeken zijn er geschreven – romans zelfs – over die meesterwerken waarvan vooral de 32ste en allerlaatste ieder menselijk bevattingsvermogen te boven lijkt te gaan.
Ruim twee eeuwen oud zijn deze stukken, maar in de ‘Arietta’ van Pianosonate nr.32 componeert Beethoven doodleuk een variatie die riekt naar boogiewoogie, zo’n honderd jaar voordat die term werd gemunt. In twee voorgaande sonates dwaalt Beethoven door het verleden: in het middendeel van nummer 31 etaleert hij zijn gevoel voor humor met variaties op twee grappige volksliedjes om in het slotdeel deemoedig de aria ‘Es ist vollbracht’ uit Bachs Johannes-Passion te citeren.
In Uchida’s liveopname hoor je de bezonken wijsheid van een pianist die al jarenlang in Beethovens muzikale nabijheid verkeert, en behalve dat is er ook nog altijd de vurige vonk van de jeugd wanneer de Japanse in de Dertigste Pianosonate het snelle tweede deel (Prestissimo) ‘aanvalt’. Haar spel roept beelden op, het verhaalt, het doet een appèl op de fantasie van de hiervoor gevoelige luisteraar.
Maar Uchida bewaart wel steeds een zekere afstand tot de muziek: ze is de verteller, niet de protagonist. In de laatste drie sonates schiep de dove Beethoven een universum dat zich loszingt van de tijd. Het kan verleidelijk zijn voor een pianist om zich daarin te verliezen. Maar Uchida blijft verre van dat sentiment. Ze belicht de drie sonates zonder opsmuk en met nuchtere helderheid: het doet denken aan de bevlogen verwondering van een sterrenkundige, zoals de pianist poogt de natuurwetten van Beethovens muzikale heelal in kaart te brengen. En eerlijk is eerlijk, Uchida maakt het mysterie voor je gevoel bijna tastbaar.
Joost Galema