Ik zei: „Ik heb een casus.” Dat betekent dat ik over een man wil praten. „Het vergt context”, vervolgde ik, wat een fraaie manier is om te zeggen: dit gaat even duren. Ik zat op mijn dertigste verjaardag in een restaurant met twee vriendinnen en op mijn bord lag een onaangeroerde pizza margherita langzaam koud te worden. Ik moest nu eerst de laatste gebeurtenis in mijn datingleven navertellen.
Ze waren niet de eersten aan wie ik de casus voorlegde en ze zullen ook niet de laatsten zijn, want er heerst de laatste jaren helaas een vloek op mij, die maakt dat ik mijn datingleven niet voor mezelf kan houden. Ik distribueer de verhalen onder vrienden, collega’s en elke vage bekende die me uit laat praten, zodat je ze haast een gemeenschappelijk goed kunt noemen. Er bestaat niet zoiets als ‘mijn’ datingleven – dit datingleven behoort toe aan de community.
Ik ben daar niet trots op, wil ik er meteen bij vermelden. Ik spendeer lange nachten in bed met mijn ogen wijd open, terwijl ik me afvraag waarom ik toch weer aan een onschuldige voorbijganger heb verteld over de keer dat ik viel voor een man die graag hawaïshirts droeg. Net te grote hawaïshirts. Dat heb ik al aan zo veel mensen verteld. Ik kan niet geloven dat ik het nu weer heb gedaan.
Vanaf mijn dertigste zou ik discreter worden. Dat had ik vorig jaar besloten. Soms oefende ik alvast. Dan stond ik op een feestje waar ik de vader zag van iemand met wie ik had gedatet, en dan dacht ik: niemand hier hoeft te weten dat ik met de zoon van die man heb gedatet en hoe vermoeiend dat was. Ik voelde me heel bescheiden en geheimzinnig en volwassen. Toen kwam er iemand naast me staan die zei: „Wat staat die man daar in z’n eentje hè?” „Ja”, zei ik, „enikhebmetzijnzoongedatetendatwasheelvermoeiendwantdieheeftbindingsproblemen”. Dat was jammer, maar niet erg, want ik was nog geen dertig.
Nu was ik wel dertig en vertelde ik alsnog in een pizzarestaurant over een man met wie ik bij mij op de bank When Harry met Sally had gekeken, en over alle redenen waarom ik hem midden in het nagesprek naar huis had gestuurd. Aan het tafeltje naast ons werd een gesprek gevoerd over Rusland en permafrost. Het klonk ernstig en wijs. Toen ik voor de derde keer de term „tipping points” opving, nam ik me voor om vanaf nu – en dit keer écht – alleen over gewichtige, minder persoonlijke zaken te praten. Ik zou zo graag iemand worden met zelfbeheersing. Vandaag gebeurt dat, dacht ik bij mezelf: vandaag wordt de vloek verbroken.
Op weg naar huis beantwoordde ik berichtjes op mijn telefoon. Iemand vroeg of ik nog taart had gegeten. „Ja”, zei ik, „en pizza”. Dat was beknopt en waar. Daarna dacht ik een tijdje na wat ik haar verder nog wilde vertellen. Iets over werk, misschien. Of permafrost. Maar mijn bezeten vingers waren al aan het typen, ze verstuurden het bericht voor ik kon protesteren.
Er stond: „Ik heb een casus.”