Home

Opinie: De postkoloniale taal klinkt onderhand wat hol

Als Europeanen bij elk museumbezoek wordt ingepeperd dat hun welvaart louter door diefstal en uitbuiting is verkregen, zullen ze uiteindelijk niet meer weten welke waarden ze moeten verdedigen.

Bij een bezoek afgelopen voorjaar aan het Kelvingrove Museum in Glasgow, Schotland, was ik bij ongeveer elk tentoongesteld schilderij getuige van de rituele boetedoening voor het Britse koloniale verleden. Na verloop van korte tijd kreeg ik daar schoon genoeg van. Ineens kon ik mij heel goed verplaatsen in de afkeer die de kinderen van de jaren zestig voelden bij de afgeleefde geloofsartikelen van hún tijd.

Bij een groepsportret van dignitarissen bij de opening van de wereldtentoonstelling van 1888, wordt omstandig uit de doeken gedaan dat deze gebeurtenis onlosmakelijk was verbonden met de misstanden van die tijd, en dat vrijwel geen van de geportretteerde mannen deugde. Stillevens uit de Nederlandse Gouden Eeuw – uiteraard voorzien van aanhalingstekens – getuigen van de diefstal waaraan onze voorvaderen zich hebben bezondigd.

Doeken die ooit hebben toebehoord aan plantagehouders, slavenhandelaren of hun kinderen zijn voorzien van roodomrande disclaimers. En omdat taal onderhevig is aan een permanent proces van aanpassing en vernieuwing, wordt de bezoekers van het Kelvingrove Museum er bij binnenkomst aan herinnerd welke taalregels met betrekking tot kolonialisme, slavernij en racisme hier gelden. Daar is geen ontkomen aan.

Over de auteur
Sander van Walsum
is journalist en historicus.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

In Nederland hebben we ook een codex voor correct taalgebruik in musea en andere educatieve instellingen. Words Matter heet dat boekje, uitgegeven door het Wereldmuseum. Veel van de hierin opgenomen aanbevelingen spreken inmiddels voor zichzelf of zijn vergaand ingeburgerd. In die gevallen loopt het voortschrijdend inzicht van de samenstellers van Words Matter parallel aan wat je de natuurlijke ontwikkeling van de taal zou kunnen noemen.

Koppensneller

Die heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat woorden die ooit heel gangbaar waren – zoals ‘neger’, ‘koppensneller’, ‘dwerg’, ‘Jappenkamp’, ‘koelie’ of ‘politionele actie’ (in Indonesische context) – in onbruik zijn geraakt, en daar zullen weinigen (nog) bezwaar tegen hebben.

Meer weerstand ontmoet de aanbeveling om ‘blank’ (‘een koloniale constructie’) te vervangen door ‘wit’, en ‘slaaf’ door ‘tot slaaf gemaakte’, om er maar vooral geen misverstand over te laten bestaan dat de slachtoffers van slavernij in vrijheid zijn geboren. Die weerstand komt ten dele voort uit de kunstmatigheid van de aanbevolen woorden.

Wie ‘blank’ nooit als een ‘koloniale constructie’ heeft ervaren maar simpelweg als een onderdeel van zijn eigen identiteit (of hij dat nu leuk vindt of niet), kan moeite hebben met ‘wit’. En het houterige, onwelluidende ‘tot slaaf gemaakte’ vloekt met het gegeven dat taal mettertijd steeds compacter en simpeler wordt.

Randverschijnsel

In de conceptversie van Words Matter werd het bijvoeglijk naamwoord ‘zwart’ in een eerbiedskapitaal geschreven, met de hoofdletter Z dus, terwijl ‘wit’ het met een kleine w moest doen, maar deze schrijfwijzer is (vooralsnog) een randverschijnsel. Daarentegen heeft de aanbevolen voorkeur voor ‘wit’ en ‘tot slaaf gemaakte’ overal in de journalistiek en de academische wereld de vorm van een snoeihard gebod aangenomen.

En ook dat draagt bij aan de weerstand tegen de postkoloniale taal: in een tijdsbestek van enkele jaren heeft een aanbeveling de kracht van een wet gekregen. Woorden die ooit neutraal waren of die een positieve connotatie hadden, krijgen een lading die de gebruiker nooit had beoogd. Dit proces leidt tot huiver om de verkeerde woorden te gebruiken, of juist tot een provocatief gebruik – door radicaal rechts – van die verkeerde woorden.

Zuivering van taal past een open samenleving niet, stelde de Duits-Joodse filoloog Victor Klemperer (1881-1960) vast in Lingua Tertii Imperii, een boek over woorden die in nazi-Duitsland van hun oorspronkelijke betekenis werden beroofd en nieuwe woorden, of woordcombinaties, die de staatsideologie tot uitdrukking brachten. In een samenleving als de onze voegt de taal zich vanzelf naar veranderende zeden en opvattingen. Die evolutie moet worden vastgelegd en becommentarieerd, maar kan beter niet worden geregisseerd of gestuurd.

Schuldige tijden

Van sturing is echter sprake wanneer museumbezoekers er bij elk schilderij uit schuldige tijden ongevraagd op postkoloniale educatie worden vergast. Zeker als de aangereikte informatie kunsthistorisch volkomen irrelevant is. De boetedoening voor ons zondige verleden, ook nog eens verpakt in steriele neologismen, neemt bij de voortdurende herhaling de vorm aan van een leeg ritueel. En rituelen zonder bezieling wekken op den duur irritatie.

Zo verging het mij althans toen ik er bij mijn bezoek aan dat mooie museum in Glasgow er ten overvloede op werd geattendeerd dat achter fraaie schilderijen uit vroegere eeuwen een minder fraaie werkelijkheid kon schuilgaan. ‘Daar gáán we weer’, denk je onwillekeurig bij de aanblik van de zoveelste disclaimer.

Als we moreel gesterkt zouden worden door de rituele zelfkastijding, of als de samenleving er inclusiever door zou worden, zouden we ons er nog aan kunnen overgeven. Maar te vrezen valt dat de samenleving er eerder door wordt verzwakt. Als de geschiedenis van vroegere koloniale mogendheden wordt gereduceerd tot een bron van schaamte of hoogmoedige verbazing over vroegere dwalingen, zal er geen saamhorigheid aan worden ontleend.

Dogmatisch gehamer

Integendeel: musea verworden erdoor tot dorre plaatsen waar veel mensen niets meer te zoeken menen te hebben. Met het dogmatische gehamer op Nederlands of Europees daderschap – dat associaties oproept met het leerstuk van de erfzonde – zal het net zo vergaan als destijds met de obligate heldenverering in de 19de eeuw: op den duur wekt het onverschilligheid (of afkeer).

Geschiedenis is een verhaal zonder einde omdat geen waarheden openbaart. Zeker: Europa heeft zich bezondigd aan slavernij, maar het heeft de slavernij ook als eerste afgeschaft (een zienswijze die vaak verdacht wordt gemaakt als poging een duister verleden wit te wassen). En zeker: de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën heeft voormalig Nederlands-Indië als wingewest geëxploiteerd, maar de voornaamste bron van de Nederlandse welvaart in de 17de eeuw was de graan- en houthandel met de gebieden rondom de Oostzee (de ‘moedernegotie’).

Ook waar: ruim honderdduizend Nederlanders zijn na de Duitse bezetting als collaborateurs tot een gevangenisstraf (of de dood) veroordeeld, maar nog meer Nederlanders waren betrokken bij de verzorging van de circa 28 duizend ondergedoken Joden. De hedendaagse geschiedenis is evenmin eenduidig: het is verleidelijk om de multiculturele samenleving op basis van de huidige tussenstand als een mislukking aan te merken, maar ze kan ook worden gezien als een ten dele geslaagde krachttoer van een land dat 75 jaar geleden nog ‘leliewit’ en cultureel homogeen was, en dat acht miljoen inwoners minder telde dan nu.

Autocraten en techbro’s

Met de overbelichting van partiële waarheden wordt de geschiedenis geweld aangedaan, en wordt het nationale of Europese zelfbewustzijn ondermijnd in een tijd waarin we het – in de hoogtij van autocraten en techbro’s – juist zo hard nodig hebben. Zoals het democratische Duitsland de AfD niet heeft kunnen temmen door voortdurend zijn eigen naziverleden in herinnering te roepen, zo zal Europa zijn interne en externe belagers niet van het lijf houden met een hoogmis op de eigen zondigheid.

Als Europeanen maar lang genoeg wordt voorgehouden dat hun welvaart louter door diefstal en uitbuiting is verkregen, zoals het Kelvingrove Museum wil doen geloven, blijft er uiteindelijk niets meer over om te verdedigen.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next