Home

Het is een van de hardnekkigste muziekmythes: had Beethoven zijn ‘ta-ta-ta-daaa’ afgeluisterd van de geelgors?

Het is een legendarisch verhaal over de geelgors: Beethoven zou zich voor de iconische eerste noten van zijn Vijfde symfonie (‘ta-ta-ta-daaa’) hebben laten inspireren door de zang van de vogel. Verslaggever en natuurvorser Caspar Janssen zoekt het tot op de bodem uit.

schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.

Opwinding op de Nussberg. Eerder deze ochtend ben ik al langs twee adressen gelopen in het voormalige wijndorp en kuuroord Heiligenstadt, dat nu is opgeslokt door een buitenwijk voor bemiddelde burgers van Wenen.

Twee adressen waar Ludwig van Beethoven (1770-1827) in verschillende fasen van zijn leven kortstondig woonde. Via de Eroïcagasse, vernoemd naar zijn Derde symfonie, die hij rond 1803 voltooide, langs de Pfarrplatz, waar Beethoven in 1817 werkte aan zijn Negende symfonie, en door de Probusgasse.

In dit straatje, in het huis waar hij in 1802 verbleef, is nu een Beethovenmuseum gevestigd. Via een naar de componist genoemd park – uiteraard met standbeeld – kwam ik uit bij de Beethovengang, het pad waar de fervente wandelaar dus inderdaad vaak liep, ’s ochtends vroeg vaak al, tijdens het ochtendconcert van de vogels, met zijn schetsboekje bij de hand. De Beethovengang loopt met een beekje mee, de Schreiberbach.

Voorbij het kerkhof omhoog, de heuvel op, de stad uit en daar kwam ik in het gebied waar ik hoopte te vinden wat ik zocht. Aan de linkerhand nog altijd de beek, geflankeerd door bomen, het geluid van kabbelend water en de zang van roodborstjes, mezen, vinken, zwartkopjes en een zanglijster. Aan de rechterhand een opener landschap, met wijngaarden. De Nussdorfer Weinberg, zo wordt het hier genoemd.

Net voor het bos sloeg ik rechtsaf, om in het halfopen gebied op de Nussberg te blijven. Al in Beethovens tijd werd hier wijn verbouwd, al lagen hier ook akkertjes en koelandjes. Bijzonder dat dit landschap nog wat lijkt op dat van meer dan twee eeuwen geleden.

Zo groot zijn de wijngaarden hier niet, er liggen nog strookjes met bomen tussen, hoekjes met struweel en wat heggen met struiken en overstaande bomen. Het lijstje vogelsoorten dat ik hoorde groeide gestaag, met putters, merels, bonte kraaien, de gekraagde roodstaart en de fazant. Aardig, maar het hield ook weer niet over.

‘Geelgors, geelgors!’

En dan dus die opwinding. Ik ben halverwege de wandeling als het geluid klinkt: dzi-dzi-dzi-dzi. Schuchter, niet heel dichtbij, maar hoorbaar genoeg om meteen te stoppen. Oren gespitst. En dan volgt de volledige strofe: dzi-dzi-dzi-dzi-dzi-dzi-DZIIII-suuuu, de op een na laatste noot iets hoger, de laatste iets lager en de laatste twee noten iets langgerekter.

De geelgors! Geen twijfel mogelijk. Ik blijf nog even luisteren, hoor de riedel van ongeveer twee tot drie seconden nog een keer, ik hoor nu dat de hoge noot ontbreekt, maar het is ’m toch. Ik zet het op een drafje en haal mijn vooruitgelopen metgezel in. ‘Geelgors, geelgors’, roep ik. En: ‘Missie geslaagd!’

Lichte obsessie

Amsterdam, een paar weken eerder. Ik luister naar Beethoven: symfonieën, pianosonates, pianoconcerten. Intussen lees ik over leven en werk van de in zijn tijd onconventionele componist, die de overgang van het classicisme naar de romantiek belichaamde. En dat is allesbehalve saai.

De plotselinge, lichte obsessie met Beethoven komt voort uit mijn interesse voor een vogel, de geelgors dus. Die interesse heeft vooral te maken met de vogel zelf en het landschap van zijn voorkeur. Dat zou je een overgangslandschap kunnen noemen, een halfopen landschap.

De geelgors is, als je een beetje oplet, zingend aan te treffen in heggen en in bomen langs paden of weggetjes, of in de bosrand, bij voorkeur naast graanakkers, kruidenrijke weilanden of op de rand van de hei.

Niets mooier op een zomeravond

Het gaat niet heel vaak over de geelgors. Hij geldt niet als iconisch of heel spectaculair. Zwaar bedreigd is de geelgors ook (nog) niet, al was de vogel een eeuw geleden nog veel algemener dan nu. De geelgors hoort ook niet echt ergens bij. Hij wordt vooral – maar toch niet helemaal – beschouwd als akkervogel, een beetje als heidevogel, niet als weidevogel, ook niet als bosvogel en al helemaal niet als watervogel.

Het is een vogel van de randen en daarmee lijkt de geelgors in een verkokerde wereld een beetje tussen de wal en het schip te vallen. Onterecht natuurlijk, want op een zomeravond bestaat er weinig mooiers dan de aanblik en het geluid van een lustig zingende geelgors in de top van een boompje langs een zandpad in een landschap met heggen, overstaande eiken en graanveldjes.

‘Beethovenvogel’

Maar er is een verhaal dat altijd maar weer wordt herhaald als het gaat over de geelgors: Beethoven zou zich voor de iconische eerste noten van zijn Vijfde symfonie (‘ta-ta-ta-daaa’) hebben laten inspireren door de zang van de vogel; door het ritme en door de laatste lagere en langer aangehouden noot. Simpel gezegd: dzi-dzi-dzi-suuu (vogelboekjestaal) wordt ta-ta-ta-daaa (orkesttaal). Die terugkerende noten vormen ook het thema van het eerste deel van die symfonie. Het ‘Beethovenvogeltje’, zo wordt de geelgors dan ook wel genoemd.

Ik had altijd zo mijn twijfels. Inderdaad lijken de eerste noten van de ‘Noodlotsymfonie’ enigszins op het liedje van de geelgors. Maar er ontbreken wel een paar noten en de aanloop is bij de geelgors langer. En is die associatie niet wat vergezocht? Waarom zou het geen toeval kunnen zijn? En, bij nader inzien, lijkt de zang van de ortolaan, een familielid van de geelgors, er eigenlijk niet meer op? Het wat melancholiekere deuntje van de ortolaan bestaat wel uit drie snelle korte noten en een wat lagere lange toon.

Bijna geen enkele actuele bron, zo lijkt het, die het geelgorsverhaal met stelligheid kan of durft te bevestigen of te ontkennen. Ook de Vlaamse psycholoog en vogelliefhebber Fernand Rochette houdt in zijn boek De vogel en de componist, over vogelzang als inspiratiebron voor componisten, een slag om de arm.

Wel kan hij het zich goed voorstellen dat het verhaal klopt. Want: ‘Elke vogelliefhebber weet dat de zang van de geelgors echt sprankelend klinkt wanneer de hitte van de zon boven de tarwevelden de lucht doet trillen.’

Ik kan er als geelgorsliefhebber niet omheen me er wat meer in te verdiepen.

De eerste vogelaar

In eerste instantie vind ik alleen in een amusante aflevering van de podcast Notenkrakers, van natuurmagazine Roots, iemand die stellig beweert dat het verhaal klopt. ‘Beethoven was de eerste vogelaar’, stelt Paul Bohre zelfs, vogelaar en redacteur van het blad. Mooi gezegd en bewust wat overmoedig, vermoed ik, want een echte onderbouwing volgt niet. In dezelfde uitzending houdt vogelgeluidenkenner Henk Meeuwsen dan weer een slag om de arm.

De oorspronkelijke bron van het verhaal over de Vijfde symfonie is Carl Czerny, een leerling van Beethoven. Hij schreef in 1852 in Anekdoten und Notizen über Beethoven dat ‘de zang van een bosvogel, de geelgors’ Beethoven ‘het thema voor de Vijfde symfonie aanreikte’.

Czerny meldde ook dat Beethoven de geelgors, Goldammer in het Duits, had gehoord in het Praterpark in Wenen. Dat hij de geelgors omschrijft als een bosvogel is lichtelijk problematisch, maar de geelgors kwam in zijn tijd vermoedelijk wel voor in het Praterpark, al is het maar omdat het Prater toen aan de rand van de stad lag, waar het boerenland begon, en het park zelf veel minder bebost was dan nu. En zeker was en is de geelgors wel een vogel die in bosranden zingt.

Verwarrende passage

Ook Anton Schindler, Beethovens secretaris in een periode vanaf 1814, maakt melding van de geelgors. In 1823 maakte hij een wandeling met zijn ‘Meister’ bij Heiligenstadt, de ‘sanft murmelnden’ beek volgend omhoog. Volgens Schindler, in zijn Biographie von Ludwig van Beethoven (1840), vroeg Beethoven, die inmiddels doof was, tijdens een pauze, zittend tegen een iep en uitkijkend over het ‘herrlichen landschaft’, of Schindler de geelgors hoorde in de bosrand.

Schindler antwoordde ontkennend, het was stil. Waarop Beethoven zou hebben gezegd: ‘Hier heb ik de Szene am Bach geschreven en de geelgorzen daarboven en de kwartels, nachtegalen en koekoeken hier in de omgeving hebben meegecomponeerd.’

De Szene am Bach is het tweede deel van de Zesde symfonie, de ‘Pastorale’, geschreven tussen 1802 en 1804. Opvallend is dat Beethoven boven de betreffende regels van de partituur expliciet de namen van de nachtegaal (fluit), de kwartel (hobo) en de koekoek (klarinet) noteerde.

Maar de passage in Schindlers boek roept ook verwarring op. Als de – inmiddels onbezoldigde – secretaris Beethoven de vraag stelt waarom de geelgors dan niet expliciet vermeld staat, haalt de componist zijn schetsboek tevoorschijn en noteert een strofe uit de symfonie die in de verste verte niet lijkt op het gezang van de geelgors. Het weerhoudt Schindler er niet van de strofe doodserieus te noteren in zijn biografie.

Beethoven hield Schindler wel vaker voor de gek, sprak ook schamper over hem. En later bleek Schindler bepaald onbetrouwbaar, niet alleen in zijn herinneringen aan Beethoven, maar ook omdat hij een deel van de correspondentie van Beethoven vernietigde of aanpaste en zijn eigen rol in het leven van de componist groter maakte dan die in werkelijkheid was.

Vergezocht en onrealistisch

De Szene am Bach uit Beethovens Pastorale blijkt, zo merk ik, een van de meest geanalyseerde muzikale passages van de componist. Vooral Amerikaanse en Engelse musicologen en muziekhistorici bijten zich er aardig op stuk. Ook de identiteit van de vogels in Beethovens werk blijkt voer voor even serieuze als amusante disputen.

De kandidaten voor ‘the mystery bird’ in de Pastorale als vervanger van de geelgors stapelen zich op, van goudvink tot putter, merel en zanglijster. Maar die verklaringen zijn vaak even vergezocht als onrealistisch.

Treffende gelijkenis

Terug naar de geelgors dus, en de eerste noten van de Vijfde symfonie, waarover Beethoven volgens Schindler heeft gezegd: ‘Zo klopt het noodlot aan de deur.’ Gelukkig is de mogelijke betrokkenheid van de geelgors toch al eens tamelijk diepgravend onderzocht.

De Britse musicoloog, pianist en Beethovenspecialist Sylvia Bowden schreef in 2008 in The Musical Times een analyse, onder de titel: The Theming Magpie: The Influence of Birdsong on Beethoven Motifs. Haar conclusie: de rol van de geelgors in Beethovens werk is nog veel groter dan eerder werd aangenomen.

Bowden vergelijkt niet alleen de eerste noten van de Vijfde symfonie met het sonogram van de geelgors (‘some resemblance’), maar legt ook andere composities waaraan Beethoven in die periode (tussen 1802 en 1808) bijna tegelijkertijd werkte, naast het korte liedje van de vogel. En ontdekt een ‘striking resemblance’ met de oorspronkelijke schets van het openingsmotief van Beethovens Vierde pianoconcert. Het patroon met dertien achtste noten is identiek en, zo laat Bowden zien, de laatste langer aangehouden, hogere noot lijkt ook op een variant van het geelgorslied. In de uiteindelijke versie past de componist de schets nog iets aan, maar de gelijkenis blijft.

Speeltje van de componist

En dus luister ik Beethoven. Niet alleen het Vierde pianoconcert, maar ook de Pianosonate nr. 21 in C, waarvan Bowden in het openingsthema een ‘bijna-match’ vindt met de zang van de geelgors. En de Pianosonate nr. 23 in f-mineur. En uiteindelijk nog heel veel meer.

De vier genoemde werken komen allemaal voort uit dezelfde bron, stelt de musicoloog. ‘Ze zijn als broers en zussen.’ Waarbij bij iedere broer of zus een van de verschillende eigenschappen van de ouders iets meer is uitgelicht.

Het zegt ook iets over de werkmethode van Beethoven, meent Bowden. ‘Eenmaal genoteerd verloor het lied van de geelgors zijn identiteit en werd een speeltje van de componist, om vervolgens op te gaan in een nieuwe muzikale gedachte.’

Het klinkt, al luisterend, heel aannemelijk. Dat vinden ook de professionele muzikanten in mijn omgeving – onder wie een uitstekende vogelaar – die ik vraag met eenzelfde oor te luisteren naar de betreffende passages.

Geen opname, geen bewijs

En dus sta ik nu op de Nussberg. Mijn vooruitgelopen metgezel, een veel betere vogelaar dan ik, heeft de geelgors niet gehoord. Echt bewijs heb ik ook niet, want ik heb niets opgeslagen op de Merlin-app, een hulpmiddel om vogelgeluiden te identificeren.

We blijven nog even vergeefs luisteren. Dan weer verder, tussen de wijngaarden door, en de Buschenschanken, de uitspanningen met lange tafels in de open lucht, waar Weners op mooie zomermiddagen wijn drinken en eten. We komen bij een punt met uitzicht op de stad en op de Donau. Maar de geelgors horen we niet meer.

De heuvel van Beethoven

Nog thuis in Amsterdam had ik kaarten vergeleken van Wenen uit de tijd dat Beethoven er woonde met het Wenen van nu. Ik vroeg me af waar de componist de geelgors veelvuldig had kunnen horen. En hoe het gesteld is met de huidige aanwezigheid van geelgorzen in Oostenrijk en in de omgeving van Wenen.

De ontwikkeling van geelgorzen loopt redelijk parallel met die van Nederland: tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw nog bijna landdekkend aanwezig, in grote hoeveelheden, maar inmiddels zijn er grote gaten gevallen in het verspreidingsgebied en zijn de aantallen gekelderd.

Maar, zo zie ik op de kaarten, de Nussberg bij Heiligenstadt is nog net niet opgeslokt door de stad en zowaar, er worden af en toe nog geelgorzen gesignaleerd, zo leert de internationale versie van waarneming.nl, observation.org, waarop mensen hun flora- en faunawaarnemingen kunnen doorgeven. Op deze heuvel, die hogerop overgaat in de Kahlenberg, liep Beethoven regelmatig toen hij tussen mei en oktober 1802 in Heiligenstadt verbleef.

Een enorme klap

Als we de rondwandeling hebben voltooid – op route.you vind ik een onofficiële ‘Beethoven-wandeling’, die we met dank aan de maker in grote lijnen lopen – bezoek ik nog even het Beethovenmuseum in de Probusgasse, dat inmiddels open is.

Op dit adres verbleef de componist in die zes maanden, op doktersadvies. Heiligenstadt was behalve een idyllisch wijndorp ook een bescheiden kuuroord, met een mineraalbad, waar veel Weners de zomer doorbrachten. Voor de begindertiger Beethoven was het een moeilijke, maar ook levensbepalende periode. Hij was overwerkt, had buikklachten en liefdesverdriet.

Maar vooral was hij tot het besef gekomen dat zijn beginnende doofheid progressief was, en dat mineraalbaden en een veelvoud aan behandelingen niets bleken te helpen.

Het vooruitzicht van het verlies van zijn ‘meeste edele zintuig’ was uiteraard een enorme klap. In oktober 1802 schreef hij het beroemd geworden Heiligstädter Testament, een nooit verzonden brief aan zijn broer Kaspar Karl en, vermoedelijk, zijn andere broer, Johann, waarin hij zijn zelfmoord aankondigt, maar ook dat hij er omwille van de kunst van afziet.

Beethovens doofheid: een zegen?

De brief is later op veel manieren geïnterpreteerd. Volgens Jan Caeyers, in zijn veelgeprezen biografie van Beethoven, moet de brief deels gelezen worden als ‘een dialoog met zichzelf’, waarin hij uiteindelijk nieuwe moed vat: ‘Hij aanvaardt weliswaar de dood – de bevrijding uit het lijden – maar hoopt deze zo lang mogelijk uit te stellen, zodat hij nog de kans krijgt zijn talent maximaal te ontplooien.’

De boodschap van de brief is, aldus Caeyers, dat ‘Beethoven moest lijden om zichzelf te kunnen overstijgen en grootse prestaties voor de mensheid te kunnen leveren’. De biograaf merkt ook op dat Beethovens doofheid hem een ‘verscheurende keuze bespaarde’ en voor hem bepaalde dat hij zijn veelbelovende carrière als concertpianist moest opgeven zodat hij niet anders kon dan zich op het componeren te concentreren. ‘Achteraf bekeken was Beethovens doofheid eerder een zegen dan een vloek.’

De rust en de wandelingen bij Heiligenstadt deden Beethoven goed. Volgens Caeyers kwam Beethoven zelfs gelouterd terug uit Heiligenstadt, vol frisse ideeën en nieuwe ambities. Overigens duurde het nog zo’n tien jaar voordat het gehoor van Beethoven echt hard achteruitging en bleef hij tot die tijd pianoconcerten geven.

Peinzend op een boomstronk

Het museum geeft onder meer een aardig beeld van Beethovens eerste periode (hij zou er later vaker komen) in Heiligenstadt, met schilderijen waarop de componist al wandelend in een landelijke omgeving is afgebeeld, of peinzend op een boomstronk zit. Ik bekijk ook een filmfragment waarin een acteur die Beethoven moet verbeelden door de wijnranken loopt op de Nussberg. Ook de wijn zelf was aan Beethoven wel besteed. Hij was, zacht gezegd, een liefhebber.

Her en der ook de getuigenissen van Beethovens liefde voor het landelijke leven en de natuur, in de vorm van fragmenten uit zijn eigen brieven of van tijdgenoten. Al in zijn jeugd in Bonn maakte Beethoven regelmatig wandelingen in de omgeving. In zijn Weense tijd bracht hij zowat iedere zomer wel door op het platteland. Met speciale interesse bekijk ik de kaarten en afbeeldingen van het landschap rond Heiligenstadt. Ideaal voor geelgorzen, concludeer ik.

Aubade van de vogels

Maar het zit me niet lekker dat ik de geelgors maar één keer heb gehoord, niet eens heb gezien en ook geen geluidsopname heb gemaakt die als bewijsmateriaal kan dienen. Dus ga ik de volgende dag nog een keer de Nussberg op. In de ochtendschemering nog begin ik aan de route, nu in de omgekeerde richting.

Het gaat meteen tamelijk steil omhoog en ik bevind me al snel weer tussen de wijngaarden. De opkomende zon legt een oranje gloed over de helling en het uitzicht op de Donau en op Wenen wordt almaar beter. Ik luister naar de aubade van de vogels, de soorten stapelen zich op.

Leuk, die groene specht en die puttertjes, de bonte kraai en de gekraagde roodstaart. Zowaar hoor en zie ik ook de cirlgors, het mooie zuidelijke familielid van de geelgors, die zich hier sinds een paar jaar heeft gevestigd – vermoedelijk profiterend van klimaatverandering – en prompt het predicaat extreem zeldzaam kreeg.

Ideeën in de lucht

Het is niet zo vreemd dat Beethoven – en andere componisten – vogelzang gebruikten, overweeg ik al wandelend, als ik me probeer voor te stellen hoe de componist hier in de vroege ochtend of avond liep met niets anders dan het geluid van vogels om hem heen.

Geluidsdragers waren nog lang niet uitgevonden, er klonk niet overal muziek en ook auto’s, machines of elektrische apparaten verstoorden de rust nog niet. In meerdere brieven van Beethoven meldt hij hoe hij van alles noteert terwijl hij door bossen, in de velden en in de bergen loopt, omwille van zijn werk.

Een tijdgenoot beschrijft ook hoe hij Beethoven in de zomer ziet lopen, steeds stoppend, alsof hij luisterde, om vervolgens noten te noteren in zijn schetsboek. Zelf zei hij er eens over: ‘Ze (de ideeën, CJ) komen vanzelf, spontaan of niet spontaan; ik kon ze uit de lucht plukken, in de bossen, tijdens het lopen.’

Geweldig geheugen

Een voor de hand liggende vraag is wel: hoe kon Beethoven al die vogelgeluiden noteren als hij doof was? Die vraag heeft hij zelf ook beantwoord. De componist had een geweldig geheugen, ook volgens zijn tijdgenoten. Als een ‘thema’ eenmaal in zijn hoofd zat, kon hij het jaren later nog reproduceren.

Bovendien: ten tijde van zijn eerste verblijf in Heiligenstadt, in 1802, waren zijn gehoorklachten nog beginnend, vogelzang kon hij nog wel degelijk horen.

En jawel

De oren spitsen nu. Het is nog altijd vroeg, half zeven, een prachtige ochtend in mei. Ik ben inmiddels weer halverwege de wandeling, op een driesprong ter hoogte van de Kahlenbergweg. Wat bomenrijen, een houtwal met struiken aan de rand van een wijngaard, bloemrijke bermen ook. Hier is het uitermate geschikt voor de geelgors.

En jawel, ik zit nog maar net heel stil op een bankje als de geelgors begint te zingen. En achter me klinkt nog een mannetje. Dit keer registreer ik de zang wel, met de Merlin-app. Met mijn kijker vind ik een van de gorzen uiteindelijk ook, bovenin een struik, ik zie hem zingen.

De geelgors zingt door

De componist en de vogels, ik breek me er het hoofd nog even over, op het bankje. Beethoven keek vooral altijd nadrukkelijk uit naar de lange zomers die hij bij voorkeur doorbracht in dorpjes op het platteland. Ik stel me weer voor hoe hij daar rondliep, en hier dus, hoogzomer, in juli en augustus. Wat zou hij dan gehoord kunnen hebben?

Welnu, dat moet haast wel de geelgors zijn geweest. Waar bijna alle andere vogels hoogzomer stil zijn, zingt de geelgors lustig door, tot diep in augustus. De geelgors is eigenlijk de enige vogel die zich in de zomer doet gelden in een gebied zoals dit. En zeker in de tijd van Beethoven, toen de geelgors nog veel algemener voorkwam.

De mogelijke andere kandidaat, de ortolaan, wordt zo iets minder kansrijk voor de titel van ‘Beethovenvogeltje’. De ortolaan stopt eind juni al met zingen. En vanaf augustus vertrekt de ortolaan naar tropisch Afrika om te overwinteren. De geelgors blijft doorgaans gewoon. Het kan natuurlijk dat Beethoven de ortolaan in mei of juni heeft gehoord en het zou ook nog kunnen dat de componist de zang van beide vogels bewust of onbewust heeft gebruikt. Maar over de ortolaan heeft hij het nooit gehad. En in zijn genoemde pianowerken (de sonate en het concert) zijn het toch vooral het ritme en de noten van de geelgors die lijken te klinken.

Oostenrijks vogeldialect

Dát en die manifeste aanwezigheid van de geelgors in de zomer doen me besluiten dat het bewijs nu wel ongeveer rond is. Ik maak de wandeling af, loop langs de bosrand en de beek weer richting Heiligenstadt. Weer de zang van roodborstjes, vinken, mezen en merels en, uit de richting van het wijngebied, ook de geelgors weer. Beethoven heeft de vogel hier wel degelijk kunnen horen, gezeten op een boomstronk langs de beek of aan de bosrand.

Eenmaal weer in Heiligenstadt luister ik de opnames nog even af. En ik bekijk de sonogrammen, de grafische weergaven van de toonhoogten. Het valt weer op: de langgerekte hoge noot, na het dzi-dzi-dzi-dzi-dzi-dzi, ontbreekt of is te zwak om registreren, de laatste langgerekte noot klinkt wel en is iets lager dan de eerste snelle noten.

Het is bekend dat er kleine variaties en regionale verschillen zijn in de geelgorszang. Soms wisselt hetzelfde mannetje zijn zang ook af. De strofe die ik hier nu hoor lijkt meer op de begintonen van Beethovens Vijfde symfonie dan het officiële sonogram van de geelgorszang. En al hoor ik deze variant ook weleens in Nederland, het is nu wel heel verleidelijk om dit te zien als het Weense of Oostenrijkse dialect van de geelgors.

Ik werp nog een laatste blik op de Nussberg, het mensenleven komt langzaam op gang, het ochtendconcert van de vogels verstomt. Op het gevaar af dat ik inmiddels een tunnelvisie heb ontwikkeld, beweer ik het toch maar: de geelgors is inderdaad de Beethovenvogel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next