Home

Met alleen een verbod om in de vleessector met uitzendkrachten te werken, ben je er niet

is econoom en publicist.

Minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken memoreerde bij zijn aankondiging van een ‘uitzendverbod voor slachthuizen’, eerder deze maand, dat de sector al sinds 2011, vijftien jaar dus, uit en te na gewaarschuwd en gesommeerd is een beetje normaal om te gaan met de mensen die in de sector werken. Aangezien de talloze vermaningen, ‘bestuurlijke overleggen’, convenanten en wat dies meer zij onvoldoende soelaas hebben geboden, krijgt de sector nu dus een verbod aan de broek om nog met uitzendkrachten te werken. Dat klinkt als daadkrachtig beleid. Maar is het dat eigenlijk wel?

Vijlbrief is de eerste om, in zijn Kamerbrief, toe te geven dat een uitzendverbod ‘geen tovermiddel’ is. Maar hij put goede hoop uit een soortgelijke stap die in Duitsland is gezet en daar de arbeidsmisstanden heeft verminderd, en uit een ‘impactanalyse’ die van de maatregel is gemaakt door SEO Economisch Onderzoek. Laten we daar eens beter naar kijken.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen. Frank Kalshoven is econoom en publicist. Reageren? E-mail: frank@frankalshoven.nl

Wat gebeurt er, denken de SEO-onderzoekers, als het uitzendverbod van kracht wordt? Hoogstwaarschijnlijk nemen de slachthuizen de bestaande uitzendkrachten, nu twee op de drie werkenden in deze sector, voornamelijk arbeidsmigranten, dan in loondienst. Let wel: op tijdelijke contracten, met een beperkt aantal vaste uren, en met maximale flexibele inzet.

Heeft dat effect op de arbeidsomstandigheden in slachthuizen? Niet direct, denkt SEO, want die omstandigheden verschillen eigenlijk niet tussen uitzendkrachten en niet-uitzendkrachten. Er kan hooguit een indirect effect optreden, omdat de werkgever straks zelf voor de kosten opdraait van slechte arbeidsomstandigheden en ziekteverzuim, en het dus kan lonen om te investeren in betere werkomstandigheden.

Maar de maatregel heeft vermoedelijk wél effect op de misstanden waarmee uitzendkrachten al sinds jaar en dag worden geconfronteerd inzake huisvesting, onderbetaling, ontslag en zorg. Het ‘afschuiven’ van de verantwoordelijkheid hiervoor tussen uitzendbureau en werkgever behoort straks tot het verleden. Maar, waarschuwt SEO, ‘werkgevers zullen veel van de dienstverlening rond arbeidsmigranten blijven uitbesteden aan derden’. Denk bijvoorbeeld aan de werving en selectie en de huisvesting. Dus: ‘De kans op misstanden blijft bestaan.’ En de kans op afschuiven ook.

Heeft het uitzendverbod grote impact op de sector? De economen van SEO denken dat de arbeidskosten licht kunnen stijgen, en daarmee de productiekosten, waardoor de sector een pietsje kan gaan krimpen. ‘De krimp wordt ingeschat op hooguit enkele procenten.’

Zoals minister Vijlbrief al schreef: een uitzendverbod is geen wondermiddel. Maar het zou een pietsje kunnen helpen.

Maar één spade dieper ziet de zaak er toch heel anders uit. SEO brengt in herinnering dat de ruime meerderheid van alle geslachte dieren voor de export is bestemd. Varkens: 53 procent voor de export. Kuikens en kippen: 62 procent gaat naar het buitenland. Kalveren en runderen: 74 procent export. En SEO constateert ook dat slachthuizen een zeer beperkt winstgevende sector vormen.

In mijn woorden: we halen in Nederland arbeidsmigranten binnen (die we slecht behandelen, vandaar immers dat uitzendverbod) om varkens, kippen en koeien (die onder meer stankoverlast en broeikasgas- en stikstofuitstoot veroorzaken, en een groot beroep doen op de schaarse ruimte in Nederland) te slachten (waar we dus weinig aan verdienen) om het vlees vervolgens te exporteren. De economische term hiervoor is ‘mataglap’, oftewel knettergek.

Hoe zinvol het uitzendverbod ook mag zijn, het grotere economische verhaal is dat de vleessector in Nederland te groot is. Die omvang brengt onze economie, gezondheid en natuur veel nadelen en weinig voordelen. Waarom zouden we hiermee doorgaan?

Source: Volkskrant

Previous

Next