De gezondste keuze, maar ook rijk aan pfas. Slecht voor de emancipatie, of valt dat nou wel mee? De opvattingen over borstvoeding bewegen telkens mee met de tijdgeest.
is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.
Het was maar een klein berichtje in de Volkskrant, begin deze maand, maar voor de naar schatting tachtigduizend Nederlandse moeders die die dag hun kind aan de borst legden akelig nieuws: het RIVM publiceerde een onderzoek waaruit blijkt dat er pfas zit in álle moedermelk. In 18 procent van de gevallen zo veel dat het schadelijk zou kunnen zijn.
Op zich verbaast het nieuws niet. De pfas-vrije mens bestaat niet meer, de pfas-vrije moeder dus ook niet. En wat in de moeder zit, zit in haar melk.
De afgelopen zes maanden heb ik mijn baby dag en nacht om de twee à drie uur borstvoeding gegeven. Dat zijn ongeveer vijftienhonderd voedingen, goed voor 150 liter melk.
Mijn eerste kind gaf ik ruim twee jaar borstvoeding – naar schatting vierduizend voedingen en zo’n 350 liter. En al die tijd, al die liters: pfas.
Dus, paniek? Het RIVM benadrukt dat de gezondheidsvoordelen van borstvoeding geven nog altijd opwegen tegen de nadelen. Ik geef borstvoeding bovendien niet omdat het per se het beste zou zijn; ik vind het gewoon prettig om te doen. Een moment waarbij er letterlijk níéts tussen mij en mijn kind in staat en ik een diepe connectie ervaar (en zij hopelijk ook).
In de rubriek ‘Reputaties’ kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.
Bijna driehonderdduizend jaar lang gaven moeders vanzelfsprekend de borst. Je jaagde wat, verzamelde wat, zoogde wat – dat is wat je deed. Maar in de laatste paar duizend jaar zijn we er theorieën, moraal en wetenschap op los gaan laten.
Dat begon, zoals bijna alles, bij de oude Grieken, die borstvoeding uitbesteedden aan een min: praktischer en beschaafder. In de middeleeuwen werd moedermelk door het christendom juist verheerlijkt. De zogende Maria (Maria Lactans) werd op zo veel schilderijen afgebeeld dat het een iconisch beeld is geworden.
Tijdens de verlichting veranderde er weer iets. De filosoof Rousseau schreef dat wie haar kind niet zelf voedt (maar het aan een min overlaat), niet alleen de band met het kind ondermijnt, maar ook die met het gezin en uiteindelijk met de samenleving. Borstvoeding geven stond voor goed moederschap en zelfs voor goed burgerschap.
Al die tijd stierven er trouwens ongelooflijk veel kinderen. In Nederland haalde één op de tien baby’s de eerste verjaardag niet. Begin 20ste eeuw werd geprobeerd de zuigelingensterfte met hygiëne, wetenschap en voorlichting terug te dringen.
Het gezag over babyzorg verschoof: wat eeuwenlang een zaak van moeders en vroedvrouwen was geweest, werd het domein van artsen, consultatiebureaus en wetenschappelijke richtlijnen. Voeden moest volgens schema’s. Baby’s werden gewogen.
De fles paste goed in die nieuwe wereld. Waar moedermelk zich lastig laat meten, is kunstvoeding precies af te wegen. Tegen de jaren vijftig gold de ‘scientifically formulated’ fles als het toppunt van moderne wetenschap. Borstvoeding? Ouderwets.
Tot in de jaren zeventig enkele dingen gebeurden die de boel toch weer deden kantelen. Er verscheen een rapport met de titel Nestlé Kills Babies, waarin werd aangetoond dat de babysterfte in arme landen schrikbarend was gestegen sinds flesvoeding er de overhand had gekregen. (Deze affaire leidde overigens ook tot de tekst die tot de dag van vandaag op kunstvoedingsverpakkingen staat: borstvoeding is de beste voeding voor uw kind. Wie wil weten hoe dat precies is gegaan, moet vooral de begin dit jaar verschenen Argos-podcast Het witte goud beluisteren.)
Tegelijkertijd bleek uit nieuw onderzoek dat moedermelk meer is dan voeding alleen: het bevat afweerstoffen, immuuncellen en andere bioactieve stoffen die de gezondheid van baby’s op een bijzondere manier ondersteunen.
Ook leidde de tweede feministische golf tot verzet tegen veelal mannelijke artsen die vrouwen vaak dwingend voorschreven hoe zij voor hun baby’s moesten zorgen. Borstvoeding geven op verzoek (dus zo vaak en zo veel de baby maar wil) was daar de intuïtieve tegenreactie op.
In 2001 verscheen het beroemde WHO-voedingsadvies waarnaar nog altijd gretig wordt verwezen: geef je kind zes maanden uitsluitend borstvoeding en blijf voeden tot 2 jaar – een advies dat is overgenomen door verloskundigen, kinderartsen en het Voedingscentrum. Wie toch flesvoeding geeft, moet zich vaak verantwoorden. Wil je dan niet het beste voor je kind?
De afgelopen tien jaar is er kritiek ontstaan op de vaak moralistische manier waarop borstvoeding aan vrouwen wordt opgedrongen. Het nieuwe narratief: de moeder is net zo belangrijk als het kind. Dus als de moeder om wat voor reden dan ook geen borstvoeding kan of wil geven, moet haar geen schuldgevoel worden aangepraat.
Bovendien maakt flesvoeding het makkelijker om de zorg voor de baby eerlijk te verdelen: zo kan de vader er ’s nachts ook weleens uit en kan de moeder naar haar werk zonder gedoe met kolven. De fles is de geëmancipeerde keuze. Maar is de borst dan ongeëmancipeerd?
Zo voelt het soms wel. Ik heb de neiging me te verantwoorden als ik vroeg naar huis ga om mijn baby te kunnen voeden. Meewarige blikken krijg ik, alsof ik me vrijwillig bij de Amish heb aangesloten. ‘Joh, geef dat kind lekker de fles.’ ‘Snel afbouwen, hoor!’
Zo projecteren we onze ideeën, moraal en overtuigingen op moedermelk. En nu hebben we er voor het eerst ook letterlijk onze sporen in achtergelaten; het pfas-onderzoek is een flinke zwiep aan een slinger die al eeuwen heen en weer gaat. Moedermelk is zelden gewoon moedermelk geweest. Het witte goud is een spiegel van alles wat we belangrijk vinden: godsdienst, wetenschap, medische vooruitgang, emancipatie, (mentale) gezondheid en nu dus milieuvervuiling. Wat in een samenleving zit, zit in haar moedermelk.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant