Onderwijs Leraren wegen bij het geven van een schooladvies het niveau van de andere kinderen in de klas mee, laat nieuw onderzoek zien. Kinderen die het best presteren van hun klas hebben een grotere kans op een vwo-advies en leerlingen die relatief het minst presteren, een grotere kans op vmbo-advies. „Het kan dus voordelig zijn om in klas te zitten met leerlingen die slechter presteren.”
Twee kinderen met dezelfde score op de Cito-toets in groep acht kunnen toch twee verschillende schooladviezen krijgen, afhankelijk van hun positie ten opzichte van de rest van de klas. Dat wijst nieuw onderzoek van de Erasmus School of Economics uit.
Leraren wegen bij het geven van een schooladvies, dat bepaalt of achtstegroepers naar het vmbo, de havo of het vwo kunnen, bewust of onbewust het niveau van de andere kinderen in de klas mee, laat het onderzoek zien.
Kinderen die het best presteren van de klas hebben een grotere kans op een vwo-advies, ten opzichte van kinderen met precies dezelfde Cito-score die niet tot de beste leerlingen van de klas behoren. Omgekeerd geldt hetzelfde: kinderen die het slechtst presteren van de klas, krijgen sneller een vmbo-advies.
„Het kan voor kinderen dus voordelig zijn om in klas te zitten met leerlingen die slechter presteren”, zegt universitair docent Max Coveney, die het onderzoek uitvoerde. Dat is opmerkelijk, omdat eerder onderzoek uitwijst dat een hoog niveau van leeftijdsgenoten er ook toe kan leiden dat kinderen juist gestimuleerd worden om beter te presteren. „Twee interessante effecten met tegengestelde richtingen”, aldus de onderzoeker.
Coveney analyseerde gegevens van zo’n 460.000 leerlingen op meer dan vijfduizend basisscholen tussen 2006 en 2021, afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De dataset bevat naast Cito-scores en schooladviezen ook achtergrondkenmerken van de leerlingen en latere onderwijsresultaten, zoals het gevolgde niveau op de middelbare school en de instroom op de universiteit. Een aanvullende analyse met soortgelijke gegevens van 1994 tot 2005 laat vergelijkbare resultaten zien.
Ook wanneer wordt gecorrigeerd voor factoren als achtergrond van de ouders, kwaliteit van de leerkracht, of omstandigheden op de dag van de Cito-toets – zoals het weer – blijven de conclusies van de onderzoeker overeind.
De ‘rangorde’ in groep acht kan ook jaren later nog van invloed zijn. De beste kinderen van de klas hebben ook meer kans om door te stromen naar de universiteit, laat het onderzoek zien.
En het treft niet ieder kind in dezelfde mate. Het effect is sterker bij leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond en leerlingen uit een lager sociaaleconomisch milieu. Zij hebben de grootste kans op een vmbo-advies als zij bij de slechtst presterende kinderen van de klas horen. „Het lijkt erop dat het kansenongelijkheid in het onderwijs kan vergroten”, zegt Coveney.
Wat het effect verklaart kan Coveney niet precies vaststellen, al geeft de onderzoeker twee mogelijke redenen. Het zou kunnen dat leerkrachten de klasrangorde onbewust meenemen als maatstaf bij het beoordelen van de leerlingen. „Het inschatten van de capaciteiten van een kind is heel ingewikkeld. Onbewust bepalen ze dat wellicht aan de hand van de prestaties van de rest.”
Ook zou kunnen meespelen dat de beste kinderen van de klas meer zelfvertrouwen ontwikkelen over hun capaciteiten. „Als ze kennismaken met een nieuw concept weten ze: ik kan dit wel aan. Kinderen die lager scoren denken misschien eerder: school is blijkbaar niets voor mij.” Dit zelfvertrouwen heeft mogelijk ook weer invloed op hoe een leerkracht naar de groepachters kijkt, aldus Coveney.
Hoogleraar onderwijseconomie Carla Haelermans van Maastricht University, die niet betrokken is bij het onderzoek, vindt het ook wel logisch dat leerkrachten de verhoudingen in de klas meenemen bij het schooladvies. „Leraren nemen in het advies alle informatie mee die ze, bewust of onbewust, over een kind hebben. De verhoudingen in de klas kunnen ook een informatieve indicator zijn.”
De aanname die de onderzoekers doen, is dat de eindtoets de beste voorspeller is voor de capaciteiten van een kind. „Dat hoeft niet altijd zo te zijn”, zegt de hoogleraar. „Een toets is ook maar een momentopname. Er zijn leerlingen die dichtklappen, omdat de druk zo hoog is. Anderen krijgen bijles en scoren juist heel hoog.”
Tegelijkertijd is bekend dat leraren de thuissituatie van leerlingen soms meewegen bij het schooladvies, waardoor onder meer kinderen met praktisch geschoolde ouders en ouders met een lager inkomen, structureel ondergeadviseerd worden. Haelermans: „Uiteindelijk is een goed schooladvies een combinatie van de toetsresultaten en de inschatting van de leraar.”
De meest recente gegevens die zijn meegenomen in het onderzoek komen uit 2021. Sindsdien is de eindtoets vervangen door de doorstroomtoets, en is er ook iets veranderd bij de advisering van groepachters. Scholen moeten het schooladvies tegenwoordig in principe bijstellen als een leerling bij de toets op een hoger schoolniveau uitkomt dan de leerkracht heeft geadviseerd.
Mogelijk verzacht dit het rangorde-effect in de klas, omdat kinderen op basis van een hoger toetsresultaat toch naar een hoger niveau kunnen. Haelermans: „Het huidige onderwijssysteem heeft eigenlijk al een mechanisme ontwikkeld om hiermee om te gaan.”