Het ebolavirus grijpt in Oost-Congo sneller om zich heen dan ooit tevoren. Verpleegkundige Ronald Kremer reageerde op een hulpoproep van Artsen zonder Grenzen. Zijn laatste missie was jaren geleden, maar zodra hij het ebolapak aantrekt ‘komt alles terug’.
Op grote witte laarzen stapt Ronald Kremer (64) de eerste tent binnen, met wanden vol spiegels en informatieposters. Meteen volgt zijn buddy, een Canadese arts. Vanaf dit moment mogen ze elkaar niet uit het oog verliezen. In deze zone, waar het risico op besmetting het grootst is, werk je altijd met zijn tweeën en ben je verantwoordelijk voor de veiligheid van je buddy.
Kremer, een lange, kale man, pakt een set Personal Protective Equipment (PPE) en begint het complexe aankleedproces. Het ebolavirus is zo besmettelijk dat elke centimeter blote huid een risico vormt. Na een paar handschoenen, een geel pak en een mondmasker doet hij een soort plastic bivakmuts op met lange flappen die de nek en schouders bedekken. Bij elke stap kijkt Kremer voor goedkeuring naar zijn buddy. Als hij de kap met een serie touwtjes strak om zijn hoofd heeft vastgeknoopt, volgt een rubberen schort, een skibril, en de laatste stap: nóg een paar chirurgische handschoenen.
Een streepje huid rondom de ogen, veilig achter de skibril, is het enige stukje Kremer dat nog zichtbaar is. Om toch herkenbaar te zijn, schrijft zijn buddy zijn naam met stift op zijn voorhoofd. Op zijn schouder schrijft ze de tijd: 10.05 uur. Ze mogen maximaal een uur naar binnen. Anders wordt het te zwaar en neemt het risico op fouten toe. En bij ebola kan elke fout dodelijk zijn.
Verpleegkundige Ronald Kremer (64) zal de komende weken voor de Volkskrant verslag doen vanuit een ebolakliniek van Artsen zonder Grenzen in de stad Beni in de Democratische Republiek Congo.
Hoewel het getroffen gebied 6.000 kilometer verderop ligt, voelt het ebolavirus heel dichtbij. Op de binnenplaats van het kantoor van Artsen zonder Grenzen (AzG) in Brussel is een ebolabehandelcentrum nagebouwd. Er staat een viertal stevige grijze tenten met duidelijke looproutes en afscheidingen van oranje gaas. ‘Het is een stuk kleiner, maar de indeling en het interieur van de tenten zijn net als in het echt’, zegt Kremer.
Sinds begin juni vinden hier elke week trainingen plaats om medewerkers voor te bereiden op de ebolabestrijding in het noordoosten van de Democratische Republiek Congo (DRC). Daar heeft de zeldzame Bundibugyo-variant van het ebolavirus in korte tijd bijna duizend doden geëist. Niet eerder liepen de besmettings- en sterftecijfers bij een uitbraak zo snel op. De bestrijding is extra moeilijk omdat in het getroffen gebied een slepend conflict woedt, waardoor hulporganisaties veel patiënten niet kunnen bereiken.
Ronald Kremer werkte twaalf jaar geleden in het West-Afrikaanse Sierra Leone voor het eerst met ebola, tijdens de grootste uitbraak ooit, die zeker elfduizend doden eiste. ‘In Sierra Leone ging het zo hard, met honderden mensen die tegelijk besmet raakten’, zegt Kremer. ‘Maar de uitgangspositie is hier misschien nog wel slechter. Er is heel weinig gezondheidszorg en er zijn zo veel ontheemden.’
AzG is een van de grootste internationale organisaties in het getroffen gebied, met zo’n 1.400 medewerkers en zes behandelcentra. Maar volgens de hulporganisatie is het niet genoeg om het virus in te dammen. Er zijn te weinig laboratoria, te weinig onderzoekers en hulpverleners en te weinig bedden voor ebolapatiënten. AzG wil snel meer behandelcentra optuigen en roept andere landen en organisaties dringend op om meer hulp en geld te sturen.
In de tweede week van juli volgen zo’n twintig personen met verschillende nationaliteiten en functies de training in Brussel. De meesten hebben nooit eerder met ebola te maken gehad. Twee dagen lang worden ze volledig ondergedompeld in de theorie over het virus. Ook krijgen ze informatie over de Congolese samenleving en zijn er een aantal praktische sessies.
Sommige mensen vertrekken diezelfde avond al. Kremer vliegt over vier dagen. ‘Dat is beter ook’, zegt hij. ‘Ik moet mentaal nog wel een paar stappen zetten.’ Omdat hij de rol van medisch coördinator op zich zal nemen, krijgt hij extra briefings. Hij moet ook nog een dienst draaien op de spoedeisende hulp van het Deventer Ziekenhuis waar hij werkt, zijn spullen pakken en afscheid nemen van zijn moeder van 89.
Kremer is een ervaren verpleegkundige, gespecialiseerd in hartbewaking en intensive care. Hij heeft achttien jaar voor AzG gewerkt, maar zijn laatste missie is intussen vier jaar geleden. Als oud-medewerker krijgt hij nog wel oproepen van AzG bij crisissituaties waarvoor op korte termijn mensen nodig zijn. Voor deze missie voelde hij zich zonder meer geroepen.
In 2018 maakte hij de vorige grote ebola-uitbraak in de DRC van dichtbij mee, maar hij heeft ook veel andere missies in het enorme Centraal-Afrikaanse land bijgewoond. Het land en de mensen hebben een speciaal plekje in zijn hart veroverd. ‘Ik kijk ernaar uit om terug te zijn’, zegt hij. ‘Er is zoveel rottigheid, maar toch weten mensen altijd hoop en humor te vinden.’
Voor Kremer is de training meer een opfriscursus. ‘Na twee minuten in beschermende kleding dacht ik: ja, zo voelt het. Er gaat een soort knop om in mijn hoofd en alles komt terug.’ Hij is vooral blij om andere mensen te ontmoeten die naar dezelfde plek gaan. ‘Nu kunnen we elkaar nog knuffelen’, zegt hij, verwijzend naar de strikte regels van AzG. Medewerkers mogen elkaar niet aanraken en ze mogen hun basis niet af om bijvoorbeeld een rondje te wandelen.
Hij gaat naar de stad Beni in het noordoostelijke puntje van de provincie Noord-Kivu en dus vlak bij buurprovincie Ituri, de brandhaard van de uitbraak. Beni vormt een belangrijk knooppunt, waar de hoofdweg richting Ituri en de hoofdweg richting een van de drukste grensovergangen met Oeganda samenkomen. Volgens de laatste bevolkingstelling uit 2013 wonen er ruim 230 duizend mensen in de stad.
In Beni zijn op dit moment 37 besmette mensen bevestigd, van wie 25 zijn overleden. Maar er zijn veel meer meldingen van mensen met verdachte symptomen die nog niet zijn getest. Verdachte patiënten moeten in isolatie om verdere besmettingen te voorkomen. AzG ondersteunt enkele isolatiebedden in bestaande gezondheidscentra, maar de hulporganisatie is druk bezig een groter, losstaand behandelcentrum te bouwen, dat zo snel mogelijk open moet gaan.
Dat is niet alleen belangrijk om de verdere verspreiding van het virus tegen te gaan, maar ook om de overlevingskansen van patiënten te verbeteren. ‘Voor deze variant is nog geen vaccin of medicijn, maar je kunt wel een verschil maken door vocht toe te dienen, misselijkheid te bestrijden of bloed te geven’, zegt Kremer. ‘Omdat er veel mensen doodgaan, zijn mensen bang voor de behandelcentra. Maar hun kansen op herstel zijn daar echt beter.’
In het nagebouwde ebolacentrum in Brussel vangen Kremer en de Canadese arts een verdachte patiënt op, gespeeld door een andere medewerker. Ze praten op haar in om haar te overtuigen mee naar binnen te gaan. In de behandelkamer is alles van plastic óf in plastic ingepakt. In plaats van een bed staat er een stretcher, die beter kan worden schoongemaakt. Van de besmettelijke lichaamsvloeistoffen van een patiënt mag niets achterblijven.
Kremer zit op zijn hurken dicht bij de patiënt, zijn hand op haar arm. Zijn bril begint te beslaan, een teken dat hij niet lang meer in deze besmettingszone kan blijven. ‘We moeten weer door’, zegt hij in het Frans. ‘Het volgende team komt heel snel en neemt medicijnen voor je mee.’
De trainer benadrukt het belang van het leggen van contact. Veel patiënten zullen geen Frans spreken, dus moet je spreken met gebaren en met je ogen. Lichamelijk contact wordt uit veiligheidsoverwegingen afgeraden, maar voor Kremer is dat heel belangrijk. ‘Je moet natuurlijk wel voorzichtig blijven. Ik ben altijd op zoek naar de balans tussen veiligheid en menselijkheid.’
Als medisch coördinator gaat Kremer straks het nieuwe ebolacentrum managen. Vermoedelijk blijft hij ongeveer een maand in Beni. Het zijn kortere missies dan normaal, omdat het werk zo intensief is. Hij heeft zich voorgenomen veel aandacht te besteden aan het lokale personeel, vooral de hygiënisten die het centrum schoonhouden en de lichamen van overleden patiënten ontsmetten. ‘Zij doen het zwaarste werk, terwijl ze het minst betaald krijgen’, zegt hij.
Kremer en zijn buddy zijn intussen begonnen met het uitkleedproces, dat nog veel ingewikkelder is. Er zijn ten minste dertien stappen, het ontelbare keren handen wassen met chloorwater nog niet meegerekend. Om zijn gele pak uit te trekken, zoekt Kremer eerst de rits op zijn borst om daarna heel rustig omhoog richting het sluitinkje te bewegen. Alles om te voorkomen dat hij per ongeluk eerst zijn vieze pak en daarna zijn reeds ontblote nek aanraakt.
‘Het uitkleden is het gevaarlijkst’, zegt Kremer, zijn witte T-shirt doorzichtig van het zweet. ‘Door de hitte en de vermoeidheid kun je niet goed meer nadenken.’ Zelf is hij niet bang om het virus op te lopen. ‘Maar ik voel wel veel spanning over de veiligheidssituatie rondom Beni en vooral over wat ik allemaal ga tegenkomen. In Sierra Leone gingen soms tien patiënten dood op dezelfde dag. Daar kun je je niet op voorbereiden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant