De scheiding tussen leren en certificeren kan ervoor zorgen dat kinderen weer met plezier naar school komen, betoogde onderwijsadviseur Joost van der Horst in een opiniestuk. Volkskrant-lezers reageren.
Onderwijsadviseur Joost van der Horst stelde onlangs een radicale oplossing voor. Laat docenten uitsluitend begeleiden en breng alle beoordeling en diplomering onder bij een onafhankelijk certificeerinstituut. Zo zou het klaslokaal weer een veilige oefenruimte worden, waarin leerlingen nieuwsgierig kunnen zijn en fouten durven maken zonder voortdurend aan cijfers te denken.
Het klinkt aantrekkelijk: scheid het leren van de beoordeling. Alleen berust het voorstel op een misvatting. Beoordelen is niet slechts een bureaucratische eindcontrole die van buitenaf aan het onderwijs is toegevoegd. Het vervult binnen het leerproces zelf enkele onmisbare functies.
Nieuwsgierigheid is een van de krachtigste motoren van leren: wie werkelijk wil weten hoe iets zit, is meestal ook bereid daar moeite voor te doen. Idealiter zouden we ons onderwijs dan ook op die manier inrichten. Helaas is dat praktisch gezien zo goed als onmogelijk. Neem de werkwoordspelling. Wie bereid is te wachten tot een leerling daar oprechte nieuwsgierigheid naar heeft, heeft meer dan veel geduld nodig.
In de praktijk creëren we met beoordelingsmomenten een concrete reden voor leerlingen om zich in te spannen. En zo gebeurt het dat leerlingen veelal leren voor een cijfer. Een leerling oefent, haalt bijvoorbeeld een acht en merkt dat inspanning tot beheersing kan leiden. Dat is externe motivatie, maar externe motivatie is niet automatisch waardeloos.
Een proefwerk is idealiter een meetinstrument en geen doel op zich. De docent ontdekt wat leerlingen beheersen, waar misverstanden zitten en wat opnieuw moet worden uitgelegd. Ook de leerling ziet of een vaardigheid inmiddels werkelijk verworven is. Een leerling die dacht de eerdergenoemde werkwoordspelling te begrijpen en vervolgens alle persoonsvormen verkeerd schrijft, heeft nuttige informatie gekregen.
Daar komt nog een derde functie bij die in onderwijsvernieuwingen opvallend vaak wordt vergeten: de verhouding tussen leerling en docent. Veel leerlingen willen hun docent graag laten zien dat zij iets inmiddels beheersen. De docent heeft uitgelegd, geholpen, aangespoord en vertrouwen uitgesproken en de toets is ook een antwoord daarop. Kijk, het is gelukt.
Een cijfer is dan niet slechts een administratief oordeel, maar een vorm van erkenning binnen een menselijke relatie. Kortom: in het onderwijsproces spelen beoordelingen een onmisbare rol.
De ontstane cijfercultuur kent natuurlijk ook zijn lelijke kanten. Iedere docent kent de vraag: ‘Moeten we dit weten voor het proefwerk?’ De docent die ontkennend antwoordt, ziet direct de aandacht verdwijnen. Alleen kennis die punten oplevert, lijkt werkelijk van belang te zijn. Een geïnspireerd betoog, een onverwachte gedachte of een interessant zijpad telt in de wereld van veel leerlingen als pure tijdverspilling.
En dat is frustrerend. Maar wie denkt dit soort problemen op te lossen door leren en beoordelen institutioneel van elkaar te scheiden, trekt de verkeerde conclusie. Stel dat docenten uitsluitend lesgeven en een afzonderlijk certificeerinstituut de cijfers en diploma’s uitdeelt. De leerling zal dan niet ineens voor zijn plezier gaan leren. Hij zal nog steeds vragen wat hij voor het examen moet kennen en wat niet. Alleen komt het beslissende oordeel nu van een onbekende examinator, buiten de relatie waarin het leren plaatsvond.
De afstand tussen leren en beoordelen wordt dan groter, maar de invloed van de beoordeling neemt niet af. Integendeel. De docent verandert in een trainer die leerlingen voorbereidt op het oordeel van een andere instantie. De logische vraag wordt nog nadrukkelijker: wat wil het certificeerinstituut zien? Onderwijs dreigt dan volledig examenvoorbereiding te worden. Wie de toets uit het klaslokaal verwijdert, verwijdert niet het leren voor de toets.
Het onderwijs moet dus niet streven naar een volledige scheiding tussen leren en beoordelen, maar naar een betere verhouding ertussen. Minder toetsen die uitsluitend cijfers produceren. Meer momenten waarop vooruitgang zichtbaar wordt. Duidelijke doelen, inhoudelijke kritiek en ruimte voor kennis die niet onmiddellijk in punten wordt uitbetaald. Goed lesgeven is onmogelijk zonder voortdurend vast te stellen waar leerlingen staan.
De docent moet niet ophouden beoordelaar te zijn. Hij moet voorkomen dat hij uitsluitend beoordelaar wordt. Wie leren en beoordelen uit elkaar trekt, bevrijdt het leren niet van het cijfer. Hij haalt alleen de menselijke relatie uit de beoordeling en laat het cijfer onaangetast achter.
Jan Pouwels, docent Nederlands, mentor en voorzitter medezeggenschapsraad Berger Scholengemeenschap, Alkmaar
Historische onzin, zo noemt Joost van der Horst het onderwijsmodel dat we kennen sinds de 19de eeuw. Toen werd het klassikale onderwijssysteem ingevoerd, waarin je leert voor een toets en volgens hem dus niet meer leert. Een beetje heeft Van der Horst gelijk; daar kom ik nog op. Maar in hoofdzaak is zijn historische vergelijking historische onzin.
De 19de eeuw was de eeuw van de industriële revolutie. Ineens was er behoefte aan veel geschoolde arbeidskrachten, dus aan scholing voor iedereen. Socratesklasjes van acht leerlingen, of een Jan Steen klas waarin iedere leerling maar wat doet, waren niet meer voldoende. Klassikaal onderwijs en schriftelijke toetsing werden ingevoerd, wat leidde tot een enorme ontwikkeling in de kennis van iedereen.
Pas de laatste jaren stokt die ontwikkeling in Nederland. Niet door de koppeling van lesgeven en toetsen, maar door romantische onderwijsidealen die in ons onderwijsbeleidloze land met zijn ‘vrijheid van onderwijs’ vrij spel kregen. Bewezen ineffectieve onderwijsidealen die uitgaan van de autonome leerling die zelf zijn leerroute en doelen bepaalt. Gewoon leren, nieuwsgierig, veilig en betekenisvol, zoals Van der Horst het omschrijft. Zoals in de klas van Jan Steen wordt ‘geleerd’.
Socrates met zijn acht leerlingen en de meester in het gilde zagen prima zonder toetsen of hun handvol leerlingen vorderde. Maar, dat was onderwijs voor een enkeling. Met een beroep op deze historie wil Van der Horst het onderwijs hervormen tot een model waarin (neem ik aan) iedereen onderwijs volgt, maar de toetsing extern wordt geplaatst. Hij stelt zich voor dat de docent dan ontspannen lesgeeft en de leerling ontspannen leert, beiden zonder toetsdruk.
Van der Horst geeft niet aan of die externe toetsing continu is of alleen aan het eind. Bij voortdurende toetsing is de druk voor docent en leerling nog groter dan nu, want dan is die volledig extern. Als de toetsing pas na een paar jaar aan het eind is, dan wordt het relaxed nietsdoen met een kater.
Toetsing door de eigen docent is essentieel voor de kwaliteit van het onderwijs. Een vinger aan de pols is nodig, en dat lukt in klassen met dertig leerlingen alleen met frequente toetsen. Doe je dat fair, dan geeft het leerlingen geen onnodige spanning. Integendeel: het is fijn voor de leerling om te weten dat hij op de goede weg zit.
Toen ik mijn vijf klassen havo-4 lang geleden vroeg of ze voortdurend getoetst wilden worden of pas aan het eind van een periode, koos één klas voor voortdurende toetsing. De andere vier na de eerste periode ook.
Van der Horst schetst een somber beeld van de huidige toetspraktijk met haar bureaucratische moloch. Alleen daarin heeft hij gelijk. Maar het probleem is niet dat de docent onderwijst en toetst, maar juist dat de toetsing hem de facto is afgenomen door rigide leerlingvolgsystemen, PTA’s en toetsen ‘uit de lesmethode’. Met de regie over de toetsing is hij ook de verantwoordelijkheid voor het leerproces kwijtgeraakt. En dat moet en kan anders.
Vanaf de 19de eeuw tot een jaar of twintig, dertig geleden hoorde toetsing zonder bureaucratisch gedoe bij de docent, en dat ging prima. Hij maakte vragen op basis van zijn lessen en constateerde soms met verbazing dat zijn lessen geen effect hadden. Met een beperkte externe centrale toetsing (dus bijvoorbeeld een centraal examen na eigen schooltoetsing) is de kwaliteit voldoende geborgd.
En voor leerlingen is het fijn om te weten dat er verband is tussen de lessen en de toetsing, en dat zij voortdurend en op korte termijn directe feedback krijgen.
Ameling Algra, voorheen werkzaam in het onderwijs als docent, schoolleider en manager, Den Haag
Als docent op de middelbare school is het mijn ervaring dat bevlogen docenten, zolang ze hun eigen programma en toetsen mogen samenstellen, een inspirerend lesprogramma kunnen opzetten waarbij ruimte is voor experimenteren en plezier in de klas.
De belangrijkste toets die we kennen is het eindexamen en wordt gemaakt door een externe partij. Naarmate deze toets dichterbij komt, werken docenten steeds krampachtiger lijstjes af. Angstig om hun leerlingen tekort te doen en niet optimaal voor te bereiden op het eindexamen. Leerlingen hebben in mijn ervaring ook meer stress van toetsen door iemand anders gemaakt dan hun leraar.
Een situatie zoals Van der Horst voorstaat, waarbij de externe certificeerder eerder en vaker in beeld komt, is volgens mij dan ook niet de oplossing.
Ik ben het wel eens met de oproep om de bureaucratische druk omlaag te brengen en autonomie en eigenaarschap terug te brengen naar het klaslokaal. En ik zou eraan willen toevoegen dat het onderwijs toe kan met minder managementlagen, samenwerkingsverbanden en beleidsmedewerkers.
Bert Mul, docent aardrijkskunde, Buitenpost
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant