Valeria Luiselli In de speelse en fragmentarische roman van deze Mexicaanse schrijver heeft de hoofdpersoon een onstilbare heimwee naar haar leven van voor haar scheiding, toen alles nog goed was. Gelukkig biedt haar verstandige dochter uitkomst.
De Etna, een actieve vulkaan aan de oostkant van het Italiaanse eiland Sicilië.
„Op het midden van ons levenspad / bevond ik me in een donker woud, / omdat ik de rechte weg was kwijtgeraakt.” Zo luiden de beroemde openingsverzen van La Divina Commedia (De Goddelijke Komedie) van Dante Alighieri – schrijver, politicus, banneling – maar het had net zo goed de eerste zin kunnen zijn van Begin midden einde, de nieuwe roman van de veelgeprezen Mexicaanse schrijver Valeria Luiselli. Net als in de Goddelijke Komedie is de verteller van Begin midden einde een schrijver van halverwege de dertig, midden op haar levenspad, die de weg is kwijtgeraakt, geen grip meer heeft „op waar ze is en wat ze wil”.
Valeria Luiselli: Begin midden einde. (Beginning middle end) Vert. Molly van Gelder en Nicolette Hoekmeijer. Das Mag, 352 blz. € 24,99
In tegenstelling tot Dante, die gedwongen Florence moest verlaten, is Luiselli’s verteller na een pijnlijke scheiding vrijwillig vertrokken van New York naar Catania, een Siciliaans stadje dat tegen de vulkaan Etna aanschurkt. Maar waar bij Dante het verlangen naar zijn geliefde geboortestad als een melancholische stroom onder al zijn werk doorloopt, wordt Begin midden einde voortgedreven door een vertwijfeld heimwee naar een vorig leven, toen alles nog duidelijk was, intact, ongeschonden. En Luiselli’s verteller daalt weliswaar niet letterlijk af in de onderwereld, maar haar verwoede graven in het verleden, haar zoeken naar oorzaken en – vooral – consequenties is ook een vorm van afdalen, van „zo diep mogelijk boren, ongeacht de gevolgen; alles naar boven halen”. Niet voor niks speelt de roman zich af op Sicilië: daar ligt de kloof waar Hades Persephone de onderwereld introk – en geloofde men in de middeleeuwen niet dat de Etna een toegangspoort tot de hel was?
Luiselli’s verteller heeft geen Vergilius om haar de weg te wijzen, maar ze heeft wel haar scherpe, vroegwijze puberdochter bij zich, die de dingen soms net wat helderder ziet dan haar getroebleerde moeder.
„Mam, heb je geen rijbewijs?”
„Jawel, maar ik ben het kwijt.”
„Mam, ben je wel volwassen?”
Deze dochter van twaalf is een schitterend personage; droog en dromerig, fantasierijk, veerkrachtig en helemaal eigen. Ze loopt rond met een rode leren aktetas die ooit van haar grootvader is geweest, koopt overal waar ze komen dwangmatig oude ansichtkaarten die ze volschrijft maar nooit opstuurt, en het enige wat ze verder wil doen is schaken, in haar eentje zitten lezen in de Naturalis historia van Plinius of slimme vragen stellen waarop haar moeder nooit een goed antwoord weet.
Waar de moeder haar richtingsgevoel voor het leven volledig is verloren, lijkt de dochter een innerlijk kompas te hebben dat haar nooit in de steek laat. Ze observeert, registreert, onthoudt en zal, op deze manier, ongemerkt haar moeder weer uit de chaos trekken.
De verteller rouwt om haar mislukte huwelijk, is bang dat ze tekortschiet als moeder en maakt zich daarnaast zorgen om haar eigen moeder, die langzamerhand haar geheugen begint te verliezen. „Wat beangstigt je het meest aan oud worden, mama?” vraagt ze. „Perder la mente… Perder claridad.” Dit lot trof ook de grootmoeder van de verteller, de formidabele ‘Nanna’. Nanna leidde een woelig leven. Ze kwam uit Sicilië, niet ver van waar de verteller en haar dochter nu verblijven, en verkleed als man werkte ze stiekem mee aan archeologische opgravingen. Waar de verteller wroet in haar geheugen om dit boek te schrijven, groef haar grootmoeder in de grond om het verhaal van onze verre voorouders te helpen reconstrueren.
Als de hoofdarcheoloog ontdekt dat Nanna een vrouw is, wordt ze ontslagen. Haar baas dwingt haar „de bovenste helft van haar uniform uit te trekken en iedereen haar ontblote bovenlijf te tonen.” Uit wraak neemt ze een mozaïek mee uit de Romeinse villa die ze aan het opdelven zijn. Op het mozaïek staat een afbeelding van Proteus, de ongrijpbare Griekse zeegod met voorspellende gaven die verschillende gedaantes aannam om maar geen vragen te hoeven beantwoorden van mensen opzoek naar helderheid, claridad.
Vlak voor vertrek heeft de verteller dit mozaïek van haar moeder gekregen omdat het geluk zou brengen. Ze stopt het in haar rugzak en neemt het mee op reis. Maar haar dochter gelooft absoluut niet dat het geluk brengt; Nanna heeft de tegel gestolen en stelen is slecht. Ze vindt dat ze het weer terug moeten brengen waar het vandaan komt. („Ik vraag me af”, peinst ze, „of mijn dochters verontwaardiging een teken is van een zuiver moreel kompas of van morele starheid.”)
Het is een mooi voorbeeld van de manier waarop de schrijfster vastgeklemd zit tussen haar moeder en haar dochter, tussen het heden en het verleden; ze bewandelt de onzekere middenweg tussen ouderdom en jeugd, een vrouwelijke Aeneas: „Moeder op mijn schouders, dochter aan mijn zijde – hoe krijg ik ons allemaal waar we moeten zijn?”
De verteller worstelt met haar prille bestaan als alleenstaande moeder, met hoe ze haar dochter een nieuw thuis kan geven nu haar oude, vertrouwde leven aan diggelen ligt. Tegelijkertijd worstelt ze ook met het boek waar ze aan werkt. Ze probeert het raamwerk van haar verhaal te schetsen, maar steeds ontglipt haar de samenhang. „Hoe geef je, met de middelen die je ter beschikking staan, vorm aan iets nieuws?”
Haar leven lijkt geen herkenbaar plot meer te hebben en haar boek heeft dat ook niet. Ze zoekt haar heil in de Poetica, waarin Aristoteles stelt dat een plot een geheel is, „dat wat simpelweg uit een begin, een midden en een einde bestaat.” Het midden, volgens Aristoteles, is eigenlijk niks: het bestaat slechts op grond van zijn positie tussen het begin en het einde, hij degradeert het tot „een soort half-bestaan.” Maar wat, vraagt de verteller zich af, als dit alles is wat er is? Misschien is er helemaal geen begin, misschien is er ook geen einde. „Misschien is er alleen het midden, buigzaam, golvend, steeds terugkerend in zichzelf.”
Haar dochters stugge volharding met betrekking tot het Proteus-mozaïek is het begin van een wilde road trip over een brandend Sicilië. De Etna begint vuur te spuwen, lava stroomt van de hellingen, overal breken bosbranden uit en met op de achtergrond een onheilspellend bloedrode hemel gaan moeder en dochter opzoek naar de ruïnes van de Villa Romana del Casale, waar Nanna jaren geleden Proteus in haar zak stak.
Zo lijkt Begin midden einde misschien een rechttoe, rechtaan verhaal, met een duidelijke queeste en een duidelijk gevaar: zullen moeder en dochter hun opdracht volbrengen voordat Sicilië is platgebrand? Stay tuned! Maar deze roman is net zo veranderlijk, net zo ongrijpbaar als Proteus zelf. De vorm is speels, experimenteel, fragmentarisch. De verschillende paragrafen dragen mysterieuze kopjes die aanvankelijk niks met het vertelde te maken lijken te hebben en op een gegeven moment neemt de dochter het verhaal over, met haar eigenwijze stem en haar zachte humor. Daarnaast wordt de tekst aangevuld met de polaroids die de dochter onderweg genomen heeft, met de kaarten die ze scheef maar nooit op de bus deed, met archieffoto’s, tekeningen, en een brief uit 1930. Zo krijg je als lezer net een ander perspectief op het verhaal dat de schrijvende moeder ons verteld heeft, lijkt het alsof alles net in een andere vorm wordt gegoten.
Begin midden einde vertoont daarmee opvallende gelijkenissen met Luiselli’s vorige roman, Archief van verloren kinderen (Lost Children Archive, 2019), waarin ze de hopeloze situatie van Latijns-Amerikaanse kinderen onderzocht die kwijt raken in de woestijn van Arizona, tegen de achtergrond van een verzurend huwelijk. Ook daar is ontheemd zijn een belangrijk thema, ook daar een reisverhaal en een narratief dat door een kind wordt overgenomen – de tienjarige stiefzoon van de verteller. Ook daar polaroids, archiefmateriaal, kaarten, tekeningen, losse notities. Beide boeken spelen een ingenieus spel met waarheid en fictie, met verbeelding en autobiografie, met de neiging van lezers (en journalisten) om altijd te willen weten wat ‘echt’ is in een roman en wat verzonnen, alsof die twee zo makkelijk uit elkaar te houden zijn, alsof dat onderscheid ook maar enig licht schijnt op de betekenis van een werk.
Toch is Begin midden einde anders dan Archief van verloren kinderen. Het is hoopvoller, warmer, rijker ook, vol verwijzingen naar Griekse mythen en sagen, klassieke filosofen, hedendaagse literatuur. Het is een boek over klimaatverandering en de Europese migratiecrisis, over vulkanen, over archeologie, over de getijden, over zeestromingen, over moeders en dochters en grootmoeders en overgrootmoeders, over opvoeden, over opgroeien en aftakelen, over herinneren en dementeren, over hoe opnieuw te beginnen als je leven verwoest is en verscheurd. Dat dit allemaal niet te veel wordt, is te danken aan de loepzuivere stijl van Luiselli (die in de vertaling niets verliest aan kracht en souplesse). Geen woord staat op de verkeerde plek, geen noot klinkt uit de toon. Een weergaloze roman.