Home

Hoe The National-gitarist Aaron Dessner popsterren als Taylor Swift en Gracie Abrams naar zijn vijver lokte

Ed Sheeran, Mumford & Sons en Noah Kahan: niet de minste popsterren schakelen de hulp in van Aaron Dessner. Hoe werd deze gitarist van The National een van de meest gevraagde producers van dit moment?

Taylor Swift, al jaren een groot fan van The National, vroeg Dessner in 2020 om muzikale ideeën. Door de coronapandemie waren haar tournee en plannen weggevallen; Swift zat thuis en wilde een nieuwe creatieve richting onderzoeken.

Vanuit zijn Long Pond-studio deelde Dessner een map vol instrumentale schetsen en een paar uur later stuurde Swift de boel terug, nu voorzien van melodie en tekst: Cardigan. Klaar. Het was hun eerste gezamenlijke nummer en de aanzet tot Folklore, later bekroond met de Grammy voor album van het jaar. Het werd Dessners intrede in de popwereld.

Voor liefhebbers van donkere indierock is Aaron Dessner (50) al jaren een vertrouwde naam. Als gitarist, toetsenist, songwriter en arrangeur bepaalt hij een groot deel van het geluid van The National: nerveuze gitaarpatronen en orkestrale details met daarboven die bromstem van Matt Berninger. Met albums als Boxer, High Violet en Trouble Will Find Me groeide The National uit tot een van de belangrijkste indierockgroepen van deze eeuw, die bewijst dat je met meeslepende dramatiek ook de Ziggo Dome kunt vullen.

Muzikale bouwmeester

Aaron Dessner werd in 1976 geboren in Cincinnati, groeide op in een muzikaal gezin en maakte al op jonge leeftijd muziek met zijn tweelingbroer Bryce. Die koos voor een klassieke muziekopleiding; Aaron voelde meer voor moderne Europese geschiedenis en leerde zichzelf gitaarspelen.

Na het uiteenvallen van zijn band Project Nim sloten hij en Bryce zich in Brooklyn aan bij de band van zijn jeugdvriend Bryan Devendorf, diens broer Scott en Matt Berninger – de enige die zonder familielid naar The National-repetities kwam. Helemaal familievrij is ook hij niet: veel teksten schrijft hij samen met zijn vrouw Carin.

Aaron en Bryce leveren vaak de eerste compositorische grondstof voor The National, waar Berninger dan zijn teksten en zangmelodieën overheen legt. Dessner is daardoor veel meer de muzikale bouwmeester van de band dan alleen een traditionele gitarist en toetsenist. Veel nummers beginnen bij hem als een losse schets. Daarna komen de elektronische en orkestrale partijen; laag op laag. Net zo lang tot het klinkt als The National. Hij creëert vaak complete instrumentale werelden, bijna filmmuziek waarbij alleen nog het verhaal ontbreekt.

Vooral de eerste seconden van een nummer krijgen veel aandacht. Dessner lijkt een zwak te hebben voor intro’s die binnen een paar maten het hele klimaat van een lied of album bepalen, iets waarover hij ook vertelt in de nieuwe podcast Switched On Pop op Netflix. Luister maar eens naar de scheef voortstappende piano van Fake Empire, het gitaarmotief van I Need My Girl of de bijna sacrale vrouwenstemmen waarmee The System Only Dreams in Total Darkness opent.

Clubhuis

Aan een vijver in de Hudson Valley, in de staat New York, staat Long Pond: Dessners houten studio, waar hij met Swift werkte aan haar albums. Oorspronkelijk was het vooral de vaste werkplaats van The National. Hier nam de band een groot deel van Sleep Well Beast (2017) op, de plaat die The National zijn eerste Grammy opleverde. Long Pond staat zelfs op de hoes, donker afgetekend tegen de avondlucht. Ook I Am Easy To Find (2019) en First Two Pages of Frankenstein (2023) brachten The National terug naar Long Pond, inmiddels het muzikale hoofdkwartier van de Amerikaanse band.

Met Long Pond kregen Dessners muzikale ideeën een eigen atelier. Een hoge houten ruimte die hij zelf in interviews vaak omschrijft als een combinatie van een kerk, een schuur en een garage. Een traditionele controlekamer is er niet: Dessner was naar eigen zeggen het aquariumgevoel achter glas beu en zit liever tussen de muzikanten. Vrijwel elke ruimte kan daarom als opnameruimte dienen, tot de drie slaapkamers aan toe.

Long Pond werd al snel meer dan alleen een eigen werkplek en groeide uit tot het clubhuis van de muzikanten die Dessner al jaren om zich heen verzamelde. Met Sharon Van Ettens Tramp kreeg Dessners officieuze producersrol in 2012 voor het eerst een plek buiten The National.

Als producer werkte hij daarna onder anderen met Local Natives, Frightened Rabbit en Lisa Hannigan. Justin Vernon heeft binnen dat gezelschap inmiddels een eigen stoel. Met de man achter Bon Iver (van de hit Skinny Love) vormt Dessner de band Big Red Machine, zette hij het muziekfestival Eaux Claires op (deze week terug na een pauze van zeven jaar) en begon hij het kunstenaarscollectief 37d03d (People, maar dan geschreven met cijfers, en op z’n kop). Binnen de indie was Dessner allang ingeburgerd. Lang bleef zijn invloed begrensd.

Verhalen vooraan

Tot Taylor Swift hem in 2020 dus om hulp vroeg. Sindsdien neemt hij de intimiteit van The National mee naar de grote popwereld. Op Folklore deed Swift voor het eerst een stap terug in haar geluid. De felverlichte pop van Reputation en Lover maakte plaats voor gedempte piano’s en akoestische gitaren. Dessner dimde de productie en trok het decor terug, zodat haar verhalen vooraan kwamen te staan. Zijn broer Bryce schreef orkestraties; Vernon schoof aan voor het ontroerende Exile.

Het oude indienetwerk van The National belandde zo bijna geruisloos op een album van de grootste popster ter wereld. Vijf maanden later volgde Evermore, opnieuw grotendeels met Dessner gemaakt. Swift bleef hem daarna graag opzoeken, tot en met The Tortured Poets Department (2024). Wie een inkijkje wil in het opnameproces van Folklore – en meteen wil zien hoe het er achter de houten muren van Long Pond aan toegaat – kan terecht bij Swifts documentaire Folklore: The Long Pond Studio Sessions op Disney Plus.

Na Swift kreeg Dessner het pas echt druk. Dessners naam duikt op achter de ene belangrijke release na de andere en je vindt zijn muzikale handschrift tegenwoordig overal terug – nu weer op Daughter from Hell, het nieuwe album van de Amerikaanse popster Gracie Abrams dat vorige week verscheen – inmiddels het derde album dat zij met Dessner maakte. Openingsnummer Hit the Wall begint met zo’n typische Dessner-intro: een nerveuze puls die het nummer meteen op spanning zet.

Op de hele plaat trekt hij Abrams’ vertrouwde, ingetogen folkpop verder open. Als 12-jarige luisterde ze al naar The National; in Long Pond werkte ze ineens samen met een van de mannen die dat geluid had helpen bouwen. En dan niet voor één vluchtige studiosessie. Nee, Abrams is een vaste bezoeker van Long Pond. Hun eerste nummer, Rockland, verscheen in 2021. Daarna produceerde Dessner haar debuutalbum Good Riddance en het grootste deel van The Secret of Us. Inmiddels is hij haar vaste muzikale partner.

Ed Sheeran volgde; een grote naam die Dessners verschuiving naar het hart van de pop nauwelijks duidelijker kon onderstrepen. Swift bracht hem in 2021 in contact met Dessner en twee jaar later lagen er meteen twee albums: Subtract en Autumn Variations. Vooral op het voor een Grammy genomineerde Subtract deed Dessner precies wat de titel beloofde: hij haalde weg. De productie ging op dieet, zonder dat de liedjes gewicht verloren. Minder megarefreinen, meer piano, gitaar en sobere strijkers. Sheeran klonk daardoor kleiner en een stuk dichterbij.

Halve platenkast aan nieuw werk

De rij pop- en folksterren richting Long Pond wordt langer en langer. Dessner kan inmiddels de krenten uit de pap kiezen. Voor jazzpopzangeres Laufey produceerde hij de nummers Castle in Hollywood en A Cautionary Tale en voor de rockband Florence + The Machine werkte hij mee aan de gotische overdaad van Everybody Scream. Deze zomer staat zijn naam alweer op een halve platenkast aan nieuw werk. Samen met producer Gabe Simon werkte hij aan The Great Divide van Noah Kahan, produceerde hij Little Wide Open van Kevin Morby en Prizefighter van Mumford & Sons, en dus Daughter from Hell van Gracie Abrams. En de nazomer is ook al bezet: eind augustus verschijnt Good Grief van Sara Bareilles, waarvoor Dessner als co-producer aanschoof.

Dat juist Dessner inmiddels de vaste producer van de poproyalty is, zegt ook iets over de pop van nu. Het hoeft niet allemaal meer groot, glad en onkwetsbaar. Swift zocht op Folklore meer stilte, Sheeran op Subtract minder verpakking, Abrams op Daughter from Hell ruimte om nog wat persoonlijker te worden. Dessner komt niet aanzetten met een kant-en-klaar indiepakket; hij luistert naar wat een verhaal nodig heeft zonder het uit handen te rukken.

Dat klinkt simpel, maar is het niet. Toch slaagt hij er keer op keer in. Tegelijk blijkt de indierock uit de jaren nul een langere adem te hebben dan het genrelabel ooit deed vermoeden. Wat ooit in de marrge begon, loopt inmiddels doodgemoedereerd door de grootste popplaten heen. Dessners succes laat daarmee zien dat intimiteit en commercieel bereik geen tegenpolen meer zijn.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next