Actrice en schrijver Nadja Hüpscher probeert met haar twee zonen (13 en 14) over alles te praten. Alleen gaat dat nooit zoals ze wil.
Zoon en moeder zitten op de rand van het bed.
Zoon: Mam van wie hou je het meest? Van je kinderen of van je man?
Moeder: Och, ik hou zo veel van jullie. En ook van papa. Ik hou van jullie alle drie het meest van iedereen.
Zoon: Van wie daarna?
Moeder: M’n broer, m’n ouders en m’n vrienden.
Zoon: Ik weet het nog niet, ik kan het niet weten, want er zijn zo veel mensen waar ik nog van ga houden en die ik nog niet ken. Misschien hou ik straks meer van iemand van wie je het niet verwacht.
Moeder: Een raar idee dat je straks meer van iemand anders houdt dan van mij. Maar zo gaat het.
Zoon: Waarom groei ik zo langzaam? Als ik sneller zou groeien, dan wist ik dat misschien al.
Moeder: Zo duurt het leven langer. En je maakt eerst andere dingen mee: vriendjes, school en mij helpen in de keuken.
Zoon: Ik wil liever nu al weten van wie ik ga houden.
Moeder: Nu heb je mij nog, schatje. Er gaat nooit meer iemand meer van je houden dan ik, denk ik.
Zoon: Maar jij gaat dood.
Moeder: Maar dat duurt nog lang gelukkig.
Zoon: Je weet voor die tijd wie er méér van mij houdt dan jij.
Moeder: Mijn liefde voor jou is oneindig en voor altijd, hoe stom je ook doet.
Zoon: Die zal ik onthouden. Wel handig dat ik jouw kind ben. Ik heb dorst, haal jij een glas melk? En iets lekkers. Hebben we snoep?