Ginuwines Pony bestaat dertig jaar. Het nummer geldt als een van de opwindendste liedjes die de popmuziek ons heeft opgeleverd, ook nu nog. Wat maakt dit nummer precies zo sexy, en wat maakt muziek überhaupt sexy?
schrijft voor de Volkskrant over hedendaagse muziek.
Pony is erg traag voor een hiphoptrack: 60 bpm (beats per minute). Kortom: exact het tempo van een secondewijzer. Zo’n laag tempo creëert ruimte tussen de tellen. Luister maar naar je eigen klok: 1… 2… 3… 4… Na elke beat ontstaat een kort moment van spanning. Het is climax en bevrediging, maar dan op microniveau.
Nog spannender is de bas. Een doorsnee synthbas? Die zou voldoende zijn voor een vette hiphoptrack, maar natuurlijk niet voor het sexyste nummer aller tijden. Misschien dacht producer Timbaland dat ook, toen hij zijn lage synthesizertonen eerst door een formantfilter stuurde (een effect dat menselijke keelklanken kan nabootsen).
Het resultaat: ineens horen we geen bas meer, maar een diepe stem, kreunend aan een stuk door. ‘Yeaw. Yeaw, yeaw, yeaw.’ Er schemert iets primitiefs in door, een soort hunkerende oerdrang. Hoog daarboven zweeft, in contrast met die lage kreunen, een koortje van vrouwenstemmen. Hun klank is zo bewerkt dat er alleen een hees gehijg overblijft. Pure chemie!
Alles aan Pony is traag en simpel. Traag is verleidelijk, seks is simpel, toch? Het liedje heeft bijvoorbeeld maar twee akkoorden: C#-mineur en F#-mineur, die elkaar afwisselen. Iedereen kan het spelen.
Halverwege de coupletten en in de refreinen hoor je subtiele akkoorden van synthesizers. Muzikanten noemen zulke akkoorden pads. Dat Engelse woord verwijst naar een zacht, dragend oppervlak waarop iets rust. Zie het als een bedje. De synthesizerpads in Pony zijn geen strak opgemaakt bedje. Ze veranderen continu van klankkleur, alsof ze soepel bewegen. Soms lijken ze te groeien, dan weer te krimpen.
Zo vloeiend als de akkoorden bewegen, zo ruw en basaal klinken de drums. Rakketakketak, doen de hihats. Plof, doet de kickdrum. Op de een of andere manier lijkt elk muzikaal element in Pony een seksuele metafoor.
We vergeten bijna het belangrijkste: Ginuwines leadzang. Waarom klinkt die (afgezien van de tekst) nou zo smooth? Laten we die eens naast de drie andere grote R&B-hits uit 1996 leggen: I Got 5 On It (Luniz), Killing Me Softly (Fugees) en Don’t Speak (No Doubt). Wat valt op? Die refreinen hebben een leadzang vol syncopen. Dat is een muzikale term die inhoudt dat noten niet óp, maar tússen de tel worden gespeeld of gezongen.
Syncopen werken als een muzikaal katapultje: ze houden het tempo in een melodie. Ze maken zinnen energiek en optimistisch. De muziekgeschiedenis zit er vol mee.
Raad eens? De coupletten van ‘Pony’ zijn al redelijk syncooparm, maar in de refreinen is geen syncope te horen. ‘If you’re horny, let’s do it, ride it, my pony.’ Elke noot wordt recht op de tel gezongen. Het klinkt extreem laidback, maar ook uitdagend, alsof iedere frase een imperatief is. Net als in bed, want nee, tijdens seks spreekt niemand syncopisch. Zeg maar na, langzaam: ‘kom eens hier’, ‘ga door’, ‘niet stoppen’, ‘zachter, nee harder’.
Source: Volkskrant