Richard Flanagan In zijn nieuwe roman gaat de Australische schrijver Richard Flanagan aan de hand van ingenieus met elkaar verweven verhalen op zoek naar het leven zelf, dat altijd onstuimiger is dan de neerslag ervan op papier.
De atoombommen exploderen in Hiroshima (links) en Nagasaki (rechts), Augustus 1945.
Op zijn vierde besloot Richard Flanagan „absurd en zinloos genoeg” dat hij schrijver wilde worden, schrijft hij in zijn nieuwe roman Vraag 7. Zijn eerste pogingen waren brieven aan zijn grote zus die naar een andere stad vertrok. Omdat hij nog niet kon schrijven, bestonden die brieven uit „afbeeldingen van zinnen en alinea’s”. Op de achterkant van de brieven schreef zijn moeder zijn verhaal, „mijn eerste vertalingen, denk ik”. Toen ontdekte hij dat het verhaal zelf niet het punt was. „De woorden van een boek zijn het boek niet, het gaat om de ziel ervan.” In dit geval was die ziel het gemis van zijn zus.
Richard Flanagan: Vraag 7. (Question 7) Vert. Thijs van Nimwegen. Koppernik, 248 blz. € 24,50
Het is duidelijk dat deze vroege ontdekking leidend is geweest voor het schrijven van Vraag 7, waarmee de Australiër Flanagan in 2024 de Baillie Gifford Prize voor non-fictie won. In eerste instantie vertelt hij een verhaal, of beter gezegd meerdere verhalen, over hoe de eerste atoombom tot stand kwam en hoe die op 6 augustus 1945 neerdaalde op Hiroshima, waar die „ontelbare menselijke wezens […] als pure energie en verdampte flarden hemelwaarts” stuurde. Ook vertelt hij het verhaal van zijn vader wiens leven paradoxaal genoeg juist gered werd door de bom, omdat daarmee een einde kwam aan zijn tijd in een Japans werkkamp. En dan is er zijn eigen verhaal, want hij zou niet hebben bestaan als de bom niet zoveel levens had verwoest.
In die verschillende verhalen, die ingenieus met elkaar verweven zijn, worden memoires afgewisseld met historische reconstructies van de geschiedenis van de atoombom. Ieder verhaal komt daardoor in het licht te staan van het grotere geheel.
De verhalen, zo lijkt Flanagan te willen zeggen, kunnen nooit alle antwoorden op grote levensvragen geven of ons van betekenis voorzien. Zijn punt lijkt juist het onvermogen te zijn om betekenis te geven.
Daarmee lijkt het alsof het schrijven van een boek net zoiets is als het dodenaantal van Hiroshima vast willen stellen: een feitelijk onmogelijke taak, want „niemand weet hoeveel mensen er op dat moment gestorven zijn”. Maar, zo kun je je afvragen, maakt het voor de betekenis van Hiroshima uit of er 60.000 of 80.000 mensen gestorven zijn? „Kunnen meer lijken morgen minder lijken vandaag rechtvaardigen?”
Flanagan constateert dat we klem zitten „in het idee dat het leven oneindig meetbaar is”. We denken, of hopen misschien, dat de betekenis van zoiets als liefde uitgedrukt kan worden in statistiek of in woorden, maar wie dat denkt, behoort duidelijk tot de wereld van de dwazen.
Toch is het belangrijk pogingen te blijven doen om het dodenaantal te bepalen, omdat we nu eenmaal niet onverschillig kunnen blijven en het zoeken naar waarheid het tegendeel van onverschilligheid is. Daarom moeten we volgens Flanagan via de literatuur de „noodzakelijke vraag” blijven stellen naar de betekenis van dit alles. Maar ook dan zal het uiteindelijke antwoord ons altijd weer ontsnappen.
Onder de oppervlakkige wereld van de woorden en statistiek ‘golft’ namelijk een heel andere wereld op „als een woeste rivier die ons ieder moment kan overspoelen”. En het is juist die wereld, waar de literatuur, of in ieder geval deze literatuur, uiteindelijk op uit is: op het leven zelf dat altijd onstuimiger is dan de neerslag ervan op papier. Als het ware leven een woeste rivier is, dan is de literatuur voor Flanagan een kajak waarmee hij over die rivier kajakt, om te zorgen dat hij niet verdrinkt.
Er zijn weinig boeken waarbij die overlevingsdrang zo tastbaar is. Het lezen van Vraag 7 zorgt ervoor dat het leven, ieder leven, willekeurig en toch noodzakelijk voelt. Deze dualiteit van willekeur en noodzakelijkheid is een gemeenschappelijke deler van de verschillende verhalen, zoals bij het verhaal over de schrijver H.G. Wells die door een toevallig ontmoeting met de schrijfster Rebecca West er uiteindelijk toe werd aangezet om het boek The World Set Free (1914) te schrijven. Daarin stelt hij zich de ontdekking van de atoombom voor. Geïnspireerd door het boek van Wells vindt de Hongaarse wetenschapper Leo Szilard het principe van de atoombom uit, waarna hij tevergeefs probeert om het gebruik ervan tegen te houden. Deze versmelting van toeval en causaliteit werpt op de achtergrond ook morele vragen op, bijvoorbeeld tot op welke hoogte Szilard of zelfs Wells medeplichtig zou zijn aan Hiroshima.
Eenzelfde vraag wordt opgeroepen wanneer Flanagan vertelt over de geschiedenis van zijn eiland Tasmanië en over hoe er na de kolonisatie van de Aboriginals een nieuwe, eigen cultuur ontstond. Wie stonden er aan de goede kant en wie aan de verkeerde?
In al die verhalen keert steeds het element water terug. Naast de woeste rivier als metafoor voor het leven die we eerder al zagen, had Szilard bijvoorbeeld een zeer ambigue verhouding tot water: een kinderangst voor de gewelddadige stortvloed die door de negentiende-eeuwse wc-potten in Boedapest spoot en tegelijkertijd „een perverse voorliefde” voor baden.
Maar het is vooral wanneer Flanagan over zichzelf schrijft dat de rivier regelmatig en in verschillende gedaantes op het toneel verschijnt. Pas tegen het einde van Vraag 7 wordt duidelijk waarom, wanneer hij beschrijft hoe hij op zijn 21ste (bijna) stierf tijdens een kajakongeluk op de Franklin River. Al eerder in het boek verwijst hij kort naar deze gebeurtenis, maar pas wanneer je pagina’s lang het moment in wordt gezogen waarin hij beschrijft hoe hij zo goed als dood was, begrijp je waarom hij het leven voor altijd met deze gewelddadige rivier zal associëren. Deze gebeurtenis veranderde alles. „Voor het gebeurde begreep ik niets van mezelf of van mijn verhouding tot de wereld. Erna, op dit exacte moment, leek de wereld me buitengewoon helder”. Vanuit die helderheid is dit immens rijke boek geschreven, de helderheid van de dood.