Home

Europa stond al eerder in brand tijdens een vorige periode van opwarming, blijkt uit onderzoek

Aan het eind van het tijdperk Trias verdwenen veel diersoorten en stortten bossen in. Varens namen het over. Dat leidde tot enorme natuurbranden, constateerden Utrechtse onderzoekers.

Hanneke de Klerck is wetenschapsredacteur van de Volkskrant.

Een inferno moet het zijn geweest, vergelijkbaar met de bosbranden in het zuiden van Europa deze zomer: grote delen van wat nu Noordwest-Europa is, stonden in brand. Maar om bosbranden ging het niet, 201 miljoen jaar geleden. Vlaktes vol varens gingen in vlammen op, groeiden terug, en brandden weer af.

Aanwijzingen voor zulke branden waren er al, maar een internationaal team geleid door geologen van de Universiteit Utrecht heeft een nieuwe manier gevonden om ze te bevestigen. Dinsdag is hun onderzoek gepubliceerd in vakblad Nature Geoscience.

Zo’n 201 miljoen jaar geleden was de aarde een grimmige plek. Aan het eind van het tijdperk Trias vond een van de vijf grote uitsterfgolven in de geschiedenis plaats. Vermoedelijk door vulkanisme en het vrijkomen van gassen in de atmosfeer – het broeikasgas CO², maar ook zwavel en kwik in gasvorm – stierven diersoorten massaal uit, zowel op land als in de oceanen, en stortten bossen in.

Een beetje Fontainebleau

Een beetje lijkt dat wel op de situatie nu, zegt Bas van de Schootbrugge, een van de auteurs van het artikel: broeikasgassen, opwarming van de aarde, bodemerosie, ontbossing, verdwenen soorten en aangetaste ecosystemen. ‘Kijk naar het bos van Fontainebleau bij Parijs. Daar heeft nooit eerder een brand van die omvang gewoed. Wat daar weg is, krijg je nooit meer terug.’

Wetenschappers weten dat veel bomen in het Trias het loodje legden, omdat het aantal teruggevonden fossiele pollen uit die tijd sterk terugliep. Van varens werden juist meer fossiele sporen gevonden. Ook nu nemen varens het over als vegetatie verdwijnt, zoals bij bosbranden of bij ontbossing in bijvoorbeeld Indonesië en Nieuw-Caledonië op plaatsen waar mijnbouw plaatsvindt.

Het was al bekend dat de overdaad aan varens correspondeert met een donkere laag organisch materiaal in Europese bodemmonsters. Om die laag beter te bestuderen, analyseerden de Utrechtse wetenschappers en hun collega’s materiaal uit boorkernen in Denemarken, Duitsland, Luxemburg en Groot-Brittannië.

Licht en donker

Vaak is organisch materiaal dieper in de grond donkerder, door de druk en een hogere temperatuur. Maar dat kan voor de donkere laag de verklaring niet zijn, zegt Van de Schootbrugge. Want daarboven zit in alle vier boorkernen weliswaar een lichtere laag, maar daaronder ook. Dat is bijzonder, omdat de geologische omstandigheden per locatie verschillen.

In de donkere laag werden houtskool gevonden en organische moleculen die ontstaan in rook. ‘Het lijkt er dus sterk op’, zegt Van de Schootbrugge, ‘dat de verdonkering te maken heeft met branden in precies de tijd van het uitsterven.’ Maar moleculen vind je niet altijd terug en ze meten is duur, terwijl houtskool in kleinere fragmenten kan breken als je het wilt tellen.

Daarom bedacht het team een nieuwe methode om de donkere laag te meten. Dat deed het door de fossiele pollen en sporen te analyseren op kleur. De onderzoekers maten de hoeveelheid rood, blauw en groen. Dat maakte het mogelijk monsters uit een boorkern te vergelijken, maar ook om een vergelijking te maken van materiaal uit verschillende boorkernen. Uiteindelijk moet automatische herkenning het makkelijker maken om metingen te doen.

Alles over wetenschap vindt u hier.

Source: Volkskrant

Previous

Next