Concetta Cioffi is 100 jaar. De Italiaanse is nog net zo eigenwijs als vroeger, al is ze na meer dan een halve eeuw hard werken ook moe. ‘Een verpleeghuis lijkt me wel wat.’
is correspondent Italië, Griekenland en de westelijke Balkan voor de Volkskrant. Ze woont in Rome.
Concetta Cioffi laat zich niet snel van de wijs brengen. Volgens haar dochter Anna, bij wie ze op Sardinië inwoont, is de 100-jarige nog altijd even eigengereid als vroeger. Zo eet de geboren Napolitaanse liever caramelle (typisch Italiaanse koffiesnoepjes) dan het gezondere eten op haar bord – tot vreugde van hond Lucky, die tijdens maaltijden niet van haar zijde wijkt.
Echtgenoot Quirino mocht op papier dan wel de baas zijn van de kleermakerij die het stel meer dan vijftig jaar bestierde, in werkelijkheid deelde zij de lakens uit. Toch kon ‘de generaal’ ook volgzaam zijn, ze verhuisde twee keer voor het werk van haar man.
100 in buitenland
De serie met interviews met 100-jarigen gaat deze zomer de grens over. In juli en augustus vertellen eeuwelingen uit de hele wereld over hun leven. Vandaag aflevering 1: Italië.
U groeide op in Napels, hoe was uw jeugd?
‘Così così (zo-zo). Ik had een hekel aan school en spijbelde vaak, omdat ik liever buiten was. Om een steentje bij te dragen aan het huishouden leerde ik al heel vroeg naaien. Al vanaf de basisschool was ik daarmee bezig, waardoor ik op de middelbare school de kantjes er helemáál vanaf liep. Ik begon als leerling in de kleermakerij van een dame uit de buurt, en werkte later vanuit huis. Tot de oorlog uitbrak.’
Napels was een van de zwaarst gebombardeerde steden van Italië. Hoe was dat voor u als kind?
‘Als het luchtalarm afging, moesten we schuilen. Mijn vader nam ons dan mee naar beneden. Dicht bij ons huis was gelukkig een kelder. Ik hield het er nooit lang uit omdat er geen water was. Dan glipte ik weg om een nieuwe voorraad te halen. Dat vond papa vreselijk. ‘Je bezorgt me grote problemen’, riep hij dan. ‘Stel dat je iets overkomt.’
Was u zelf niet bang?
‘Nee… misschien was ik wel roekeloos. Ik weet het niet. Ik maakte me in die tijd wel veel zorgen over mijn twee jaar oudere broer Carmine, die elk moment opgeroepen kon worden voor militaire dienst. We waren als de dood dat de Duitsers hem zouden meenemen en hij als soldaat aan het werk zou moeten. Daarom betaalde mijn vader iemand die hem in een ondergrondse put verborgen hield. Daar brachten we stiekem zijn lunch naartoe.’
Napels kampte in die tijd met grote schaarste en hongersnood. Hoe was dat voor uw gezin?
‘Tijdens de Duitse bezetting hadden we het niet slecht, omdat mijn vader door zijn vaste baan bij de spoorwegen over voldoende contant geld beschikte. Zo konden we ondanks de tekorten aan voedsel komen. Op de zwarte markt kocht hij gesmokkelde levensmiddelen van boeren, soms zat daar zelfs prosciutto en salami tussen. Mijn broertje, zusje en ik deden op straat weleens alsof we zielige weeskinderen waren. ‘We zijn alleen, we zijn wees!’, riepen we dan. De soldaten stopten ons uit medelijden snoep, koekjes of chocolade toe. We konden het best goed met ze vinden.’
De oorlog bracht uw echtgenoot naar Napels. Waar hebben jullie elkaar ontmoet?
‘Quirino was destijds als soldaat gestationeerd bij het militair ziekenhuis tegenover ons huis. Ik was nog een jong meisje toen we elkaar voor het eerst zagen, amper 16 jaar. Hij was tien jaar ouder. We wandelden vaak, maar toen mijn vader daar lucht van kreeg, verbood hij me ’s avonds nog de deur uit te gaan. Om eerlijk te zijn, wilde ik vanwege dat grote leeftijdsverschil aanvankelijk ook niet met hem trouwen.’
Waarom deed u het toch?
‘Je hebt het gewild, houd het nu dan ook maar’, zeggen we hier. Hij was een heel goede echtgenoot, maar we waren elkaars absolute tegenpool, dat maakte het huwelijk soms zwaar.’
In 1950 volgde u hem naar Sardinië. Hoe was het om in zo’n nieuwe omgeving terecht te komen?
‘Een paar jaar na ons huwelijk won Quirino een aanbesteding waardoor hij de vaste kleermaker van het leger op Sardinië werd. Het was vanzelfsprekend dat ik hem zou volgen, al zag ik de reis ernaartoe met drie kleine kinderen totaal niet zitten. Mijn vader vergezelde ons daarom op het stoomschip, terwijl hij zelf nog veel banger was.
‘De overgang vanuit Napels was enorm. Voor mijn gevoel was er in Cagliari helemaal niets, alleen maar trappen. Er heerste vlak na de oorlog bittere armoede. Jonge meisjes trokken vanuit de dorpen naar de stad, op zoek naar werk. In de kleermakerij behandelde ik hen als mijn eigen dochters, ook al sprak ik alleen mijn Napolitaanse dialect en zij Sardijns. Ze wilden als loon geen lires maar ‘sterline’ (Britse ponden, red.), die waren tenminste waardevast.’
Jullie werkten voor verschillende legerbases op het eiland. Daar noemden ze u ‘de generaal’?
‘Die bijnaam kreeg ik van de militairen. Want hoewel mijn man op papier de baas was van de kleermakerij en de facturen betaalde, nam ik alle beslissingen. Hij was weinig flexibel, iemand die dingen precies volgens de regels wilde doen. Omdat hij zich vaak opstelde als een blok ijs en nooit lachte, wendden commandanten zich liever tot mij.
‘Ik kneep weleens een oogje toe, kortte een broek een stukje verder in, of verstelde een extra shirt. Maar ik kon ook streng zijn. Ze moesten zich in de buurt van onze jonge meisjes wel als beschaafde heren gedragen. Om te voorkomen dat er gedoe ontstaat, heb je regels en discipline nodig. Daar zorgde ik voor: als ik mijn stem verhief, schoten ze direct in de houding.’
Vrouwen hadden in die tijd toch nog niet veel te zeggen?
‘Dat leek misschien zo, maar thuis hadden vrouwen de leiding. Het geld dat binnenkwam, werd door ons uitgegeven. Ik moest naast mijn drukke baan ook nog eens voor negen kinderen, een inwonende schoonmoeder en een echtgenoot zorgen.
‘Toen we naar Sardinië verhuisden, stond mijn man erop dat nonna (oma) Carmosina bij ons introk omdat ze eenzaam was. Het was een beproeving. ’s Nachts stommelde ze vaak door het huis, omdat ze overdag sliep. En doordat ze een dialect uit Caserta (een stad in de buurt van Napels, red.) sprak, begrepen we elkaar niet.
‘Op 87-jarige leeftijd werd ze heel ziek, volgens de dokter was er niets meer aan te doen. Op haar sterfbed riep ze me: ‘Titina’, zei ze, ‘ik wil een stukje kaas, een brood en een glas rode wijn uit het dorp.’ Mijn man werd woest, maar ik dacht: laten we haar die laatste wens gunnen. Toen de dokter de volgende ochtend langskwam, kon hij zijn ogen niet geloven: ze had nergens meer last van en was weer springlevend.’
U volgde uw man nogmaals, toen hij in Turijn ging werken voor Facis, een van de grootste confectiekledingfabrieken van Italië. Hoe vond u het daar?
‘Ik had het er naar mijn zin, maar mijn man kon er niet aarden. Turijn was toen al een moderne stad, die ver voorliep op Sardinië. ‘Ze zijn me te losbandig’, zei hij over vrouwen die er in die tijd een stuk uitdagender bijliepen dan bij ons, met diep uitgesneden decolletés. Quirino maakte zich grote zorgen over onze dochters, hij was vrij conservatief en jaloers. Daarom bepaalde hij dat we allemaal teruggingen.’
Tegenwoordig is Sardinië ook een stuk moderner. Wat raadt u een jonge vrouw vandaag de dag aan?
‘Open je ogen goed voordat je een stommiteit begaat. Denk eerst verstandig na, zeker als het gaat om zoiets ingrijpends als het krijgen van kinderen. Al lijkt het beginnen van een gezin tegenwoordig minder vanzelfsprekend dan vroeger en is men bewuster bezig met die keuze.’
Had u dat terugkijkend liever anders gedaan?
Lachend: ‘Misschien was het beter geweest om één kind te krijgen, maar ik ben er trots op dat ze goed terechtgekomen zijn. Ze hebben allemaal een diploma: de een is lerares, de ander accountant en er is ook een architect. Daar heb ik flink voor moeten strijden, want mijn man wilde niet dat ze gingen studeren. Hij vond dat ze als kinderen van arbeiders gewoon bij ons in de zaak moesten werken. Maria was de slimste: haar docent vroeg eens verbaasd hoe het kon dat ze zo goed presteerde.’
Maria, die meeluistert met haar moeder, breekt in en zegt verontwaardigd: ‘Maar mijn ouders kwamen nooit op school. De enige keer dat mijn moeder tijd kon vrijmaken voor een gesprek had ze geen idee hoe ik ervoor stond. Daar heb ik wat tranen om gelaten.’
Op Sardinië worden mensen bovengemiddeld oud, het staat bekend als een zogenoemde ‘blue zone’. U bent hier als Napolitaanse naartoe gekomen. Heeft die verhuizing bijgedragen aan uw lange leven?
‘Om eerlijk te zijn ken ik die term niet. Ik denk dat hard werken het geheim van een lang leven is. Wat die gezonde leefstijl betreft: ik drink af en toe nog een glaasje likeur na de lunch. En gisteren heb ik nog twee zakken caramelle gekocht.’
Concetta opent een lade van het houten tafeltje naast haar stoel. ‘Open je tas’, zegt ze dwingend, terwijl ze haar handen vult met de rood omwikkelde koffiesnoepjes. Het liefst zou de Italiaanse ze allemaal weggeven, maar na een paar keer graaien staakt ze de poging en vervolgt haar verhaal, op serieuzere toon.
‘Ouder worden is niet altijd leuk. Het verlies van mijn zoons was de verdrietigste tijd van mijn leven. Gennaro was pas tien maanden oud toen hij overleed aan een darminfectie. Artsen dreigden hem mee te nemen naar het ziekenhuis, omdat ze niet wilden dat de andere kinderen in zijn buurt kwamen. Dat heb ik geweigerd. Twee jaar geleden verloor ik opnieuw een zoon, Angelo, de mooiste die ik had.
‘En na meer dan vijftig jaar werken ben ik heel erg moe. Het lijkt me wel wat om naar een verpleeghuis te verhuizen om eindelijk zelf verzorgd te worden. Maar daar willen mijn kinderen niets van weten. ‘Mama, wat ga je daar doen dan?’, vragen ze als ik erover begin.’
geboren: 5 mei 1926, Napels
woont: bij haar dochter Anna en schoonzoon Alberto in Cagliari, Sardinië
familie: 9 kinderen (2 overleden), 11 kleinkinderen, 8 achterkleinkinderen
beroep: kleermaakster
weduwe sinds 2001
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant