Home

Ze hebben een leuke naam en Noord-Nederland ligt er vol mee. Het zijn groene erfenissen uit de ijstijd

Geografie Het veenlandschap van Noord-Nederland bevat duizenden laagtes die zijn gevormd tijdens de laatste ijstijd: pingoruïnes. In de prehistorie trokken ze al mensen aan. En nu zijn ze interessant voor wetenschappers.

De pingoruïne bij het Drentse Zeijen.

Op een paar honderd meter afstand van hunebed D5, net buiten het Drentse Zeijen, stapt fysisch geograaf Anja Verbers een drassig berkenbosje in: het Witteveen. De bomen vormen een opvallend contrast met de grote lappen landbouwgrond eromheen. „Net alsof je een andere wereld binnengaat. Heel feeëriek.” De andere wereld ligt een paar meter lager dan de aangrenzende asfaltweg en heeft een zacht verende ondergrond. Veen. Na de droogte van de afgelopen tijd is het goed begaanbaar. „Anders zou de bodem nu een kleddernatte spons zijn.”

Het veen vormt de opvulling van één van de opmerkelijkste landschapselementen in Nederland. Want de laagte waarin we ons bevinden is een pingoruïne – een restant uit de koudste fase van de laatste ijstijd, het Weichselien, tussen de 116.000 en 11.6500 jaar geleden. Rond 20.000 jaar geleden veranderde het noorden van Nederland enkele duizenden jaren in een poolwoestijn, vol heuvels met een kern van ijs.

Anja Verbers.

„Die pingo’s komen nu nog voor in bijvoorbeeld Canada en Alaska. Het woord is een afkorting van wat de Inuit pingosariuk noemen, wat zoveel betekent als ‘heuvel die groeit’. Dat groeien gebeurt als er onder extreem koude omstandigheden een massieve ijslens ontstaat in de ondergrond, die de bovenliggende bodem omhoog duwt.” Als het vervolgens weer warmer wordt, smelt die ijsmassa en blijft er alleen een cirkelvormige laagte over.

In Noord-Nederland zijn er duizenden van die ronde laagtes, en Verbers deed er de afgelopen twintig jaar onderzoek naar, samen met collega-onderzoekers, studenten én een grote groep vrijwilligers. „Alleen al in Drenthe stond de teller op 2.100 laagtes toen ik begon, en daar hebben we de afgelopen jaren nog eens 300 aan toegevoegd.” Op basis van al het onderzoek bracht Verbers eind juni het boek Pingoruïnes – bijzondere ijstijdrelicten in het landschap uit. Disclaimer: niet élke cirkelvormige laagte is een pingoruïne. „Vaak gaat het ook om uitblazingskommen, gevormd door de wind die in de poolwoestijn vrij spel had en grote hoeveelheden zand kon wegblazen. Daar kwam geen ijs aan te pas.”

Onder deze uitleg hoe in Nederland de pingo’s zijn ontstaan loopt de tekst door:

Het Witteveen is een van de door Verbers ontdekte pingoruïnes. „Naar schatting was de ijsheuvel tijdens de ijstijd ongeveer even hoog als de bomen nu, zo’n 25 meter. Toen het warmer werd en het ijs smolt, ontstond er een meertje dat opgevuld raakte met gyttja – organisch bezinksel – en later met veen.” Door die opvulling zijn pingoruïnes niet altijd makkelijk te herkennen in het veld. Uren heeft Verbers hoogtekaarten en historische kaarten afgespeurd om te zoeken naar nieuwe laagtes. „De meeste hebben een diameter rond de 200 meter, en liggen nét een paar meter lager dan de omgeving. In Drenthe heb je maar een handvol pingo’s die nooit zijn dichtgegroeid, waaronder het Mekelermeer, dat is uitgeroepen tot aardkundig monument.”

Toch is het juist die opvulling die pingo’s tot een waardevol archief maken voor wetenschappers. In het metersdiepe pakket van gyttja en veen zit fossiel stuifmeel opgeslagen, waaraan paleobotanici kunnen aflezen wat voor vegetatie er aanwezig was in de duizenden jaren dat de pingoruïne langzaamaan dichtgroeide. „En dát zegt weer iets over het klimaat destijds. Een aantal jaar geleden organiseerde ik samen met collega’s drie pingo-summer schools voor studenten en vrijwilligers, en daarbij zetten we elke dag enkele boringen om de dikte van het veenpakket te bestuderen. Dat maakt het ook zo mooi tastbaar, dat je met die bodem duizenden jaren aan geschiedenis in je handen hebt.” Dan, nuchter gebarend naar een paar vuilniszakken: „Helaas denken mensen soms dat ze ook eigenhandig moeten bijdragen aan de opvulling van pingoruïnes.”

Een ijsbaan in de laagte bij Zeijen.

De omgeving van het Witteveen is een archeologische goudmijn, vertelt Verbers als we weer het bos uitlopen. „Los van het hunebed zijn er ook sporen van neanderthalers aangetroffen, en restanten van een Romeinse palissade. En dan zijn hier ook nog de celtic fields waarop tot een paar eeuwen na Christus graan werd verbouwd. We werken echt op het raakvlak tussen aardkunde, cultuurhistorie en ecologie.” Sterker nog: in de Midden-Steentijd, pakweg tussen de 12.500 en 7.300 jaar geleden – dus net ná de laatste ijstijd – sloegen jager-verzamelaars opvallend vaak hun kampementen op bij pingoruïnes. „Wild werd vaak aangetrokken door het open water, en daar kwamen de mensen dus op af. In Drenthe zijn er bij veel pingoruïnes vuurstenen artefacten gevonden.”

Bij de volgende pingoruïne die we aandoen, het Bollenveen, speelt de recentere cultuurhistorie een rol. In de lucht paren libellen, in de zomereiken zingen vinken. In tegenstelling tot het Witteveen is hier wél sprake van open water, maar dat is niet altijd zo geweest. „Op foto’s van een eeuw geleden zie je dat hier een veentje lag, omgeven door heide. Dat is toen door omwonenden stukje bij beetje afgegraven voor de turfwinning.” Het was arbeidsintensief werk, dat altijd door minstens twee mensen moest worden uitgevoerd: een trekker en een trapper. „De trekker baggerde het veen met een grofmazig net aan een lange steel; vervolgens werd de veenbrij te drogen gelegd en door de trapper tot een samenhangende massa fijngestampt.”

Om de winning makkelijker te maken, werd het veen ontwaterd met behulp van speciale molentjes: de tjaskers. „Kleine windmolens op heel kenmerkende ronde grondvormen van zo’n 15 meter doorsnede met een kleine ophoging in het midden. Tijdens mijn onderzoek ben ik wel zo’n vijftig van die tjaskerplekken tegengekomen.” Bij het Bollenveen staat nu een replica. „Er bleken speciale tjaskerbouwpakketten te bestaan, dus toen heeft de werkgroep Zeijerwiek er één aangeschaft om het historische karakter van de plek te onderstrepen.” De plek oogt idyllisch, maar de heide die ooit rondom de pingoruïne groeide is nu vervangen door uitgestrekte akkers met maïs en aardappels. Pingoruïnes vormen steeds vaker toevluchtsoorden voor de biodiversiteit, zegt Verbers. „Groene oases in een door de mens gecreëerde woestenij.”

Juist daarom vindt ze voorlichting over pingo’s zo belangrijk, vertelt ze bij de derde pingoruïne die we bezoeken: een met gele ratelaars begroeide laagte die ’s winters dienst doet als ijsbaan. „Kennis vergroot affiniteit. Ik hoor vaak van buurtbewoners dat ze trots zijn op ‘hun’ pingoruïne. Dat het een leuk woord is speelt zeker ook mee. Bij het dorp Berghuizen, ten oosten van Meppel, waren er al plannen om een kunstwerk te laten ontwerpen ter ere van de plaatselijke pingoruïne, maar uit ons onderzoek bleek dat die laagte in feite een uitblazingskom was. Toen moesten de omwonenden toch even slikken. Zo’n kom spreekt toch net wat minder tot de verbeelding.”

Pingovorming Open en gesloten systemen

Traditiegetrouw onderscheiden aardwetenschappers twee manieren van pingovorming: het open systeem en het gesloten systeem. De eerste vorm ontstaat in reliëfrijk gebied, waarbij grondwater ‘s zomers door de niet-bevroren delen van de ondergrond hrichting een dal stroomt. Daar wordt het water onder druk omhooggeperst, dwars door de jaarrond bevroren permafrost. In contact met die koude bodem bevriest het tot een ijslens die de bovenliggende bodem naar boven duwt.

Een pingo van het gesloten systeem ontwikkelt zich in vlakke gebieden waar ijslenzen ontstaan door de aanvoer van dooiwater vanaf het oppervlak. In de winter bevriest zowel de bodem als het oppervlak; het ingesloten dooiwater bevriest ook en vormt een pingo.

Maar de pingoruïnes in Nederland ontstonden op nog een derde manier, vermoeden Verbers en de Utrechtse aardwetenschapper Wim Hoek. In het boek schetsen ze het door hen ontwikkelde ‘Nederlandse’ model. Net als bij het open systeem wordt de ijslens gevoed door grondwater dat onder druk staat, maar dan wel in vlak terrein. Door de aanwezigheid van keileem (een bodemtype dat is ontstaan tijdens eerdere ijstijden, toen gletsjertongen tot in Nederland reikten en de ondergrond veranderden in een potpourri van keien, zand en klei) is de bodem verre van homogeen. Daardoor zijn er plaatselijk zwakke plekken waar het opgaande grondwater makkelijk doorheen kan breken. Vervolgens bevriest het tot een ijslens.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Natuurwetenschappen

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next