Nadat ontelbare dichters, romanciers, kunstenaars, cineasten en striptekenaars Homerus’ epische heldendicht de Odysssee van een nieuwe betekenis hebben voorzien is het nu de beurt aan regisseur Christopher Nolan. Bakt hij er wat van?
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Het was ten zuiden van Utrecht, in een van de mooie dorpen bij de rivieren. Een huwelijk, in het hoge voorjaar.
We stonden net met een paar tenen buiten de veilige cirkel van ons studentenbestaan en waren ervan onder de indruk dat twee van ons deze zo volwassen sprong maakten. Ringen, rituelen, tot de dood ons scheidt.
Ik weet niet meer of het de oom van de bruid of van de bruidegom was, maar in ieder geval nam hij het woord en door zijn brede grijns schemerde het ongemak heen. Dit was het joviale soort oom dat niet kan wachten tot het bovenste knoopje los kan, maar in de plechtigheid van dit moment wilde laten zien dat hij niet van de straat was.
Hij zei dat hij voor de gelegenheid een gedicht had meegenomen ‘van onze vriend Homerus, die wijze dingen over het huwelijk te zeggen had’.
Hij las voor:
‘Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka
wens dat de weg dan lang mag zijn,
vol avonturen, vol ervaringen.
De Kyklopen en de Laistrygonen…’
Niet dat ik het uit mijn hoofd kende, maar ik herkende het gedicht. Het is er een dat het goed doet op bruiloften en partijen. Het gaat over op avontuur gaan en ervaringen opdoen die een mensenleven meegaan:
‘Wens dat de weg dan lang mag zijn.
Dat er veel zomermorgens zullen komen
waarop je, met grote vreugde en genot
zult binnenvaren in onbekende havens,
pleisteren in Phoenicische handelssteden
om daar aantrekkelijke dingen aan te schaffen
van parelmoer, koraal, barnsteen en ebbenhout…’
Ik dacht vier dingen:
1. Dat ik het heel sympathiek vond dat de oom over ‘onze vriend Homerus’ sprak en dat we vaker zo over schrijvers moeten spreken.
Onze vriend Multatuli. Onze vriend Harry Mulisch. Onze vriendin Marga Minco.
2. Dat het moeilijk was Homerus als vriend voor je te zien, laat staan als iemand die veel van het huwelijk wist. We weten niet of Homerus getrouwd was, sterker nog, we weten niet of hij bestond. De meeste classici gaan ervan uit dat de Ilias en de Odyssee voortkomen uit de orale traditie, waarbij talloze vertellers de mythen rond Achilles en Helena en Agamemnon en Odysseus op hun eigen manier vertelden. Al die versies kwamen samen, zijn gestandaardiseerd geraakt, vastgelegd, en dat zijn de teksten die we nu kennen.
Er zijn zelfs historici die zeggen dat ‘Homerus’ geen naam is, maar een woord, zoiets als ‘de bard’, oftewel: de persoon die het verhaal vertelt.
3. Dat dit voorgelezen gedicht helemaal niet van Homerus was, maar van een andere beroemde Griek, namelijk Kavafis. De oom haalde zijn Grieken door elkaar.
Kavafis leefde aan het begin van de vorige eeuw in Alexandrië en putte uit de oude mythen voor zijn melancholische poëzie.
4. Dat het ironisch was dat juist ‘Ithaka’ als huwelijksgedicht wordt gezien, want de Odyssee is het verhaal van een gescheiden echtpaar, van Odysseus die wanhopig naar huis wil komen, naar zijn wachtende koningin Penelope op Ithaka. En Odysseus komt niet thuis met parelmoer, koraal, barnsteen en ebbenhout; hij komt nauwelijks thuis met de kleren op zijn rug.
Enfin. Het is lang geleden. Balkenende III of IV. Ik heb het onthouden omdat ik de rest van de avond aan iedereen die het wilde horen, of niet weg kon komen, uitgebreid over de vergissing van de oom vertelde, het bruidspaar incluis.
Ze vonden me vast zo indrukwekkend interessant, dat ze me nooit meer voor iets hebben uitgenodigd.
Met terugwerkende kracht denk ik nu: doet het ertoe? In gametermen zou je zeggen dat de Griekse mythologie een ‘open world’ is. Talloze Griekse barden vertelden de mythen opnieuw en opnieuw, met eigen toevoegingen, eigen plotwendingen en lotsbepalingen van hun helden en heldinnen, met eigen betekenissen.
Ik bedoel dus maar: de Odyssee is niet iets om puristisch over te doen. Het staat Kavafis vrij om er een langgerekte huwelijksreis van te maken. Het is aan elke verteller om betekenis aan het verhaal te geven – of niet?
En dan nu, na ontelbare dichters, romanciers, kunstenaars, cineasten, striptekenaars en noem maar op, heeft regisseur Christopher Nolan de rol van verteller op zich genomen, en de vraag is dan: welke betekenis geeft hij?
Nolans Odyssee – zo meldden filmcritici wereldwijd vrij unaniem – is episch. Het woord kwam in vrijwel elke recensie terug. Episch. Drie uur speeltijd, prachtige decors, veldslagen, sterrencast: 250 miljoen dollar budget.
In de Volkskrant noemde de recensent van dienst The Odyssey ‘een verbluffend, bijna ouderwets aandoend Hollywood-epos in de stijl van Lawrence of Arabia.’
Nu is ‘episch’ een woord dat aan inflatie onderhevig is. Als iemand van zijn fiets valt, wordt dat al snel een epic failure genoemd. Vaak heb je het gevoel dat recensenten met episch vooral bedoelen: het boek was dik/ de film duurde lang/ het schilderij past niet in mijn woonkamer.
Terwijl het epische genre niet louter wordt gedefinieerd door omvang. Wat het dan wel is krijg je, denk ik, helder in beeld door het Eerste Wereldoorlog-epos Lawrence of Arabia (regie David Lean, 1962, 222 minuten) naast de Odyssee te leggen, die van onze vriend Homerus en die van onze vriend Nolan.
In de eerste vijf minuten waarin we Lawrence als kijkers meemaken, zien we dat hij een Britse soldaat is in het Midden-Oosten, en dan niet het type dat vecht maar dat stafkaarten opstelt. We ontdekken dat hij de Arabische volkeren beter kent dan de legerleiding. Wanneer een collega een sigaret opsteekt, dooft hij de lucifer met zijn duim en wijsvinger.
‘Wat is de truc?’, vraagt de collega.
‘De truc is de pijn niet erg vinden’, zegt Lawrence zelfgenoegzaam.
Daarna staat hij zijn commandant te woord, die hem om zijn onthechte manieren berispt en zich afvraagt of Lawrence überhaupt wel iets kan. Lawrence citeert de Atheense staatsman Themistocles: ‘Ik kan niet vioolspelen, maar van een klein stadje kan ik een geweldige staat maken.’
In feite weet je als kijker dan alles wat je over Lawrence moet weten: dat hij belezen is, en arrogant. Dat hij het beter denkt te weten dan het leger. Dat hij masochist is. Dat megalomanie hem niet vreemd is.
Deze eigenschappen vormen de kiem van het avontuur. Lawrence’ megalomanie leidt ertoe dat hij de bevelen negeert en zich mengt in de politiek van de Arabische volkeren; zijn ijdelheid laat hem zich uitdossen in fraaie Arabische gewaden en poseren voor krantencamera’s; zijn masochisme zorgt ervoor dat hij fysiek steeds meer van zichzelf eist, meer risico neemt in zijn gevechten tegen de Ottomanen, en in feite harder afgestraft wil worden.
Wat de film episch maakt, is niet simpelweg de lengte, of dat weidse, schitterende camerawerk, de woestijnbeelden. Het is dat regisseur Lean al deze persoonlijke eigenschappen gedurende de film tot het maximale opblaast. Plot en personage vallen perfect samen. Lawrence belichaamt de Arabische opstand, waardoor zijn persoonlijkheid het verhaal bezieling geeft, en de avonturen die hij meemaakt, maken op hun beurt zijn persoonlijkheid dieper, rijker.
Dat maakt het episch: alles versterkt elkaar, alles maakt alles groter.
Zoiets kun je ook zeggen van Homerus’ Odyssee. Het zit al vroeg in de vertelling, wanneer Odysseus met een deel van zijn bemanning opgesloten zit in de grot van de cycloop Polyphemos.
Hij heeft een paar van Odysseus’ kameraden opgevreten, wat wijn gedronken en vraagt Odysseus wie ze zijn. Odysseus vertelt: ‘Nadat de wijn zijn geest had beneveld, sprak ik hem toe met mijn honingzoete woorden: ‘Niemand is mijn naam. Niemand noemen mij mijn vader en mijn moeder en al mijn vrienden.’’
(De vertaling is hier van M.A. Schwartz en is onlangs opnieuw uitgegeven door uitgeverij Athenaeum).
Later doorboren de Grieken Polyphemos’ ene oog, en wanneer hij het uitschreeuwt, roept hij tegen zijn collega-cyclopen (cyclopedie?): ‘Niemands list, geen geweld, dreigt mij met de dood!’ O, zeggen zijn vrienden: als niemand je geweld aan doet, dan gaan we weer…
Odysseus: ‘Ik lachte in mijn vuistje.’
Wanneer ze de grot ontvluchten, roept Odysseus vanaf zijn boot naar de blinde reus: ‘Cycloop, als ooit een van de mensen je vraagt hoe je oog zo afschuwelijk verblind is, zeg dan dat de stedenverwoester Odysseus het uitstak, de zoon van Laertes, die in Ithaka woont.’
Ook nu weet je wat je moet weten: Odysseus is trots op zijn slimheid, trots op zijn status als stedenverwoester, hij lacht in zijn vuistje, zijn geweld vindt hij een stunt. Hij is – en dat is een heerlijke eigenschap voor een hoofdpersoon – een speler die van het spel houdt.
En dan ontstaat de spanningsboog die de Odyssee de rest van het verhaal volhoudt: Polyphemos vervloekt Odysseus bij naam bij zijn vader, Poseidon, en zo begint de ellende. De ijdele Odysseus verliest zijn mannen, zijn schip, zijn leiderschap, zijn reputatie, zijn plezier, zijn zeggenschap over zijn eigen leven.
De avonturen van Odysseus voeden zijn tragedie. Ze versterken elkaar. Wanneer hij op Ithaka aankomt, moet hij, de koning, leven van de vrijgevigheid van zwijnenhoeders. Bij de cycloop is ‘Niemand’ nog een slimme alias; aan het einde van zijn reis is hij vrij letterlijk een niemand.
Even later volgt de wederopstanding, wanneer hij tussen de aanbidders van zijn vrouw Penelope zijn naam als een kroon opzet en onthult wie hij is – met recht een epische ontknoping.
En wat doet Christopher Nolan?
In zijn film is het gesprek met de cycloop geschrapt. Odysseus noemt zichzelf niet Niemand en onthult daarna niet arrogant zijn echte naam.
Wat opvalt is sowieso dat Nolan de oertekst niet met een pen, maar met een gum te lijf is gegaan. Nolans Odysseus is niet ijdel, niet ambitieus, niet wreed, niet speels, niet stoer of heroïsch. Nolan heeft alle eigenschappen weggehaald en geeft ons er geen enkele voor terug.
Zijn Odysseus is Matt Damon in al zijn Matt Damonerigheid. Dat wil zeggen: hij is sympathiek genoeg. Je zou hem graag als buurman hebben. Hij helpt je als de schutting omwaait. Je mag zijn grasmaaier lenen. Verder daagt hij je niet uit een seconde dieper over hem na te denken.
Het enige wat Nolan toevoegt aan Odysseus is zijn kwelling. Hij is getormenteerd door alle wandaden die hij en zijn medestrijders hebben begaan; ze hebben gemoord, geplunderd, vernietigd, ze hebben driekwartbroeken gedragen.
Mooi, maar deze PTSS komt pas aan het einde van de film uit de mouw en wordt in een monoloog medegedeeld. Tot dat moment is er niets in het verhaal dat dit thema belichaamt of uitbeeldt. Het zijn maar woorden.
Zo koppelt Nolan de held los van zijn verhaal. Hij haalt het epische uit zijn epos. Zijn Odysseus wilde om te beginnen al niet ten strijde trekken, dus hij kan geen echte spijt hebben. Hij was nooit trots op zijn listen, was niet ijdel, dus zijn persoonlijkheid ondergaat geen verandering. Zijn ego slijt niet weg. Zijn odyssee is geen queeste die hem vormt, maar gewoon one battle after another, zonder optelsom.
Bovendien: Odysseus’ stroeve monoloog over hoe zijn vreselijke geweld de beschaving heeft aangetast wordt gevolgd door de lange vechtscène waarin Odysseus de (aanvankelijk) ongewapende aanbidders van zijn vrouw afslacht. Alsof Nolan zegt: erg hè, geweld, maar wow, moet je kijken hoe spectaculair! Jesus Christ, that’s Jason Bourne.
De film zit vol met dit soort inhoudelijke non-keuzes van de regisseur.
Nolan laat veel uit het boek weg, maar volgt wel het tergend langgerekte slot stap voor stap. Hij begint bijna schools, uitleggerig, en laat daarna hele personages (zoals Kalypso) voorbijtrekken zonder enige context.
De regisseur brengt uitgebreid in beeld hoe consciëntieus Odysseus zijn soldaten selecteert voordat ze naar Troje vertrekken, maar lijkt nergens van slag als de een na de ander wordt opgevreten door cyclopen en zeemonsters.
Hij laat zijn personages het ene moment in alledaags, veramerikaniseerd Engels praten – zo spreekt zoon Telemachus zijn vader aan met dad – en het volgende moment oreren in gewichtige, naar de eeuwigheid happende oneliners: ‘The clearest view of men is from below.’
(Cringe is het wanneer Odysseus pompeus zegt: ‘Our age of bronze is collapsing’; alsof je een personage in het jaar 1492 laat zeggen: ‘Nou, onze middeleeuwen lopen onderhand op hun laatste benen.’)
Nolan lijkt honderd dingen tegelijk te willen – hij wil én de gruwel van sirenes en zeemonsters én real-worldpolitiek, bijvoorbeeld wanneer we te horen krijgen dat Helena’s schoonheid als casus belli maar een smoesje was; de echte reden voor de oorlog is de controle over de handelsroutes. Hij kiest niet, en zo tellen de personages en hun avonturen niet bij elkaar op en ontglipt hem de kans een eigen betekenis aan de Odyssee te geven. De film is vreemd wezenloos.
En natuurlijk: Christopher Nolan maakte moderne meesterwerken als Dunkirk, Oppenheimer en, wat mij betreft, The Dark Knight Rises. Zelfs een matige Nolan is reden genoeg om naar de bioscoop te gaan.
Het is een slimme vinding om Agamemnon continu sinister op de rug te filmen. De manier waarop de tovenares Kirke de gezichten van de behekste soldaten tot varkenskoppen boetseert, is weergaloos. De valstrik van het houten paard weet Nolan toch weer op een verrassend nieuwe manier te vertellen en in beeld te brengen, de val van Troje is puntje-van-je-stoel mooi gefilmd.
Ook nu weer is alles op cinematografisch vlak onovertroffen. Nog nooit zag de Ionische Zee er zo mistroostig uit. De decors zijn geweldig, de kostuums uniek.
Maar, denk ik dan zuinig: dat mag verdomme ook wel met 250 miljoen dollar budget.
Anne Hathaway is geweldig als Penelope, die klap na klap krijgt maar niet wil breken, Robert Pattinson geeft de bescheiden rol van sluwe aanbidder Antinoüs veel diepte. John Leguizamo lijkt sprekend op Marlon Brando aan het einde van The Godfather.
(Ondertussen wordt godin Athena gespeeld door Zendaya, en voor mij bevestigde ze eens te meer wat ik graag de Zendaya Paradox noem (zie ook: de Angelina Jolie Contradictie): Zendaya is zo’n zeldzaam soevereine verschijning, met zo’n nadrukkelijk ouder-dan-haar-jaren charisma, dat je telkens als je haar in een film ziet denkt: wat doe jij nou hier? Is dit feestje niet beneden je stand? Ze is zo groot, dat elke film waarin ze speelt klein wordt).
Een mooi bijeffect van een filmhit van dit formaat (260 miljoen dollar omzet in het eerste weekend) is dat er nu overal in boekhandels Odyssee-tafels staan opgesteld.
Een van de opvallende titels is Sam Akbars De Odyssee mindset – Navigeren door het leven in 7 tijdloze lessen. Je moet van het genre houden, maar Akbar – als klinisch psycholoog werkte ze met getraumatiseerde vluchtelingen in Engeland – probeert op een sympathieke manier de avonturen van Odysseus te koppelen aan levenslessen voor de 21ste-eeuwse mens.
Definieer je eigen Ithaka, zegt ze. Want Ithaka is meer dan een fysiek eiland met rotsige kliffen en olijfgaarden, het is ‘de juiste maat der dingen’, waar Odysseus’ waarden over recht, orde, familie en loyaliteit wonen.
Maar die waarden worden in de eerste plaats beschermd door Penelope, ‘al zet ze nooit een voet buiten het paleis. Haar reis is statisch, maar emotioneel niet minder uitdagend.’
Het deed me denken aan een ander gedicht over het huwelijk dat ook aan Ithaka refereert. Het is van Judith Herzberg, heet ‘Het ongewone is geen moed’ (1980) en is op zijn beurt weer geïnspireerd op een gedicht van Jack Gilbert.
Herzberg verwijst naar de Poolse cavalerie-eenheid die het, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, te paard opnam tegen Duitse tanks. Kansloos. Herzberg schrijft dat hun daad groots was, maar niet is wat zij moedig zou noemen:
[…] ‘Zij reden in zonlicht.
Werden verpletterd. Maar ik zeg moed is niet zo buitensporig
niet de verbluffende daad. Niet Macbeth met grote woorden.
Niet de Verloren Zoon, of Faust. Maar wel Penelope.
Niet de verrassing. Het verbaasd ervaren. Trouwen,
niet de ervaring van een maand. Niet de uitzondering.
Een schoonheid die de dagen doorstaat. Stevig en helder.
Het gewone magistrale, waar jaren ploeteren in gaat.’
Misschien moet je Herzbergs gedicht niet voorlezen op de bruiloft, maar op het koperen, zilveren of robijnen huwelijksfeest.
In ieder geval bevat dit gedicht een heel wereldbeeld: wat echt heroïsch is, is het volhouden van Penelope. Het elke dag opnieuw overeind blijven, zonder de mogelijkheid van nieuwe plekken, nieuwe horizonten, nieuwe kansen. Odysseus had het maar makkelijk. Hij was aan het buitenspelen.
Dat was een origineler einde van de film geweest. Niet een Odysseus die met zijn pijnlijke frons en ongeëvenaarde spierballen zijn huis schoonveegt, als wedergekeerde vorst. Maar Odysseus die op zijn knieën gaat zitten en de voeten van zijn vrouw wast.
Sam Akbar: De Odyssee mindset – Navigeren door het leven in 7 tijdloze lessen. Uit het Engels vertaald door Annemarie de Vries. Ambo Anthos; 272 pagina’s; € 23,99.
Homerus: Odyssee. Uit het Grieks vertaald door M.A. Schwartz. Athenaeum; 320 pagina’s; € 25.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant