Odyssee Met Homerus’ Odyssee kun je alle kanten op, zo blijkt ook uit de film van Christopher Nolan. Van Rambo tot road-movie, van fantasy en scifi tot biopic en travelogue, van Romcom tot Bildingsroman. Soms lijkt het of de hele westerse cultuur uit dat ene boek is voortgekomen.
Odysseus ontsnapt aan de cycloop Polyphemus, ets uit de negentiende eeuw.
François Fénelon: De avonturen van Telemachus. Geschreven voor de opvoeding van de weledele hertog van Bourgondië door Fénelon, Aartsbisschop van Kamerijk. Vert. Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos. Boom, 432 blz. € 39,90
•
Homerus: Odyssee. Vert. M.A. Schwartz, herspeld en gemoderniseerd. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 320 blz. € 25,-
•
Elisa Pesapane: Odysseus en de verdronkenen en de geredden. Een mythologisch sprookje voor volwassen kinderen. Zoetzuur, 88 blz. € 38,50
•
Henry Power: Homer Haunted. The Many Afterlives of an Ancient Poet. Bloomsbury, 352 blz. € 31,15
•
Homer: The Odyssey. Translated, with an introduction and notes by Daniel Mendelsohn. University of Chicago Press, 560 blz. € 17,-
„Het verhaal van de Odyssee is in feite snel verteld”, schreef Aristoteles in zijn Poetica: „iemand is vele jaren van huis, wordt door Poseidon nauwlettend in de gaten gehouden, is alleen, terwijl thuis vrijers zijn bezit verbrassen en zijn zoon belagen. Uiteindelijk komt hij door stormen geteisterd thuis, maakt zich aan enkelen bekend, gaat in de aanval, doodt zijn vijanden en brengt het er zelf levend van af. Dat is de kern, al het andere is episodisch.”
Niettemin behoort complexiteit in meer dan één betekenis van de term tot de meest opmerkelijke eigenschappen van Homerus’ Odyssee, een epos dat nota bene bijna helemaal aan het begin van de literaire traditie van het Westen staat – bijna, want de Ilias was er al. In de eerste plaats werkt Homerus die simpele kern uit in drie delen: een proloog op Ithaka, waar Odysseus’ vrouw Penelope zich dapper maar met toenemende moeite verweert tegen de lokale aristocratie, die zich van het bezit van de afwezige koning meester wil maken door met haar te trouwen, en een reis van hun zoon Telemachus naar voormalige Griekse strijdmakkers van zijn vader voor Troje om te weten te komen of hij nog leeft. Dan volgt een centrale midden-sectie op het eiland Scheria van de mysterieuze Phaiaken, waar Odysseus is aangespoeld nadat hij al zijn schepen, bezittingen en makkers is kwijtgeraakt en waar hij zijn zwerftochten na de val van Troje in de eerste persoon beschrijft aan het hof. En tot slot is er een afsluitende sectie, opnieuw op Ithaka, waar hij in vermomming is geland en gruwelijk wraak neemt. Zo ontstaat een complexe raamvertelling in drie genres: een psychologische Bildungsroman, een reeks fantastische vertellingen in de ik-vorm, en een bloedig oorlogsnarratief in de schildering van Odysseus’ wraak.
Die narratieve diversiteit heeft de Odyssee tot een unieke artistieke inspiratiebron gemaakt die ook vandaag nog stroomt, van Rambo tot roadmovie, van fantasy tot scifi, van biopic tot travelogue, van romcom tot Bildingsroman. Soms lijkt het alsof de hele westerse cultuur uit de Odyssee is voortgekomen. Die vitaliteit blijkt niet alleen uit de blockbuster van Christopher Nolan, maar ook uit een gestage stroom van nieuwe vertalingen, bewerkingen en andere publicaties.
En naast de veelzijdigheid van de Odyssee staat de complexiteit van de tekst, maar ook van de personages. Letterlijk in vers één karakteriseert Homerus zijn held met een woord als een rode vlag als polytropon, ‘wendingrijk’, maar ook ‘met vele vaardigheden of streken’, zo veelzijdig kortom dat nog geen vertaler een enkelvoudige oplossing voor dat woord heeft gevonden. Van de meest recente die ik zag is ‘complicated’ (Emily Wilson) te gezocht, ‘who had so many roundabout ways’ (Daniel Mendelsohn) te woordrijk, ‘de slimme held’ (Rob Zweedijk, vrij naar M.A. Schwartz) te plat.
Juist zijn ongrijpbaarheid houdt Odysseus in leven, in het verhaal waarmee hij er het vege lijf mee redt en in zijn voortleven. Want doordat hij zelf niet voor één gat te vangen is, hebben inmiddels waarschijnlijk miljoenen, eerst luisteraars, daarna lezers, denkers, schrijvers en kunstenaars hemzelf en zijn reis ‘ingevuld’ met hun eigen accenten.
Met name in de anglofone wereld wordt over die diverse receptie veel en op hoog niveau gepubliceerd. De uitstekende nieuwe vertaling van de Odyssee van Daniel Mendelsohn bevat een op dit terrein zeer instructieve inleiding. Daarnaast verscheen onlangs een voortreffelijke verzameling essays van Henry Power met casestudies van de Homerus-receptie in de Engelse poëzie vanaf de Renaissance.
In zekere zin maakt dus juist Odysseus’ veelzijdigheid hem ‘van iedereen’, en ieder die in al die invullingen, aanvullingen, en bewerkingen een nieuw en origineel aspect aanboort, verrijkt daarmee de lange traditie van interpretaties en doet de veelzijdige held eer aan. Gek genoeg geldt daarbij vaak ‘hoe vrijer hoe beter’, zoals in een fascinerende recente reactie op de Odyssee van kunstenares Elisa Pesapane in haar boek Odysseus en de verdronkenen en de geredden.
Pesapane is beeldend kunstenares en als half-Italiaanse vergroeid met de klassieke traditie. Maar juist daarom laat ze zich daardoor niet verstikken. Integendeel, met een enorm verfrissende spontaniteit, lukt het haar om de Odyssee letterlijk als springplank te gebruiken voor een verhaal waarin de Homerische tekst slechts functioneert als een ideeënmachine die inspireert omdat hij anderen geïnspireerd heeft. Haar Odysseus is een jongetje dat met zijn broertje een gevaarlijke tocht naar een verloren mensheid onderneemt, die eindigt op een camping met de zuilen van Hercules. Niet in de eerste plaats dat verhaal, maar haar briljante tekeningen illustreren Pesapanes vermogen om het ene in het andere te zien: de antieke tekst in haar eigen reizen en ervaringen te herkennen, en zo haar visioenen poëtisch kracht te verlenen.
Anderzijds kan de confrontatie met het antieke ‘origineel’ ook wrijving veroorzaken. Bijvoorbeeld wanneer, ondanks alle diversiteit en complexiteit, de Odyssee halsstarrig blijft weigeren te zeggen wat de bewerker wil dat er staat. Een curieus geval hiervan is een van de meest invloedrijke romans van de achttiende eeuw, nu voor het eerst in het Nederlands vertaald: Les Aventures de Télémaque van François Fénelon.
De auteur was huisleraar van de kleinzoon van Lodewijk XIV. De classicistische opvoeding van die tijd stond traditioneel onder auspiciën van Apollo en Athene, en naast de Zonnekoning wilde Fénelon maar al te graag de Athene spelen. In de Odyssee is die niet alleen beschermgodin van Odysseus, maar ook, in de vermomming van ene Mentor (vandaar ons gebruik van dat woord) adviseur en vertrouweling van Telemachus op zijn reizen.
Fénelon schreef daarom een vorstenspiegel voor de jonge hertog van Bourgondië met een Mentor onmiskenbaar in de rol van de vorstelijke précepteur Fénelon en Telemachus in die van diens pupil. Voor dit duo verzint hij een enorme reeks avontuurlijke reizen, die zich afspelen in de tijd tussen Telemachus’ vertrek uit Pylos en zijn aankomst terug op Ithaka, en zo kunstig in het kader van de Odyssee kunnen worden gevouwen. Waarmee hij twee vliegen in één klap sloeg: ruimte voor zijn eigen verhaal creëren, en afstand van Odysseus nemen, die met zijn onverbloemde wraakzucht bij de vrijermoord, en even onverbloemde liefdesspel buiten het huwelijk niet bepaald een ideale spiegel voor de vorst in spe was.
Helaas voor Fénelon vonden juist die eigenschappen wel degelijk een spiegel in het gedrag van de zonnekoning, maar niet een waarin Lodewijk graag wilde kijken. Fénelon werd verbannen van het hof, en sleet zijn laatste dagen als aartsbisschop van Kamerijk, in de verte turend naar Parijs als Odysseus bij Calypso naar Ithaka.
Maar wie Homerus alleen als spreekbuis gebruikt voor een eigen boodschap aan een eigen publiek, vooral wanneer die boodschap zich moeilijk met de oorspronkelijke laat verenigen, zet zijn eigen zeggingskracht op het spel. Zoals vrijwel alle classicisten lukt het alleen met behulp van een adembenemende dwangbuis om de christelijke code van deugd, vroomheid, matigheid en vooral humilitas (nederigheid) te passen in het harnas van de Homerische helden.
Dat harnas is vrij van sentimentaliteit, en doet je beseffen dat het, zo lang wij geen Olympische goden zonder dood en rampspoed zijn, hier op aarde gebeuren moet om tot dat kleine beetje geluk te komen dat ons misschien gegund wordt, en daarom des te meer welkom is. De classicistische wet van poëtische rechtvaardigheid die het kwade straft en het goede beloont en die ook Fénelon onderschrijft, voorkomt dat zijn Télémaque echt van de grond komt.
Wat kunnen Odysseus en zijn Odyssee vandaag voor ons nog betekenen? Iedereen die zich met het antieke meesterwerk verstaat, geeft daarop een antwoord. De bioscoopbezoeker kan nu zelf ervaren hoe Christopher Nolan daarover denkt. Het antwoord lijkt: leef mee, word geschokt, en word zo een beter mens. Wie zich aan zijn The Odyssey overgeeft wordt daarom eerst omhuld en verpletterd door een muur van stampende subwoofers, die de kijker midden tussen de moordende en brandstichtende Grieken in Troje neerzetten of in de holle echo van het houten paard. Ook verzwelgen ze ons bijna door de maalstroom van Charybdis, die ons ternauwernood laat ontsnappen aan graaiende reuzenhanden van het afschuwelijke monster, de Cycloop. Kortom, ze geven ons het gevoel dat we zelf beleven wat Odysseus beleefde.
Het probleem daarbij is niet dat de spectaculaire verbeelding van de afgrijselijke monsters op Odysseus’ zwerftochten veel meer tijd en ruimte claimt dan in het epos zelf, of dat de inname van Troje nauwelijks in de Odyssee wordt beschreven (en evenmin in de Ilias). De meest memorabele sectie van Nolans film is in feite gebaseerd op de Aeneis van Vergilius, waarin die inname wel, als ooggetuigenverslag van Aeneas, wordt beschreven. Op zich is daar niets mis mee: bijna elk werk uit de canon incorporeert meerdere andere canonieke werken. Ook Fénelon put rijkelijk uit andere bronnen dan de Odyssee, zoals Vergilius, Ovidius, Apuleius en vooral Ariosto en Tasso.
Het probleem is dat de film de onopgeloste raadsels in Odysseus niet genoeg naar voren laat komen. Voor de verhalen die Odysseus bij de Phaiaken vertelt over zijn spectaculaire avonturen met de Cycloop, de Sirenen, zijn consultatie van de schimmen van de Onderwerld, Scylla en Charybdis, hebben we immers alleen maar zijn woord. En als uit de andere situaties waarin Homerus hem beschrijft iets blijkt, is dat hij een pathologische leugenaar is. Of hij nu een monster tegenkomt, of zijn vrouw, zoon, vader of trouwste dienaar, zijn eerste impuls is leugens vertellen. Zelfs zijn beschermgodin Athene vertelt hij een broodje aap als ze hem, toegegeven in vermomming, op Ithaka na twintig jaar verwelkomt. Over de vraag of zijn held een held is, laat Nolan geen twijfel bestaan: een held met wroeging over waar hij deel van was, dat wel, maar een held niettemin.
Dat wordt mede veroorzaakt door het volledig weglaten van de episode bij de Phaiaken, waarin Homerus een (zelf)portret van een epische zanger in actie naast Odysseus’ verhalen zet, en zo de problematische relatie tussen kunst en werkelijkheid thematiseert. Door die wezenlijke ambivalentie weg te laten wordt Nolans film vooral een vecht- en avonturenfilm met Hollywoodslot en gaat die, net zoals Fénelon, te gronde aan het zich aanpassen aan de smaak van de eigen tijd. Veelzijdig en gelaagd is zijn Odysseus allerminst (al doet Matt Damon nog zo zijn best, ondoorzichtig wordt hij nooit). De moraal, zelfs het discours over herinnering is – in tegenstelling tot wat je zou verwachten van de regisseur van Memento en Inception – inderdaad, te plat, niet veelzijdig genoeg: Odysseus was een goede vechtersbaas, maar ziet uiteindelijk dat hij voor de verkeerde zaak vocht.
En wat had Nolan niet kunnen doen met invalshoeken die een hedendaagse lezer in de Odyssee zou herkennen: gastvrijheid in een wereld zonder grenzen, als ultieme uitdrukking van een gedeelde beschaving bijvoorbeeld. Of het portret van een ‘man’ (het eerste woord) geschetst aan de hand van een reeks eigenlijk nog fijner getekende vrouwenportretten. Of de vraag hoeveel matiging Odysseus’ onstilbare honger naar kennis nodig heeft om houdbaar te blijven. Of dat de Odyssee zo ongehoord grappig is. Of de waarde van ons vermogen om ons leven en de dilemma’s ervan te verbeelden in de kunst om er zo eerlijker naar te kunnen kijken.