NRC-columnist Floor Rusman kreeg in september te horen dat ze eierstokkanker had. Deze zomer schrijft ze wekelijks over wat er in haar hoofd gebeurde toen haar lichaam een bedreiging werd.
„Wil je het weten?” Mijn beste vriendin en ik zitten in de kamer bij de oncoloog, die de genadeloze waarheid vertelt over eierstokkanker. De vraag is nu of ik de cijfers wil weten. Alarm in mijn hoofd. Zeg nee! Ik zeg ja.
Hij noemt het percentage vrouwen dat na vijf jaar nog leeft. Het voelt alsof ik een kamer zonder ramen en deuren binnenloop. Als we even later het ziekenhuis verlaten, zijn we eerst heel lang stil. We fietsen naar een café om te lunchen, ik kies het broodje dat me de minste walging inboezemt, maar het lukt me amper het te eten.
Na ongeveer een half uur veert de hoop op, als bij zo’n opblaasbare figuur die knakt en terugveert als er lucht in wordt geblazen. „Het zijn oude cijfers”, zeggen we tegen elkaar. „Het zijn cijfers van over de hele wereld, in Nederland is de zorg beter.„ „Deze situatie is anders, want het zit niet in de organen.”
Normaal gesproken ben ik iemand met een rationele verhouding tot statistiek. Ik was op school goed in wiskunde en ik lees vaak sociaalwetenschappelijke papers waarin statistiek een belangrijke rol speelt. Tijdens de pandemie was ik geobsedeerd door grafieken en kansberekening. Kortom, ik snap wat dit percentage betekent. Als mensen tegen me zeggen „jij bent meer dan een cijfer”, dan denk ik: dat is aardig van je, en ik vind mezelf ook meer dan een cijfer, maar in deze context is dit cijfer toch echt belangrijk voor mij.
Toch voel ik sterk dat ik nu iets anders nodig heb. Om hoop te houden moet ik de cijfers even laten liggen en me voluit storten op de anekdotiek. Een vriendin van een vriendin kreeg eierstokkanker en leeft vele jaren later nog steeds. Dat kan ik zijn. Dat gá ik zijn. Ik besluit zorgvuldig aangebrachte oogkleppen te dragen: ik ga niks meer googlen, ik wil geen cijfers meer horen en laat een vriendin voor me grasduinen in een Facebookgroep voor vrouwen met eierstokkanker. Alle hoopvolle verhalen geeft ze door, de rest houdt ze voor zich.
Het helpt: door me minder te concentreren op kansen en meer op verhalen, ga ik geloven dat die laatste over mij kunnen gaan.
Het betekent niet dat mijn behoefte aan houvast verdwijnt. Integendeel: waar ik me normaal gesproken vastklamp aan cijfers, doe ik nu hetzelfde met woorden. Na twee chemokuren zegt mijn oncoloog dat ik er „exceptioneel” op reageer: de tumormarker is alweer terug bij een normale waarde. Later gebruikt hij nog andere woorden, zoals „briljant” en „beter kan het niet”. Ik zie een normaalverdeling voor me met mijn reactie op de chemokuur aan het einde van de staart. Ik ben de Einstein onder de kankerpatiënten.
Ook zijn andere woorden ken ik veel gewicht toe. Ik neem alle gesprekken op en transcribeer ze. Het resultaat is voor mij als het woord van God; in mijn eentje doe ik aan Bijbel-exegese. Een tijdje nadat het woord ‘exceptioneel’ is gevallen, zegt de oncoloog over de chemo: „Daar reageer je hartstikke goed op.” Mijn wenkbrauwen fronsen. Hartstikke goed, dat klinkt als een acht. Maar exceptioneel, dat is toch meer een tien? Hoe zit dit?
Ik merk vaker dat ik de oncoloog te letterlijk neem. Een paar weken voor mijn operatie, waar mijn baarmoeder en eierstokken zullen worden verwijderd, belt hij om te vragen hoe het gaat. Ik zeg dat ik zenuwachtig ben en hij geeft me gelijk: „Je bewandelt een extreem smalle bergweg.” Na afloop ben ik in de war. Waarom een bergweg? Waarom extreem smal? Ik dacht dat mijn operatie relatief makkelijk zou zijn. Ik stel me voor dat ik bij onze volgende afspraak tegen de oncoloog zeg: „Je zei dat ik een extreem smalle bergweg bewandel. Kun je uitleggen welke gevaren er loeren aan weerszijden van die bergweg en hoe moeilijk het voor een gemiddelde wandelaar is om zonder te struikelen bij het eindpunt te komen?” Als je dit soort dingen gaat denken, weet je dat je gek begint te worden. Je moet zijn woorden minder serieus nemen, zeg ik tegen mezelf. Maar dat is lastiger gezegd dan gedaan, want woorden zijn alles wat ik heb.
Dit wordt bevestigd als ik na het einde van de behandeling een gesprek heb met mijn gynaecoloog. De manier waarop de kanker zich bij mij manifesteerde, en mijn reactie op de chemo, zijn beide zó ongewoon dat de statistieken voor mij niks voorspellen, zegt zij. Ja, het zou nog steeds kunnen dat ik over vijf jaar niet meer leef. „Maar voor jou hopen we wel op decennia.” Weer zo’n woord dat zich vasthaakt in mijn hoofd: decennia. Er is geen garantie, maar het woord is gevallen. Decennia: een mooi woord.