Vorige week overleed de moeder van een goede vriendin. Ik kende haar goed. Ze was vroeger, in mijn tienerjaren, onze buurvrouw. Ze raakte bevriend met mijn moeder en kwam veel bij ons thuis. Ze bracht altijd het lekkerste eten mee. Ze was warm en betrokken. Als mijn moeder klaagde over mijn pubergedrag, koos ze mijn kant. Ze zag er altijd stijlvol en verzorgd uit. Ook als ze zorgen had, was ze vrolijk. We hadden haar lief. Haar dochter en ik hadden dezelfde leeftijd en werden vriendinnen. Met die gedeelde geschiedenis uit onze jeugd voelt zij inmiddels als familie.
De moeder van mijn vriendin overleed veel te vroeg. Ongedragen kledingstukken hangen met het prijskaartje er nog aan in de kast. Om op bijzondere momenten te dragen – zonde als er voor die tijd een vlek in zou komen. Op een kort boodschappenlijstje dat mijn vriendin in een jaszak vond, staat naast ‘boter’ ook ‘cava’ (Spaanse mousserende wijn). Haar moeder keek uit naar het leven na een operatie die pijn in haar lichaam zou verhelpen. Mijn vriendin kocht een luxe shampoo om haar te geven als ze uit het ziekenhuis zou komen. Die kans kreeg ze niet.
Het is de eerste keer dat ik het overlijden van een moeder van zo dichtbij meemaak. Ik ben op de leeftijd gekomen – dertig – dat dit soort dingen vaker (zullen) gebeuren. Ondertussen zie ik vriendinnen die zelf moeder worden. Mensen van wie hun kinderen later ook afscheid moeten nemen.
Zolang ik me kan herinneren, vrees ik het moment dat mijn ouders er niet meer zijn. Misschien is dat normaal, misschien heb ik het meer dan anderen.
Sinds mijn vriendin haar moeder verloor, denk ik daarom veel aan mijn eigen moeder. Ik neem me voor om vanaf nu elke maand een moeder-dochter-date te plannen. Ik denk aan de momenten dat ik kattig tegen haar doe. Dat zijn er te veel. Ze is de persoon van wie ik misschien wel het meest hou en tegelijk de enige tegen wie ik onaardig durf te zijn, dus ben ik dat ook.
Ik schaam me. Voor mijn geïrriteerde antwoorden op haar lieve, geïnteresseerde vragen. Voor het zuchten als ze mijn tas volstopt met eten voor onderweg. Voor de maandelijkse moeder-dochter-date waarvan ik niet zeker weet of ik die met mijn drukke agenda blijf volhouden. Voor het feit dat ik hier veel aan denk en niet meer aan de moeder van mijn vriendin.
Natuurlijk denk ik aan mijn vriendin. Ik vraag me af hoe ik er het best voor haar kan zijn. Ik stuur dagelijks een hartje bij het ontbreken van de juiste woorden. Ik bel. Ik vraag haar of ik een column mag schrijven over haar moeder, die ook over mijn eigen moeder gaat.
Samen met mijn moeder bezocht ik de begrafenis. Terwijl er bloemen op het graf worden gelegd, knijp ik in haar hand. Voor onze buurvrouw, voor mijn vriendin, voor haar, voor ons. Voor alle moeders die er niet meer zijn.