East Branch is een gehucht in het uiterste westen van de Catskills, de rivier Delaware is niet ver weg, als je doorloopt kun je Pennsylvania te voet bereiken. Het bestaat uit een steenfabriek, huizen, verder bossen met herten. Laten we zeggen dat de moderne moderniteit hier niet is doorgedrongen.
In de stad was het heet geweest, de airco was nog altijd kapot, ik overwoog een nieuwe te kopen, maar East Branch bracht ook verkoeling. Je kunt ook om het ongemak heenlopen.
Van Trump en de oorlog met Iran (nauwelijks geëindigd of hij laaide weer op) was hier minder te merken dan elders, wat niet wil zeggen dat je je echt in de wildernis bevindt. In het nabijgelegen dorpje Livingston Manor was een wijnbar waar de gegoede burgerij uit Brooklyn de zomerse ennui bestreed met day drinking.
De gegoede burgerij plant zich hier nog graag voort. Er waren moeders die op het dunne koord liepen tussen moederschap en day drinking, maar ze deden het met gratie. De dronkenschap begon om drie uur in de middag of eerder, toch verwaarloosden ze hun kinderen niet.
Een kennis van mij, woonachtig in de stad Ithaca, kunstenaar van beroep, kwam mijn kant uit voor een lunch in de volgens hem wereldberoemde Roscoe Diner. Hier geen dronken moeders, slechts wat licht verwaarloosde tieners met begeleiders die er even verwaarloosd uitzagen.
De kunstenaar vertelde dat hij bij voorkeur met stenen uit de Delaware werkte. Vanuit Europa liet mijn zoon spraakberichten achter op mijn telefoon waarvan ik wist dat ze door mijn ziel sneden.
‘Je moet nog een lange weg terug’, zei ik tegen de kunstenaar.
‘Ik heb mijn vrouw beloofd niet te vroeg thuis te komen. En jij?’, vroeg hij.
‘Het leven ligt voor me’, antwoordde ik.
Al werk ik niet met stenen, ik kan ook een sfinx zijn.
Source: Volkskrant