Mariken Heitman leest Helm van Sarah Hall en is ontroerd door de diepmenselijke behoefte om tegen de klippen op relaties aan te gaan, zelfs met een wind.
Er is op de Britse eilanden maar één wind die een naam draagt en dat is Helm. Helm, een föhnwind, waait van de helling van de berg Cross Fell in Cumbria en teistert bij tijd en wijlen het Edendal. Zonder die naam, door mensen gegeven, is wind niets.
Althans, dat is hoe de gelijknamige roman Helm van Sarah Hall opent. Het ontstaan van de wereld en dat van Helm leest als een vrolijk alternatief op Genesis: ‘Het zou ééuwen duren voordat Helm werd herkend, laat staan benoemd. Tot die tijd voelde Helm zich eenzaam, onbeduidend en miskend: een originele maar verschrikkelijke schemertoestand. Of misschien kon het Helm niets schelen, stond Helm gewoon op stand-by.’
De taal dwarrelt en raast voort. Hall bedient zich van alle stilistische registers die je met het begin der tijden associeert, laverend tussen bijbels, natuurwetenschappelijk en animistisch.
Maar de vertelstem klinkt net zo vaak spottend, laconiek. Een ijstijd wordt superieur samengevat: ‘De mensen vertrekken. Ook veel dieren vertrekken, of ze sneuvelen of evolueren in iets witters.’ Hall heeft de stem van Helm gevonden. Zonder dat ik wist hoe een wind klonk, leek mij dit direct de enige juiste toon voor iemand zonder lichaam, iemand die leeft binnen een andere tijdsdimensie.
Na dit wervelende begin ontvouwt zich een mozaïekvertelling. Door de tijd heen, van de prehistorie tot het heden, volgen we een aantal menselijke personages die zich op uiteenlopende manieren tot Helm verhouden. Ze onderzoeken, beminnen, dienen of bezweren Helm.
Helmzelf (vondst van Hall) komt nog maar af en toe aan het woord, we leren Helm vooral door de ogen van mensen kennen. Hall hoeft daarbij niet expliciet het tijdsgewricht te benoemen, omdat dit ruimschoots blijkt uit de taal en de context van de personages. Knap, bovendien wordt daarmee het gevoel van continuïteit vergroot. Helm is degene die deze verhalen verbindt. Of zijn dat de mensen?
Ik zie vanuit mijn zolderkamer donkere wolken overdrijven, straks schijnt het te gaan onweren. De Nederlandse wind houdt mij doorgaans weinig bezig. Die is meestal vrij lineair en gestaag tegen. Pas door zijn afwezigheid, als de lucht als een heet blok in de stad hangt, valt hij op en wordt hij gemist. Nooit geef ik hem een naam.
Helm, in Halls roman, wordt niet geboren uit mensen maar komt wel pas tot leven door hun ogen. Hall is namelijk niet de eerste die Helm personifieert, dat hebben generaties mensen voor haar al gedaan. Daar zit iets ontroerends in. Zo wil de victoriaanse ingenieur Thomas Helm aantonen met zijn zelfgebouwde, op stoomkracht aangedreven openbaringsmachine.
Selima, een wetenschapper in het heden, is juist geïnteresseerd in de effecten van microplastics op een weersverschijnsel als Helm: ‘Op welk moment, vraagt ze zich af, bij welk percentage veranderen plastics in wolken in plastic wolken?’ In andere tijden worden er ingewikkelde steencirkels gebouwd of wordt er een bedevaart naar de top van de berg ondernomen om daar een kruis te planten. Helm lijkt steeds onze menselijke verlangens, ambities en bovenal ons tekort te reflecteren.
Maar de fascinatie is wederzijds. Helm is net zo gegrepen door de mensen als de mensen door Helm. Zo wordt het verhaal af en toe onderbroken door wat Helm ‘hebbedingen’ noemt. Dit zijn menselijke uitvindingen zoals treinen, of een verloren iPhone. Feitelijk is Helm de hele tijd bezig met mensen, met hun vliegtuigen, luchtballonnen en hun onderlinge gedoe. Hij verleidt ze, drijft ze tot waanzin en laat zich door één van hen zelfs kussen.
De ontroering die ik voelde zit hem in de diepmenselijke behoefte om iets van het ongrijpbare te maken, om tegen de klippen op altijd maar relaties aan te gaan, zelfs met de niet-levende wereld. Helm te bezielen in dit geval, ongeacht ons denkkader of het tijdsgewricht waarin wij leven.
Toch wringt er ook iets. Waarom is Helm zo met ons bezig?
Daarover loop ik nou al een paar dagen na te denken en ik kom er eigenlijk niet uit. Ik vond Helms verhouding tot de mensen haast serviel, zoals ik Helms noodzaak om gezien en benoemd te worden vreemd afhankelijk vond, voor een wind die allesverwoestend kan zijn. Moet een natuurverschijnsel, met andere woorden, gepreoccupeerd zijn met mensen om tot een betekenisvolle relatie te komen? Of dient dit enkel de literaire vorm? Dit is een vraag die het boek overstijgt, en voor de goede orde: alleen echt goede boeken werpen die op.
Het gaat niet goed met Helm, denkt wetenschapper Selima in het heden. Ze maakt zich zorgen. Natuurlijk, alles wat leeft zal sterven, dus ook Helm kan sterven. Vaak houd je aan klimaatromans een schuldgevoel over. Deels terecht, maar het is een emotie die niet aanzet tot verder denken of handelen. Lekker scrollen tot de zondvloed.
Daarom is het Halls grote verdienste dat ze zoiets apocalyptisch als het veranderen van een eeuwenoud weersverschijnsel weet te beschrijven met groot mededogen en
menslievendheid.
Zo rijk en lyrisch als de ongerepte natuur in de prehistorie wordt verbeeld, zo barmhartig beschrijft ze de paranoia die Selima steeds meer in haar greep krijgt.
Lang dacht ik dat wij mensen onze klimaatapathie alleen te boven zouden komen door onze band met de natuur te verbeteren. Na Helm is daar iets bijgekomen: we hebben ook een zachtere blik op elkaar nodig.
Sarah Hall: Helm. Uit het Engels vertaald door Joris Vermeulen. Ambo Anthos; 416 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant