Home

Contentmakers, dixi’s en dopingcontroles: wat is er de afgelopen zestien jaar veranderd in de Tour?

Zestien jaar na haar laatste verslag van de Tour de France keert Manon Colson (50) terug. Hoe gaat het er nu aan toe in de grootste wielerwedstrijd van het jaar? En is ze als vrouwelijke verslaggever nog steeds een uitzondering?

schrijft voor de Volkskrant over wielrennen. Ze volgt dit jaar de Tour de France.

Daar loop ik dan. Accreditatie van de Tour de France bungelend om mijn nek, blocnote in mijn handen. Om me heen de beelden die ik zo goed ken. Ploegbussen in alle kleuren die in de berm van de weg zijn geparkeerd, dranghekken, georganiseerde chaos, fietsen die blinkend in de zon staan te wachten totdat ze weer aan het werk kunnen.

Alles lijkt hetzelfde, maar is toch anders. De gezichten van bekenden zijn veranderd. Ze hebben meer rimpels, soms zelfs grijs haar. En de mensen die ik niet ken, zijn met meer. Ze zijn druk in de weer met mobiele telefoons en selfiesticks, met microfoons die ze voortdurend in de aanslag houden. Soms moet ik goed kijken; zijn het collega’s of werken ze voor een wielerploeg? Ongemakkelijk kijk ik naar het papier in mijn hand, en de pen die ik stevig vastklem.

Voorzichtige vraag

Of ik eventueel beschikbaar zou zijn om de laatste week van de Tour de France te verslaan? De chef sport van deze krant stelde die vraag, ze deed dat heel voorzichtig, ergens in mei. Mijn hoofd zei meteen nee, maar mijn hart maakte op hetzelfde moment een sprongetje. In 2010 nam ik afscheid van de Tour als verslaggever, na tien achtereenvolgende jaren de ronde van dichtbij te hebben gevolgd voor het tijdschrift Sportweek. Na tien keer zo’n 9.000 kilometer door Frankrijk te hebben gereden, leek het me wel mooi geweest.

Tot dat telefoontje in mei, en dat opgewonden gevoel tegen alle logica in. Want ik wist precies waarom ik er ooit mee was gestopt. De Tour neemt alleen maar, en geeft nauwelijks iets terug. Dat klinkt misschien dramatisch voor iemand die niet op de fiets hoeft te zitten. Maar de dagen zijn ook voor journalisten lang, de nachten kort, de hotelkamers elke dag anders, en de verplaatsingen ellenlang. En zo af en toe is er dan plots dat gelukzalige gevoel dat je overvalt als je met je neus bovenop de mooiste sport van de wereld staat. Tien jaar lang is het genoeg om steeds terug te komen.

Nu was de vraag of ik een dikke week wilde gaan. En hup, daar kwamen die kriebels in mijn buik weer. Zet me bovenop een col met een rondcirkelende helikopter hoog in de lucht en een naderend peloton, en ik ben gelukkig. Wielrennen is fantastisch, heldhaftig en lelijk tegelijk. Waarom zou ik eigenlijk niet gaan? Zou het juist niet interessant zijn om te zien hoe het er zestien jaar later aan toegaat?

Tijdmachine

En dus loop ik hier weer rond. Het lijkt alsof ik in een tijdmachine stap als ik mezelf bovenop een berg terugvind in een van de twee dixi’s die tegen de perstent opgesteld staan. Terwijl de mobiele wc wiebelt, probeer ik mopperend te doen wat ik moet doen. Ergerde ik me hier jaren geleden ook zo aan? Uiteraard heeft mijn lichaam ervoor gekozen om juist nu te menstrueren, maar dat is een situatie die slechts is voorbehouden aan een select gezelschap hier. Geen reden voor fatsoenlijke toiletten dus.

De gemiddelde wielerjournalist is nog steeds wit, man en van middelbare leeftijd. Net als toen zie ik dat ik als vrouw een uitzondering ben. Op de gemiddeld 250 verslaggevers die dagelijks als schrijvend journalist in het perscentrum werken, tel ik een dikke handvol vrouwen. Ongeveer hetzelfde als in de beginjaren 2000, met het verschil dat de chef wielrennen van de Franse sportkrant l’Équipe toen dagelijks haar team vanuit de perszaal aanstuurde, met daarin ook een vrouwelijke collega. Zij zijn inmiddels respectievelijk adjunct-hoofdredacteur en de persoonlijke persverantwoordelijke van wielrenner Paul Seixas.

Foute grappen

Ik paste me aan al die mannen aan in die weken op pad. Niet alleen kon ik hard meelachen om foute grappen, ik maakte ze waarschijnlijk zelf ook. Sommige collega’s werden vrienden die ik in het normale leven wellicht voorbij had gelopen. Vier weken met elkaar optrekken in een rondreizend circus schept een band. Duitsers, Britten, Denen, Amerikanen; een aantal kom ik weer tegen en het voelt meteen als vanouds.

Maar de Tour is ook de plek waar ik heb geleerd van me af te bijten, mijn grenzen te verleggen, me te gedragen als een hork als dat nodig was. Ik werd uitgetest, onderschat en geaccepteerd, om op de meest onverwachte momenten het gevoel te krijgen helemaal opnieuw te moeten beginnen.

Wanneer ik vrijdagmiddag het perscentrum binnenloop om mijn accreditatie op te halen en twee collega’s irritante grappen maken in plaats van me normaal te begroeten, schiet ik onmiddellijk in de Tourversie van mezelf. Aan de vriendin die me appte met de tekst ‘Veel succes, en vooral genieten van je oude zelf!’, app ik terug dat ik collega’s al klootzakken heb genoemd. Amper vijf minuten hier. Dan mag ik wel denken verder te zijn gegaan met mijn leven, maar de Tour blijft voor mij blijkbaar de Tour.

Dat geldt trouwens ook voor de niet-aanwezige ergonomische werkomstandigheden. Klapstoeltjes die niet passen bij wiebelende tafels die normaal voor lokale dorpse buffetten worden gebruikt, waar je toch echt uren aan moet zitten om verhalen te schrijven of video’s te bewerken. Haperend internet. Gymzalen, hallen, tijdelijk opgebouwde tenten met klapperende zeilen die dienen als perscentrum waar het te warm, te koud, of te lawaaiig is. Niks is veranderd.

Geen spontane gesprekken meer

Aan de toegankelijkheid van de renners is daarentegen wel flink doorgewerkt. Ploegen hebben minstens twee persvoorlichters, bij wie elk verzoek moet worden neergelegd. Spontane gesprekken aan de ploegbus zijn er niet meer. Renners zijn eventueel een paar minuten beschikbaar in de mixed zone voor de start, mits dat uiteraard aangevraagd is.

De contentmakers van de ploegen, gewapend met fototoestellen en camera’s of telefoons, kunnen als eersten de renners opvangen na de finish. Schrijvende journalisten mogen een paar meter verderop achter een afzetting lijdzaam wachten op hun beurt. Als die al komt. Met ongeloof bekijk ik het tafereel. Tot zover de ruimte om mijn werk te doen. Ben ik hiervoor naar Frankrijk gekomen?

Slechte film

Het meest schrik ik van mijn reactie op het nieuws over de nachtelijke dopingcontroles zaterdagnacht bij Jonas Vingegaard en Tadej Pogačar, op dat moment de nummer twee en nummer een van het algemeen klassement. Ik kan het bijna niet bevatten, voel me weer teruggaan in de tijd. Het gespeculeer in de daaropvolgende dagen, de geruchten, de discussies zonder alle feiten te kennen.

Nee, die gitzwarte Tour de Dopage in 1998, inclusief politie-invallen, heb ik niet meegemaakt. Maar in de jaren dat ik de Tour volgde, is de lijst van verdachtmakingen, geruchten, schorsingen of het schrappen van uitslagen lang. Ik maakte vijf van de zeven Tourzeges van Lance Armstrong mee, er was de zaak Operación Puerto, waardoor ik Jan Ullrich en Ivan Basso alleen vóór het Grand Départ zag in 2006, en er was Floyd Landis die diezelfde Tour won met een positieve test. En dan vergeet ik er voor het gemak een paar.

Dieptepunt was die ene nacht in 2007 die we doorbrachten in de lobby en op de parkeerplaats van het hotel in Pau, waar de Rabobankploeg verbleef toen de ploegleiding Michael Rasmussen naar huis stuurde. De Deen, in het geel en nog vier dagen verwijderd van de eindzege in Parijs, had gelogen over het doorgeven van zijn whereabouts voor dopingcontroles. Het was alsof we met z’n allen onderdeel uitmaakten van een slechte film in plaats van een van de grootste sportevenementen van de wereld.

Opgejaagd wild

Zondagmiddag was ik getuige van een ander slecht geschreven script. Aan de rand van een weiland in Vougy zag ik Jonas Vingegaard met een gebroken sleutelbeen een auto instappen en de Tour verlaten, een dag na die controle om 2 uur ’s nachts. De ophef bleef uit, het peloton reed gewoon verder, zoals altijd. Ondertussen buitelden mannen als Rasmussen en Armstrong online en in podcasts over elkaar heen om hun verontwaardiging uit te spreken over de gang van zaken. Ze namen woorden als ‘ongepast’ en ‘schending van de mensenrechten’ in de mond. Zonder stil te staan bij hun eigen verantwoordelijkheid voor de dopingproblematiek in hun sport.

Nee, de huidige situatie is totaal niet te vergelijken met toen – we hebben het vooralsnog alleen over dopingcontroles op hoogst ongelukkige tijdstippen – de beelden en indrukken van die jaren in Frankrijk hebben blijkbaar diepe sporen achtergelaten. Ik wil niet dat ze me beïnvloeden, maar dat doen ze toch. Mijn onderbuik rommelt, het ongemak komt terug. Voor mij voelt het alsof renners in de Tour vogelvrij zijn, opgejaagd wild. Nog steeds.

Als iemand me deze week vraagt hoe het er zestien jaar later aan toegaat in de Tour, zal ik eerst zeggen dat het op een gekke en fijne manier voelt als thuiskomen. En dan zal ik even zuchten. Veel is anders, en toch is het meeste hetzelfde gebleven.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next