We kijken veel naar cijfers, toetsen, slagingspercentages en rapportages. Maar goed onderwijs gaat verder dan wat we gemakkelijk kunnen meten.
De vakantie is begonnen. Dat betekent dat weer ongeveer 80 duizend havo- en vwo-leerlingen aan een nieuwe fase in hun leven beginnen. Daar ben ik er één van. De tweede wet van Newton toepassen, de diepere betekenis van de werken van Shakespeare begrijpen of logaritmische functies oplossen? Ik kan het inmiddels allemaal.
Daarmee voldoe ik volgens het examenreglement aan alle eisen en ben ik, kijkend naar de manier waarop we onderwijs vaak beoordelen, een geslaagde leerling. Dat is prettig, want de staat van het Nederlandse onderwijs staat al jaren onder druk. De Inspectie van het Onderwijs waarschuwt in ‘De Staat van het Onderwijs’ dat de kwaliteit van het onderwijs zorgen baart en dat vooral basisvaardigheden zoals taal en rekenen aandacht nodig blijven hebben.
Over de auteur
Max Soeters (19) is bestuursvoorzitter van Stichting Jong Beslist.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
De zorgen zijn niet uit de lucht gegrepen. Nederlandse leerlingen laten in verschillende internationale onderzoeken een achteruitgang zien, bijvoorbeeld op het gebied van leesvaardigheid. Ook op het gebied van rekenen en wiskunde blijven de prestaties een belangrijk onderwerp van discussie. Met enige regelmaat luiden onderzoekers en onderwijsexperts de noodklok.
De logische reactie daarop is dat we meer aandacht besteden aan meetbare resultaten. Meer aandacht voor taal, rekenen, examens en toetskwaliteit. En dat is ook terecht. Een leerling moet kunnen lezen, schrijven en rekenen om mee te kunnen doen in de maatschappij.
Toch durf ik te betwisten dat dit het hele verhaal vertelt.
Met mijn vwo-diploma voldoe ik volgens de huidige maatstaven aan veel kenmerken van goed onderwijs. Mijn kennis is op orde, ik kreeg les van bevoegde en betrokken docenten en mijn school heeft jarenlang goede resultaten behaald. Op papier ben ik dus uitstekend voorbereid op de toekomst.
Maar maken we de lat waarlangs we meten wat goed onderwijs is niet veel te smal?
Want met mijn vwo-diploma stap ik niet alleen een vervolgopleiding binnen. Ik stap vooral de samenleving in. En juist daar voel ik soms een gat. Ik heb nooit geleerd hoe ik zorgtoeslag moet aanvragen, hoe ik een arbeidscontract moet lezen, hoe ik moet omgaan met rouw en verlies, hoe stemmen in een stemlokaal werkt of hoe ik eerste hulp moet verlenen bij een ernstig ongeval.
Natuurlijk hoeft school niet iedere praktische levensles over te nemen. Ouders, familie en de samenleving hebben daar ook een rol in. Maar onderwijs heeft wel een unieke positie: bijna iedere jongere zit er jarenlang. Juist daardoor is school een plek waar we iedere leerling een gemeenschappelijke basis kunnen meegeven.
Dat sluit ook aan bij de bredere opdracht die het onderwijs volgens de overheid en de Inspectie heeft. Onderwijs gaat niet alleen over kennisoverdracht, maar ook over burgerschap: leerlingen voorbereiden op deelname aan de samenleving, kennis laten maken met de democratische rechtsstaat en sociale en maatschappelijke vaardigheden ontwikkelen.
Toch blijkt juist daar nog ruimte voor verbetering te zijn. De Inspectie schrijft dat veel scholen worstelen met burgerschapsonderwijs en dat de burgerschapskennis van leerlingen tekortschiet. Volgens de Inspectie is het juist in een veranderende wereld belangrijk dat jongeren weerbaar en toekomstbestendig worden opgeleid.
Daarmee verliezen we naar mijn idee de essentie van onderwijs soms een beetje uit het oog. We kijken veel naar cijfers, toetsen, slagingspercentages en rapportages. Maar goed onderwijs gaat verder dan wat we gemakkelijk kunnen meten.
Goed onderwijs gaat ook over het afleveren van nieuwsgierige, kritische en betrokken burgers. Mensen die begrijpen hoe de samenleving werkt, die zelfstandig keuzes kunnen maken en die verantwoordelijkheid kunnen nemen voor zichzelf en anderen.
Juist daar speelt ook kansengelijkheid een belangrijke rol. De leerling die thuis leert hoe belastingen werken, hoe je een goede administratie moet bijhouden of hoe je goede financiële keuzes maakt, begint met een voorsprong. De leerling die deze kennis thuis minder meekrijgt, moet het later zelf uitzoeken. Door deze onderwerpen op school te behandelen, kan onderwijs juist verschillen kleiner maken.
Ik begrijp dat scholen voor grote uitdagingen staan. Lerarentekorten, volle lesprogramma’s en een hoge toetsdruk maken het niet eenvoudig om nieuwe onderwerpen toe te voegen. Maar misschien moeten we daarom juist opnieuw nadenken over wat we verstaan onder goed onderwijs.
Want uiteindelijk is de belangrijkste vraag niet alleen hoeveel een leerling weet op het moment dat die zijn diploma krijgt.
De vraag is ook: hoe goed is die leerling voorbereid op het leven daarna?
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant