Zomerliefde Onstuimige, hongerende verliefdheid. Deze zomer zoekt NRC de beste boeken over zomerse liefde. In deze aflevering: The Garden of Eden van Ernest Hemingway.
„They were always hungry but they ate very well.” De geliefden uit The Garden of Eden (1986) hongeren de hele dag door: naar elkaars lichaam, naar het dagelijks ontbijt vol zoete broodjes, frambozen, gekookte eieren met smeltende boter, naar lunches met jamón serrano, ansjovis, knoflookolijven, aangevuld met flessen manzanilla of Dom Pérignon. De liefde tussen de jonge schrijver David Bourne en zijn jonge vrouw Catherine Hill is heftig, té heftig. In de eerste weken van hun huwelijksreis langs de Côte d’Azur en de noordkust van Spanje zijn ze onafscheidelijk, tussen de lakens lijken ze zelfs te versmelten.
Ernest Hemingway: The Garden of Eden. Simon & Schuster, 247 blz. € 17,99
Dat ligt vooral aan Catherine die, haar lichaam diep gebruind door de zon, al snel haar haren kort laat knippen. Ze wil zijn zoals David: even bruin, even mannelijk. Opgaand in deze symbiotische verhouding draait ze op een gegeven moment zelfs hun rollen om in bed. „Yes you are and you’re my girl Catherine”, fluistert ze tegen David. „Will you change and be my girl and let me take you?” De woorden zijn een voorbode voor wat gaat komen.
Het postuum uitgegeven en deels autobiografische The Garden of Eden, dat zich afspeelt in de jaren twintig en waar Hemingway van 1946 tot aan zijn dood in 1961 aan werkte, is een van zijn meest onconventionele romans. Niet alleen speelt de schrijver, die wereldberoemd werd met werken als The Old Man and the Sea, The Sun Also Rises en For Whom the Bell Tolls, in dit liefdesverhaal met genderexpressie en genderidentiteit, maar onderzoekt hij ook de polyamorie.
Op aandringen van Catherine, die vaker ‘devil things’ in bed wil doen en haar haren nog korter laat knippen en zelfs laat bleken, gaat David steeds verder mee in haar erotische verlangens. Het leidt tot prachtige, kleine intieme conversaties waar vaak een hele wereld achter schuilt: „Nobody can tell which way I am but us”, zegt Catherine. Ondertussen ontstaan de eerste scheurtjes: diep in zijn hart verlangt David naar het meisje dat hij, nog niet zo lang daarvoor, in Parijs leerde kennen terwijl het voor Catherine steeds duidelijker wordt dat ze vooral haar androgyne identiteit wil omarmen. Eenmaal aanbeland in Spanje stelt ze hem dan ook voor aan Marita, een donkerharige schone.
Dan, heel even, lijkt het alsof de balans is hersteld en ze gedrieën zijn aanbeland in de Tuin van Eden. Er ontstaat een broeierige driehoeksverhouding waarbij ieder de ander alles geeft en gunt. Geschreven in Hemingways typerende sobere, minimalistische schrijfstijl (lees dit boek vooral in het Engels) word je als lezer meegezogen in deze zinnelijke, zinderende idylle: zwemmen in de zee, vrijen op het strand, kleine tripjes langs de kust, kaviaar op toast, champagne tijdens lunch. Maar dan gaat het mis.
Als schrijver heeft David ruimte voor zichzelf nodig, hij moet zich kunnen afzonderen om nieuwe werelden te kunnen creëren, om verhalen te vertellen die van hem zijn. Deze creatieve vrijheid, waar Marita alle begrip voor heeft, is voor Catherine onacceptabel. Verstikt door jaloezie spelen haar destructieve kanten steeds meer op. En zo wordt langzamerhand duidelijk dat David geen idee heeft met wie hij is getrouwd. Catherine, hoe vrijzinnig ook, is een vrouw met een gat in haar ziel. Daarmee is ze een typische vertegenwoordiger van de ‘Lost Generation’ waar Hemingway destijds deel van uitmaakte. Het maakt de gedachte die David aan het begin van het boek stilletjes bij zichzelf toestaat na hun eerste liefdesomkering des te schrijnender: „Goodbye Catherine goodbye my lovely girl goodbye and good luck and goodbye.”