Weinig woorden zijn zo snel ingeburgerd (en afgezaagd) geraakt als de bucketlist. Maar wat verliezen we als iedereen vreugdeloos dezelfde must-see-read-hear-do-lijsten blijft afvinken?
is redacteur van de Volkskrant en auteur van het boek ‘De kunst van het missen’.
Stel: iemand ontwaakt uit een coma. Vijftig jaar heeft hij in het ziekenhuis gelegen, nu loopt hij eruit, en het eerste dat hij doet is een kiosk binnengaan om een muziektijdschrift te kopen.
Aanvankelijk denkt hij: er is helemaal niets veranderd. Hij kent alle namen op de omslagen.
Wat hij nog niet weet, natuurlijk, is dat papieren muziektijdschriften in 2026 worden gemaakt voor mensen die een halve eeuw geleden jong waren en daarom schrijven over artiesten uit hun tijd – en dat weinig jongere muziekliefhebbers nog tijdschriften kopen.
Bij nader inzien valt hem toch iets op. Waar vijftig jaar geleden een grote variatie aan namen de omslagen sierde, ziet hij nu de hele tijd dezelfde. Hij kijkt nog iets beter en roept: ‘Verrek, bijna de helft van de tijdschriften heeft Pink Floyd op de cover!’
De kioskhouder vertelt hem dat maand in maand uit bijna de helft van de muziektijdschriften Pink Floyd op de cover heeft – en dat ze telkens opnieuw met specials komen over het album The Dark Side of the Moon uit 1973.
Er is altijd wel een aanleiding, al was het maar dat die plaat weer eens hoog scoort in een lijst van albums die je écht in dit leven gehoord moet hebben. Zo’n lijst heet, zegt de kioskhouder, een albumbucketlist.
Een bucketlistalbum valt net zo moeilijk te missen als een bucketlistschilderij als de Mona Lisa. Het wordt steeds opnieuw ontdekt, steeds opnieuw rondgepompt, steeds opnieuw aangehaald. In april vloog de Artemis II-missie langs ‘de donkere kant van de maan’ en werd je doodgegooid met referenties aan het Pink Floyd-album.
Ik kocht The Dark Side of the Moon op mijn 13de, ik herinner me de opwinding; de plaat was toen tien jaar oud en ook al heel bekend.
Maar: destijds was het gewoon een van vele bekende platen. In platenzaken hing de cover tússen albumcovers van honderd andere artiesten.
Tegenwoordig zie je de cover van The Dark Side of the Moon ook op plekken die niets met muziek te maken hebben. Onlangs zag ik hem in een tuincentrum, naast tuindecoratie met de Mona Lisa en de Eiffeltoren.
Op de bekende muziekliefhebberssite Rate Your Music heeft The Dark Side of the Moon honderdduizend ratings. Ik bekeek ratings van andere albums die ik veel draaide in mijn middelbareschooltijd: sommige hadden er niet eens duizend. Fans mogen nu zeggen dat die ene plaat de tand des tijds honderd keer beter heeft doorstaan dan al die andere, dat het scheiden van kaf en koren van alle tijden is.
Maar volgens mij zie je hier iets dat typisch is voor déze tijd. Ik noem het bucketlist-isme.
Typerend voor bucketlist-isme zijn lijsten als 1001 Albums You Must Hear Before You Die en 1001 Paintings You Must See Before You Die en – lijstenmakers houden er rekening mee dat het bezoeken van een plek meer tijd vergt dan het beluisteren van een album – 100 Places To Visit Before You Die.
Als het om Amsterdam gaat, mogen het 101 plekken zijn. Afgelopen februari kwam Het Parool met een ‘ultieme Amsterdamse bucketlist’ met ‘101 Amsterdamse ervaringen’.
De hoofdstad van Nederland, 750 jaar oud, teruggebracht tot 101 dingen.
Weinig woorden die in zo’n korte tijd zo’n begrip zijn geworden als de bucketlist. Het circuleert nog geen twintig jaar.
Aan de basis ligt de Britse uitdrukking kick the bucket, oftewel ‘het loodje leggen’. De Britse scenarist Justin Zackham claimt de term oorspronkelijk te hebben gemunt voor de lijst van dingen die hij zelf per se gezien, gehoord en gedaan wil hebben voor hij het loodje legt. De eerste bucketlist heette ‘Justins bucketlist’.
In 2007 schreef Zackham het scenario van de film The Bucket List, die ondanks slechte recensies een enorme bioscoophit werd (Jack Nicholson en Morgan Freeman bezoeken daarin onder meer een restaurant met drie Michelinsterren, de onvermijdelijke Taj Mahal in India en de net zo onvermijdelijke piramides in Egypte, en bezondigen zich ook nog aan motorrijden over de Chinese Muur.)
Dat het woord bucketlist zo snel inburgerde, komt volgens mij doordat het aansluit bij de opkomst van een branche die is gespecialiseerd in ‘wat we echt niet mogen missen’ en ‘waar het echt om gaat’: de branche die must-see-, must-read-, must-hear- en must-do-lijsten produceert.
Die lijstenindustrie is iets van de laatste halve eeuw. Die kwam op met de enorme groei van het aantal keuzes en mogelijkheden in de westerse wereld. Tot ver in de 20ste eeuw leidden veel mensen nog dermate overzichtelijke levens dat de vraag wat ze per se niet mochten missen zich simpelweg niet aandiende.
De grote toename van welvaart heeft dat veranderd. Mensen kunnen meer doen, zien, horen, lezen en ervaren dan ooit tevoren. Ze zijn zodoende allemaal potentiële klanten voor leveranciers van hulp in het oerwoud der keuzes.
Bucketlist-isme vloeit voort uit een behoefte aan houvast van bevoorrechte mensen.
Het dwingende karakter – ‘dit mag je niet missen’ – onderscheidt lijsten van de lijstenindustrie van die uit het ‘prelijstenindustriële’ tijdperk.
In reisgidsen van honderd jaar geleden vind je ook tips en adviezen, maar die worden zelden ‘absolutistisch’ gepresenteerd. Aan hiërarchie doen de auteurs bijna nooit. Opvallend is hoe vaak ze hun eigen plan trekken, in plaats van de ‘top 10 attracties’ van andere auteurs te kopiëren. Waar reizigers van vroeger terechtkwamen, kon sterk afhangen van de schrijver van de gids waarmee ze op reis gingen.
Ik kreeg een kopie van een hoofdstukje uit een Baedeker-gids uit 1911 over mijn oude woonplaats Boekarest en was verrast door het ontbreken van een opsomming van wat je er moet doen. In zijn onlangs verschenen boek over de Wolga reist Michel Krielaars met een Baedeker-gids uit 1892 langs de rivier en komt op de meest onverwachte plekken terecht.
In 1931 introduceerde Michelin zijn sterrensysteem voor restaurants ook in zijn reisgidsen. Eén ster: interessant. Twee sterren: een omweg waard. Drie sterren: een reis waard. Een halve eeuw later was het al dringen bij de Mona Lisa en in de straten van Venetië.
In de tweede helft van de 20ste eeuw rukten sterrenwaarderingen ook op in muziek-, film- en literatuurgidsen. Maar in vergelijking met de honderd albums die je moet horen en de honderd plekken die je moet bezoeken voor je het loodje legt, zijn zulke gidsen nog toonbeelden van variatie en originaliteit.
Typisch voor oudere gidsen is een verrassingselement. Typisch voor moderne must-see-read-hear-do-lijsten is dat ze zo ontzettend vaak zo volkomen voor elkaar inwisselbaar zijn. Mensen die meer mogelijkheden hebben dan ooit tevoren, komen meer dan ooit bij precies hetzelfde uit. Bij het ene schilderij uit de vroege 16de eeuw verdringen ze zich en bij honderd andere uit dezelfde tijd staat helemaal niemand. De ene plaat uit 1973 heeft honderdduizend ratings en de andere niet eens duizend.
Kuddegedrag, trekpleisters en verkoopsuccessen zijn niet van vandaag of gisteren. Reizigers uit de 18de eeuw bezochten in Rome ook ‘echte trekpleisters’. We hebben dagboekschrijvers van een eeuw geleden die zich erover beklagen dat mensen op parkbankjes allemaal dezelfde boeken zitten te lezen, en constateren dat mensen kuddedieren zijn.
De Frans-Amerikaanse filosoof René Girard kwam midden vorige eeuw met het begrip mimetic desire, oftewel ‘nagebootste begeerte’, een verschijnsel dat hij op het spoor kwam in Prousts romancyclus Op zoek naar de verloren tijd. Daarin trof hij passages waaruit hij leerde dat begeerte niet zozeer wordt aangewakkerd door het object ervan, als wel door de gewildheid van dat object, door de hoeveelheid anderen die het óók begeert.
In de moderne tijd zijn begeerten meer dan ooit verbonden geraakt met het gedrag van anderen. In het moderne kapitalisme, zag Girard, worden voortdurend verlangens aangewakkerd met het etaleren van andermans verlangens. Hoe meer mensen in welstand leven, hoe belangrijker de hoevéélheid mensen die vindt dat iets ‘een must’ is.
Maar in de tijd dat Girard zijn theorie over mimetic desire lanceerde, stond de marketingindustrie nog in de kinderschoenen en waren technische mogelijkheden voor het rondpompen van ‘andermans verlangens’ nog beperkt.
In vergelijking met tegenwoordig waren de kuddes die ergens op af kwamen kleiner. Mensen lazen boeken omdat anderen in hun omgeving erover praatten, omdat invloedrijke boekhandelaren ermee wegliepen of omdat die boeken een schandaal hadden veroorzaakt waarover kranten schreven.
Oudere uitgevers vertellen zonder uitzondering dat ze amper vier decennia geleden hun geld nog verdienden met een heleboel auteurs die aardig verkochten. Tegenwoordig zijn enkele titels goed voor monsterverkopen en blijven vele andere onopgemerkt.
Het woord ‘monsterverkoop’ is, net als de industrie die werd opgetuigd om monsterverkopen te bewerkstelligen, amper een halve eeuw oud. Het woord ‘bestseller’ is ouder, maar bestsellers van onze tijd halen vele malen de verkoopcijfers van bestsellers van vroeger.
Dingen die vroeger de aandacht trokken, kun je zeggen, deden dat nog niet op zo’n overrompelende en repetitieve manier dat andere dingen in de strijd om de aandacht kansloos werden.
‘Kuddegedrag’ en ‘nagebootste begeerte’ kunnen door technische en commerciële innovatie worden versterkt met een factor honderd of honderdduizend. Dankzij de digitale revolutie wordt het overbekende en het succesvolle rondgepompt als nooit tevoren. Dat komt doordat algoritmen zijn gebaseerd op de keuzes van de mééste anderen.
Als René Girard nog had geleefd, had hij algoritmen ontmaskerd als agenten van de ‘nagebootste begeerte’. ChatGPT beantwoordt de vraag naar de betekenis van algoritmen voor mimetic desire als volgt: ‘Algoritmen en AI-gestuurde aanbevelingssystemen fungeren als moderne, snelle architecten van mimetisch verlangen – de psychologische neiging om te willen wat anderen willen – door feedbackloops te creëren waarin populariteit verdere interesse bepaalt.’
De komst van kunstmatige intelligentie heeft die ontwikkeling verder versterkt. ChatGPT en Gemini komen telkens opnieuw met precies dezelfde namen van precies dezelfde must-see-read-hear-do-lijsten en canons, met dank aan mensen van vlees en bloed die jarenlang met precies dezelfde must-see-read-hear-do-lijsten en canons kwamen.
Je hebt van die momenten dat iets ineens zonneklaar voor je is. Zo’n moment beleefde ik op mijn 15de.
Een van onze docenten Nederlands was een adept van een toenmalige canon van de Nederlandse literatuur. Na de les liep ik naar hem toe met een boek van een schrijver uit de tijd van Couperus die niet in die canon voorkwam, Nico van Suchtelen (1878-1949, hij vertaalde Goethe, Spinoza en Shakespeare, en schreef romans en gedichten).
Ik vroeg of ik Nico van Suchtelen op mijn lijst mocht zetten. Die docent sprak toen een zinnetje dat ik nooit ben vergeten: ‘Tja, dat is een vergeten auteur.’
Het inzicht dat toen bij mij indaalde, was dat de wereld veel te groot is voor lijsten van ‘waar het echt om gaat’ – dat in elke canon of definitieve lijst korte metten wordt gemaakt met de Grootheid van de Wereld.
Mooie boeken kunnen zomaar worden vergeten en auteurs kunnen de pech hebben de boot naar een canon te missen.
Het is een open deur: met elk decennium dat verstrijkt worden weer bergen namen van schrijvers, schilders, cineasten, acteurs en componisten aan de vergetelheid prijsgegeven.
Er zijn mensen die de rol van pech, toeval en willekeur op het tracé naar de vergetelheid uitvlakken, die weten dat de tijd weinig anders doet dan het kaf van het koren scheiden. We hadden vroeger een leraar Frans die ons het zinnetje la qualité s’impose bijbracht: kwaliteit dringt zich op, met wat echt waardevol is maken we vanzelf kennis.
Dat het scheiden van kaf en koren een arbitraire bezigheid is, blijkt alleen al uit het feit dat met grote regelmaat volkomen vergeten schrijvers, componisten, cineasten, artiesten en bands worden herontdekt.
Het werk van de Hongaarse schrijver Sándor Márai had ik nooit willen missen. Echter: als een Franse uitgever jaren na Márais dood niet met deze toen obscure naam aan de haal was gegaan, had ik net zomin als Europeanen in twintig andere taalgebieden ooit van hem gehoord.
In Nederland werden een paar jaar geleden honderdduizend exemplaren verkocht van de roman Stoner, van de in zijn tijd volkomen vergeten Amerikaanse auteur John Williams.
Adepten van la qualité s’impose weten dat zulke herontdekkingen niet toevallig zijn, dat sommige namen ooit wel herontdekt moesten worden. De verhalen achter grote herontdekkingen leren ons iets heel anders. ‘Herontdekkers’ vertellen vrijwel zonder uitzondering dat ze bij toeval op hun ontdekkingen stuitten, terwijl ze eigenlijk op zoek waren naar iets anders.
Veel mensen zijn bekend met de ervaring dat ze iets moois vinden terwijl ze eigenlijk op zoek zijn naar iets anders.
Life is what happens to you while you’re busy making other plans is een zinnetje van de Amerikaanse stiptekenaar Allen Saunders dat beroemd werd toen John Lennon het in het nummer Beautiful Boy stopte.
In het tijdperk van de lijstenindustrie kun je daar een variatie op maken: het leven is wat je toevalt terwijl je bezig bent een lijst af te werken. Of: je reis is wat je toevalt terwijl je bezig bent een bucketlist af te werken.
Het is bekend dat massa’s toeristen in India net als Jack Nicholson en Morgan Freeman naar de Taj Mahal gaan. Minder bekend is dat veel van de reizigers hun favoriete plekken in India ontdekken nadat ze ‘de Taj Mahal hebben gehad’ (een onthullende zegswijze).
In mijn boek De kunst van het missen schrijf ik over reizigers die hun mooiste herinneringen vaak bewaren aan plekken die ze eigenlijk hadden willen overslaan omdat geen enkele must-see-lijst er melding van maakte – of aan plekken waar ze volkomen per ongeluk terechtkwamen omdat ze de bus naar een bucketlistbestemming hadden gemist. Een vrouw die Tahiti op haar bucketlist had gezet, vond er helemaal niets van het tropische geluk waarop ze had geanticipeerd, maar werd daar wel gelukkig van twee prachtige reuzenschildpadden in de botanische tuin.
Het is geen toeval dat ‘de ultieme Amsterdamse bucketlist’ van Het Parool reacties opleverde van mensen die meldden dat hún dierbaarste plek of ervaring er niet in stond. Je kunt niet standaardiseren wat niet te standaardiseren valt.
De bucketlist van Het Parool gaat vergezeld van een wervende zin: ‘Welke van deze 101 Amsterdamse ervaringen kun jij afvinken en waar wil je nog naartoe?’
Maar lees die zin goed en je proeft al enigszins dat ‘afvinken’ geen plezier schenkt.
Mensen die in het Louvre staan te dringen om de Mona Lisa te kunnen afvinken, stralen ook nooit plezier uit.
De klassieke term voor het ontdekken van iets waarnaar we niet op zoek zijn is ‘serendipiteit’. De term komt uit het oude Perzische sprookje De drie prinsen van Serendip.
Die prinsen worden door hun vader op reis gestuurd om voor hem een tovergedicht te vinden dat de draken in de zee om zijn eiland voorgoed zal verjagen. Dat tovergedicht laat zich lastig vinden, maar de prinsen ontdekken ondertussen wel de mooiste dingen waar ze niet naar op zoek waren.
Het bekendste voorbeeld van serendipiteit is de ontdekking van penicilline. Het is fascinerend hoeveel mensen hun mooiste ontdekkingen nauwelijks minder per ongeluk deden dan Alexander Fleming, de Schotse microbioloog die per ongeluk zag dat er in de buurt van een bepaalde schimmel geen bacteriën groeiden.
De digitale revolutie had voor de serendipiteit een gouden tijdperk kunnen inluiden. Nog nooit was er zo veel zo gemakkelijk te zien, te lezen en te beluisteren. Het vergt vaak maar twee, drie of vier clicks om terecht te komen in werelden waarvan we in analoge tijden geen weet hadden.
Omdat ik vroeger veel tijd doorbracht boven platenbakken en mijn vriendenkring fanatieke muziekliefhebbers telt, dacht ik dat mij in mijn favoriete genres weinig was ontgaan. Toen begon de digitale revolutie en verschenen eindeloos veel onbekend gebleven albums online. Ik sta nog steeds versteld van hoeveel fantastische artiesten totaal obscuur konden blijven, en van al het toeval, alle doorgeefluiken en alle rare omwegen waardoor ik hun werk leerde kennen.
Zoals gevestigde media hun monopolie op informatie zijn kwijtgeraakt, zo zijn gevestigde culturele en toeristische autoriteiten hun monopolie kwijtgeraakt op canons, keuzes en aanbevelingen. Er zijn meer nichemarkten dan ooit tevoren.
Dat potentiële serendipisten online zo vaak de pas wordt afgesneden, komt doordat de digitale revolutie óók een gouden tijdperk heeft ingeluid voor de commerciële rondpompers van het meest geijkte.
Van Elvis Presley is een beroemde verzamelplaat met een titel waarin al wordt geanticipeerd op het tijdperk van de bucketlists en de algoritmen: 50.000.000 Elvis Fans Can’t Be Wrong.
Serendipisten weten dat vijfhonderd fans net zo goed kunnen zitten. Voorbij de must-see-read-hear-do-branche en de algoritmische hekken die worden opgetrokken, liggen de mooiste dingen gewoon voor het oprapen.
Naar aanleiding van het overlijden van Cees Nooteboom in februari rees de vraag wat de belangrijkste zin was die hij ooit neerpende. Ik pleit voor een regel waarin de schrijver zichzelf typeerde: ‘Het mannetje dat daar ook liep maar dat op het juiste moment de verkeerde kant opkeek.’
Het kan geen toeval zijn dat het woord serendip in het oud-Singalees ‘geluk’ betekent.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant