Home

De amfibieënetende schimmel heeft tóch een zwakke plek

Biologie Wereldwijd sterven kikkers en padden aan een schimmelziekte. In de Pyreneeën is nu ontdekt hoe één paddensoort gespaard weet te blijven.

Een mannelijke vroedmeesterpad in Duitsland, met eiersnoer. In Nederland komt de soort van nature alleen in Zuid-Limburg voor. Maar elders zijn ook uitgezette populaties, zoals in de botanische tuinen van de Universiteit Utrecht.

De amfibieënetende schimmel Bd (voluit Batrachochytrium dendrobatidis) heeft tóch een zwakke plek. Al bijna dertig jaar worden kikkers en padden wereldwijd geteisterd door de schimmelziekte die hun huid aantast en uiteindelijk leidt tot de dood, met grote aantallen uitstervende soorten tot gevolg. Maar in Nature Chemical Biology beschrijven Britse, Spaanse en Franse biologen hoe vroedmeesterpadden in de Pyreneeën een besmetting met de ziekteverwekker kunnen overleven. Ze ontwikkelen al in het larvenstadium – als ‘paddenvisje’ – een antimicrobieel laagje op hun huid, dat ze vrijwel immuun maakt tegen de schimmel.

Vroedmeesterpadden danken hun naam aan de manier waarop ze hun snoer met eitjes met zich meedragen: na de paring wikkelt het mannetje het snoer om zijn achterpoten en draagt de eitjes mee op zijn rug totdat ze bijna uitkomen. Dan zet hij ze af in het water, waar de larven tevoorschijn kruipen. Op die manier is de overlevingskans voor jonge padjes extra groot – al is het na het verblijf op vaders veilige rug nog altijd een uitdaging om als larve uit de bek te blijven van een forel of een andere roofvis.

Voor Bd zijn ze op dat moment in ieder geval nog veilig. De schimmel leeft van keratine in de amfibieënhuid, net als de bij salamanders voorkomende variant Bsal. Bij larven is dat eiwit nog niet aanwezig; pas bij volwassen dieren slaat de ziekte genadeloos toe. Ténzij ze al een laagje beschermende peptiden met zich mee dragen. Die korte ketens van aminozuren – stukjes van eiwitten, in feite – hebben microbenwerende eigenschappen en bevinden zich in de slijmlaag op de amfibieënhuid. Maar die beschermende peptidenlaag is pas na verloop van tijd volledig ontwikkeld. Daarom is Bd juist nét na de metamorfose zo dodelijk: niet elke amfibie is dan al optimaal beschermd.

Immuniteit in drie meren

In de westelijke Pyreneeën ontdekten de biologen iets opvallends: alle populaties vroedmeesterpadden, verspreid over meerdere meren, zijn er de afgelopen twee decennia in aantal achteruit gegaan door Bd-infectie. Maar in drie meren lijkt er recent een zekere immuniteit te zijn ontstaan. Er sterven nog altijd vroedmeesterpadden, maar veel minder dan op andere plekken. Om te onderzoeken hoe dat kon, besloten de biologen de populaties nader te bestuderen van de drie meren samen met die van een ‘controlemeer’ (waar wél nog veel padden sterven).

Ze stuitten in totaal op maar liefst 1.152 verschillende peptiden in het slijm van de vroedmeesterpadden. Opmerkelijk is dat de paddenvisjes in de drie succesvolle meren al een grote verscheidenheid aan peptiden hebben, waaronder vermoedelijk ook een of meer antimicrobiële varianten. Daardoor zijn ze op het moment van volwassenwording al grotendeels immuun tegen de schimmel. In het controlemeer is de variatie aan peptiden in het paddenvisjesslijm veel lager. Welke peptiden precies antimicrobieel zijn, moet nog verder worden onderzocht.

Dat er zulke verschillen tussen populaties van de diverse meren bestaan, komt mogelijk door omgevingsfactoren. In een meer met veel roofvissen ligt het voor de hand dat paddenvisjes sneller het larvenstadium ontgroeien en zo minder kans lopen om te worden verorberd. Maar daardoor hebben ze dan ook minder tijd om een beschermende peptidenlaag te ontwikkelen en belanden ze alsnog van de regen in de drup.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Biologie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next