Home

Ik leerde mijn zoon een gast te zijn in zijn eigen land

Identiteit Somer Al Abdallah vertelde zijn zoon dat hij bij het WK Voetbal voor Nederland moest juichen. Maar, vindt hij achteraf, daarmee nam hij zijn zoon iets af: de vrijheid om een voetbalwedstrijd alleen als een voetbalwedstrijd te zien.

Dankbaarheid geldt als een deugd, zeker bij vluchtelingen. Ze maakt de verhouding overzichtelijk: de een geeft, de ander bedankt. Ik heb lang gedacht dat daar niets mis mee was.

Tijdens het WK voetbal zei mijn zoon van tien bij het avondeten dat hij niet voor Nederland was. Hij wilde zelfs niet dat Nederland het WK zou winnen. Hij was voor Portugal, omdat hij van Cristiano Ronaldo houdt.

Hij zei het zonder nadruk, tussen twee happen door. Er zat geen oordeel over Nederland in en geen verklaring over wie hij was. Portugal had Ronaldo. Dat was genoeg.

Ik antwoordde meteen. Vriendelijk, maar zonder na te denken.

„Wij moeten voor Nederland zijn”, zei ik. „Nederland is nu ons land. Het heeft ons opgenomen en ons geholpen opnieuw te beginnen. Zonder Nederland zouden we hier misschien niet zo rustig samen aan tafel zitten.”

Mijn zoon zei niets. Hij verdedigde Ronaldo niet en vroeg niet waarom een voetbalvoorkeur plotseling iets met ons leven te maken had. Hij at verder.

Pas de volgende dag hoorde ik mijn eigen woorden terug. Ze waren ’s nachts blijven hangen, en in de ochtend klonken ze anders dan aan tafel. Wat had hij begrepen? Dat zijn ouders dankbaar waren, en dat hij dat ook moest zijn?

Ik bleef vooral bij één woord hangen: ‘opgenomen’.

Nederland had mij opgenomen. Mijn zoon niet. Hij was in Leiden geboren. Ik had een grens overgestoken; hij kende alleen de straten waarop hij had leren lopen. Ik had een land nodig gehad dat mij toeliet. Hij was al binnen.

Mijn dankbaarheid berustte op een werkelijke ervaring. Ik wist wat eraan voorafging en wat het alternatief kon zijn. Maar wat bij mij een ervaring was, werd bij hem een opdracht.

Waarom had ik een kind dat in Nederland was geboren verteld dat zijn verhouding tot zijn eigen land met dankbaarheid moest beginnen?

Begrijp me niet verkeerd

Het eenvoudige antwoord was dat ik Nederland zelf nooit als iets gewoons had leren zien.

Voor mij was bijna alles hier verbonden met wat eraan voorafging: een huis was het einde van tijdelijke kamers, een verblijfsvergunning het verschil tussen blijven en opnieuw vertrekken. Zelfs rust had een oorzaak, en die heette Nederland.

Dankbaarheid zorgt dat zulke oorzaken zichtbaar blijven. Dat is haar waarde, maar ook haar macht: zij verhindert soms dat wat je hebt gekregen ooit gewoon van jou wordt.

Wie zich burger voelt, kan ontevreden zijn zonder eerst zijn loyaliteit te verklaren. Hij kan klagen over belastingen, politiek, de trein of het weer en gewoon een humeurige burger blijven. De dankbare vluchteling beschikt niet altijd over die vrijheid. Zodra hij kritiek heeft, verschijnt er een tweede stem: begrijp me niet verkeerd, ik weet wat Nederland voor mij heeft gedaan.

Die tweede stem had ik niet zelf bedacht. Ik had haar overgenomen, kant-en-klaar, van dankbare vluchtelingen zoals ik. Alsof bescherming een overeenkomst was waarvan één bepaling luidde dat ik haar nooit volledig als recht mocht beschouwen. Iets daarvan moet aan tafel hebben meegeklonken.

Mijn zoon kende die bepaling niet. Thuis sprak hij met ons beide talen en vulde de gaten in zijn Arabisch met Nederlandse woorden. Hij vertelde grappen die hij van zijn vrienden had geleerd en die ik niet grappig vond; ik wist nooit of dat kwam doordat Nederlandse humor de mijne niet was, of gewoon doordat kindergrappen niet grappig zijn. Zijn vrienden waren Nederlands, Pools, Irakees en Amerikaans. Voor hem waren het gewoon de kinderen met wie hij na schooltijd speelde, meer niet.

Ik zocht voortdurend naar de betekenis van zijn leven in Nederland. Hij leefde het.

Volwassenen noemen kinderen zoals hij meertalig of bicultureel. Mijn zoon stond niet tussen twee werelden; hij stond in de keuken en vroeg waar zijn voetbalschoenen waren.

Thuis: mensen die blijven

Een tijd geleden zei hij, tijdens een gesprek met een vriendin die bij ons thuis was: „Ik voel me niet thuis in Nederland.” De zin verraste mij. Hij was hier geboren. Zij vroeg wat ’thuis’ dan wel voor hem betekende. Hij dacht even na.

„Mijn familie en mijn vrienden.”

Hij noemde geen land, geen taal en geen afkomst. Ik had daaruit kunnen concluderen dat hij zich niet met Nederland verbonden voelde. Maar dan zou ik zijn antwoord opnieuw gebruiken voor een vraag die niet van hem was, maar van mij. Hij zei niet dat hij elders thuishoorde. Hij zei dat een land op zichzelf nog geen thuis was.

Voor mij waren landen plaatsen die je toelieten of verdreven. Voor hem bestond thuis uit mensen die bleven.

Dankbaarheid was niet alleen een zaak tussen mij en mijn zoon. Rond de wedstrijd tussen Nederland en Marokko vroegen veel Syriërs zich openlijk af voor wie zij mochten juichen. Sommigen kozen voor Marokko uit een gevoel van verwantschap met Marokkaanse Nederlanders: moslims, migranten, buren, mensen met wie zij een wijk of de ervaring van uitsluiting deelden. Anderen vonden dat bijna ondankbaar: je bijt niet in de hand die naar je is uitgestoken; geen islamitisch land had ons opgenomen zoals Nederland. Weer een ander zei dat hij Nederland niets verschuldigd was, omdat hij werkte en belasting betaalde. De kampen waren het over alles oneens, behalve over de aanname die eronder lag: dat wie hier is opgenomen, zijn voorkeuren later niet meer helemaal vrij kiest, zelfs niet tijdens een voetbalwedstrijd. Wie hier geboren is, kent die vraag niet op dezelfde manier.

Mijn zoon kende haar niet. En toch had ook ik hem mijn redenen meegegeven, redenen die allemaal vóór zijn geboorte begonnen.

Nederland verloor die wedstrijd. We hadden hem niet gezien; hij werd midden in de nacht gespeeld. Mijn zoon hoorde de uitslag pas ’s ochtends. Hij reageerde niet. Het was een gewone ochtend; hij liep het huis door en maakte zich klaar voor school.

Voor mij was het geen gewone ochtend. Ik betrapte me erop dat ik zijn gezicht las, op zoek naar een reactie die er niet was. En ik vroeg hem niets. Ik durfde niet, bang dat hij zou zeggen dat hij blij was dat Nederland had verloren. Het land dat ik hem had geleerd als het onze te zien, was uitgeschakeld, en de eerste die daarover zweeg, was ik.

Een week later werd Portugal uitgeschakeld. Ook die wedstrijd had hij niet gezien. Die ochtend huilde hij aan tafel. Zijn ontbijt bleef bijna onaangeroerd; pas na lang aandringen kreeg ik hem zover dat hij verder at. Ik hield hem vast, telkens opnieuw. Hij ging huilend naar school.

Niet om een land — om Ronaldo.

’s Middags kwam hij thuis en was hij weer zichzelf.

Er is een vraag die ik niet kan wegduwen: waarom zou een vluchteling dankbaarder moeten zijn dan wie de loterij van de geboorte heeft gewonnen? Mijn zoon heeft die loterij gewonnen. Van hem werd niets verlangd. Geen politicus, leraar of buurman had hem gevraagd te bewijzen dat hij erbij hoorde.

Ik deed het.

Ik had de eis niet bestreden. Ik had haar overgenomen. Wat mij klein had kunnen houden, gaf ik aan hem door. Niet om mijn zoon uit te sluiten, maar om hem tegen uitsluiting te beschermen.

Juist daarin lag het gevaar.

Bescherming houdt een gevaar meestal op afstand. Deze bescherming bracht het alvast naar binnen. Misschien zou iemand mijn zoon later vragen waar zijn loyaliteit lag; door hem het antwoord bij voorbaat te leren, leerde ik hem ook dat de vraag terecht was, dat anderen het recht hadden die te stellen. Zo geeft angst aan een oordeel gezag nog voordat het is uitgesproken.

Ik had de oorlog niet in het geheugen van mijn zoon geplant. Hij kende haar als iets wat zijn ouders was overkomen voordat zijn eigen geheugen begon. Maar ik kon hem wel het gedrag doorgeven dat oorlog en vlucht in mij hadden achtergelaten: vooruitdenken, geen onnodig risico nemen, altijd rekening houden met de blik van een ander. Zo leerde ik hem de vrijheid van een soldaat en niet die van een kind: de vrijheid om de gevolgen te berekenen, niet om zijn eigen leven te kiezen.

Zo kan een geschiedenis worden geërfd zonder dat zij wordt verteld.

Het was een oude reflex

Na Syrië wist ik niet meer goed hoe iemand zonder voorbehoud bij een land hoort. Het Syrië waarmee ik mij nog verbonden voel, bestaat vooral in de verleden tijd: mensen die nog niet waren verdwenen, straten die nog geen frontlijnen waren, een toekomst die nog niet in stukken was verdeeld. Ik behoor niet zozeer tot een land als tot een tijd waarin dat land nog mogelijk leek.

Nederland gaf mij geen herstel van wat verloren was, maar de mogelijkheid verder te leven. Dat is veel. Maar veiligheid en verbondenheid zijn niet hetzelfde. Veiligheid kan worden georganiseerd. Verbondenheid laat zich niet verstrekken.

Met dat verschil kan ik leven.

Inmiddels heb ik een Nederlands paspoort. Op papier is mijn plaats hier geen gunst meer. En toch bleef ik haar behandelen alsof ze telkens opnieuw moest worden verdiend.

Achteraf begrijp ik wat ik die avond werkelijk had gevraagd. Het was geen advies over voetbal geweest, maar de oude reflex om mijn plaats veilig te stellen, en meer nog: ik had gevraagd om een bewijs dat mijn vlucht en mijn aankomst hier op iets goeds waren uitgelopen. Ik zocht die zekerheid bij een kind van tien. Zijn leven mag geen antwoord worden op mijn verlies. Hij hoeft niet van Nederland te houden op de manier waarop ik dat niet kon.

Ik vertelde hem dat Nederland ons had opgenomen. Daarmee gaf ik hem ook een plaats in het verhaal: wij waren degenen die waren binnengelaten.

Een gast kan geliefd zijn. Hij kan een sleutel krijgen, jaren blijven en aan dezelfde tafel eten. Toch blijft er in het woord ‘gast’ altijd iemand bestaan die de deur heeft geopend.

Ik wilde voorkomen dat mijn zoon ooit als gast zou worden behandeld. Daarom gaf ik hem de regels mee: wees dankbaar, vergeet niet wat je is gegeven, laat zien dat je de uitnodiging waardeert.

Ik leerde hem een gast te zijn.

Ik heb hem nooit gevraagd wat hij die avond had gedacht; ik was te bezig met de gedachte die in mijn hoofd ronddraaide. Het zou aanmatigend zijn om aan één stil moment een heel innerlijk conflict toe te schrijven. Maar ik heb wel iets gemerkt. Hij is voor Portugal gebleven; daar veranderde niets aan. Alleen zei hij na die avond niet meer hardop dat hij niet wilde dat Nederland won. Niet in de dagen dat Nederland nog speelde, en niet daarna. Dat was geen loyaliteit, maar zwijgen.

Toch legden mijn woorden iets bloot wat al in mij zat. Ik had zo lang geprobeerd mijn eigen plaats te rechtvaardigen dat ik rechtvaardiging voor opvoeding was gaan aanzien.

Dat inzicht biedt geen eenvoudige correctie. Zou ik hem vertellen dat hij nergens dankbaar voor hoeft te zijn, dan maakte ik van zijn verhouding tot Nederland opnieuw een les. Dankbaarheid en liefde voor een land verliezen hun betekenis zodra ze moeten worden bewezen.

Wat ik hem had moeten laten, was iets kleiners: de vrijheid om een voetbalwedstrijd niet te gebruiken voor een antwoord op een grotere vraag.

Voor hem was Portugal Ronaldo.

Ik had Nederland gewoon Nederland moeten laten zijn.

Migratie en vluchtelingen

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next