Home

Hoe klinkt een instrument uit de tijd van Rembrandt? In het Kunstmuseum Den Haag worden historische blaasinstrumenten weer wakker gekust

In Base Line – Music Meets Art van het Kunstmuseum Den Haag zijn niet alleen zeldzame muziekinstrumenten te zien, maar kunnen hun soms al eeuwenoude klanken zelf worden ervaren. De Volkskrant kijkt mee met de deskundigen die de collectie opnieuw laten klinken.

is kunstverslaggever van de Volkskrant

In Base Line – Music Meets Art van het Kunstmuseum Den Haag zijn niet alleen zeldzame muziekinstrumenten te zien, maar kunnen hun soms al eeuwenoude klanken zelf worden ervaren. De Volkskrant kijkt mee met de deskundigen die de collectie opnieuw laten klinken.

is kunstverslaggever van de Volkskrant

Liefdevol pakt Inês d’Avena (42) de barokke altblokfluit op die ze zo dadelijk twee minuten gaat bespelen. Gemaakt van bruin buxushout steekt hij op het eerste gezicht wat gewoontjes af tegen de andere zeldzame blokfluiten die voor haar uit het depot van het Kunstmuseum Den Haag zijn gehaald.

Een daarvan is rondom bekleed met het gevlekte pantser van een schildpad. Een andere is gemaakt van ivoor: de fluit is driehonderd jaar geleden uit een olifantentand gezaagd, gevijld en geboord.

Maar schijn bedriegt. De alt die blokfluitist en onderzoeker D’Avena vasthoudt, is gemaakt door niemand minder dan Engelbert Terton, de Overijsselse meesterbouwer die aan het begin van de 18de eeuw atelier hield in Amsterdam.

Inês d’Avena, hoofddocent blokfluit aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, bespeelt de Terton-alt.

Inês d’Avena bestudeert de ivoren altfluit.

Haar ogen glijden over het mondstuk en de vingergaten. De staat van de fluit is uitzonderlijk goed: ze ziet geen sporen van reparaties, zoals met veel muziekinstrumenten het geval is die in de loop der eeuwen wel bespeeld zijn gebleven. Ook zitten er in het hout geen zichtbare barsten of scheuren. Glunderend: ‘Hier kun je nog op blazen.’

Ze haalt adem, zet aan en vult de lege studieruimte van het monumentale Haagse museumgebouw van architect H.P. Berlage met een eerste noot: een lang aangehouden lage a.

Herontdekking verzameling

Het Kunstmuseum – vermaard om de grootste collectie schilderijen van Piet Mondriaan ter wereld, inclusief het muzikale Victory Boogie Woogie – is volop bezig met een herontdekking van zijn enorme verzameling muziekinstrumenten. Het heeft er ruwweg vierduizend, afkomstig uit vele eeuwen en de hele wereld. De verzameling was buiten een kring van kenners in de vergetelheid geraakt. Sinds 2004 is ze nauwelijks meer te zien geweest, omdat opeenvolgende directies de muziekcollectie een fremdkörper vonden in een instelling voor beeldende kunst.

Tijden veranderen. Ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag heeft het Kunstmuseum voor het eerst in meer dan twintig jaar weer tientallen muziekinstrumenten naar de zaal gebracht in de speelse expositie Base Line Music Meets Art. Klassiekers als Nederlandse violen uit de tijd van Rembrandt en een uitgebreid gamelanorkest uit Indonesië staan er naast een theremin uit 1930 – de mysterieuze oersynthesizer waarop de Russische ontdekker Léon Theremin vlak voor zijn dood in 1993 zelf nog in Den Haag speelde.

Bijzondere draai

Maar het museum geeft een bijzondere draai aan de collectie om het ‘Sneeuwwitje-effect’ weg te nemen, zoals conservator Caro Verbeek (46) het noemt. Zoals zij voor dood in een glazen kist lag, liggen muziekinstrumenten in een museum zielloos ‘zonder te ademen achter glas’. Want ja, een viool, luit of spleettrommel kan er best indrukwekkend uitzien, met zijn verfijnd houtsnijwerk, schitterende lak of sierlijke vormen. Het instrument toont zijn wezen pas als je erop strijkt, slaat of tokkelt en zijn klank de ruimte vult.

Alleen zijn oude instrumenten kwetsbaar, en bespelen kan hun conditie verslechteren. Vochtige adem werkt in op het hout, aanrakingen met de vingers leiden tot slijtage. Om ze ook voor toekomstige generaties in goede staat te houden, moeten ze volgens richtlijnen van de VN-erfgoedorganisatie Unesco niet zomaar uit het niets weer uitgebreid worden bespeeld.

Om de muziekcollectie toch wakker te kussen werkt het Kunstmuseum samen met musicus Itai Weissman (41), die een reputatie aan het opbouwen is als restaurateur van de klank van museale blaasinstrumenten. Hij neemt er korte samples van op en maakt daar nieuwe muziek mee waarin het instrument tot leven komt. De plaat die hij opnam met een traverso (een vroege dwarsfluit) uit het Amsterdamse Rijksmuseum, kreeg vorig jaar als ‘muzikale tovertuin’ vier sterren in de Volkskrant.

Kennismaking met de altblokfluit

Als Inês d’Avena in de studieruimte van het museum de eerste a op de altblokfluit van Terton speelt, zit Weissman tegenover haar. Op zijn laptop volgt hij hoe het klankspectrum eruitziet van de tonen die hij aan het opnemen is. Intussen volgt Verbeek op een stopwatch hoe twee minuten verstrijken.

De lage a is een noot op de altblokfluit die makkelijk aanspreekt en daarom geschikt als eerste kennismaking met een nieuw instrument. Daarna speelt D’Avena, hoofddocent blokfluit aan het Koninklijk Conservatorium, een stijgende toonladder.

Het hout went langzaam aan de warmte van de uitgeblazen adem. Noot voor noot ontvouwt zich een ronde klank, die de niet-luidruchtige aanwezigheid heeft die de blokfluit eigen is. Het is een instrument uit de pre-industriële tijd, toen het leven een ander volume had. In de laatste seconden verkent D’Avena ook nog even het laagste register van de fluit, dat altijd wat langer moet acclimatiseren om tot leven te komen.

Nieuwe kijk op de collectie

De muziekcollectie van het Kunstmuseum was vanuit zijn oorsprong aan het eind van de 19de eeuw nogal academisch van aard. Net als een natuurhistorisch museum de evolutie van aap tot mens op een rij zet, wilde de Haagse collectie tonen hoe een bamboefluit met een paar vingergaten stapsgewijs is uitgegroeid tot een baritonsaxofoon. De niet-westerse instrumenten golden dan vaak als voorlopers van de meer ‘beschaafde’ instrumenten uit de westerse klassieke muziek.

De kijk van Verbeek op de collectie is totaal anders. Ze is gefascineerd door het zintuiglijke van het maken en ervaren van kunst. Het museum is voor haar veel meer dan een galerij met kijketalages. Kunstenaars gebruiken niet alleen hun ogen tijdens hun werk, maar ook hun oren, neus en tastzin. Ook wie rondloopt in zalen vol schilderijen hoort, ruikt en voelt, en een bezoek aan een museum is daarom net zo rijk aan zintuiglijke waarnemingen als het leven zelf.

Haar kennis daarvan doet ze als conservator op in onderzoek naar Piet Mondriaan, van wie bekend is dat hij hield van de boogiewoogie. Zijn tijdgenoten waren daarnaast niet alleen door de kracht van kleur gefascineerd, ook de kracht van geur had hun belangstelling. Vlak voordat ze bij het Kunstmuseum aan de slag ging, schreef Verbeek er aan de Universiteit van Amsterdam haar in academische kring baanbrekende proefschrift over: Ruiken aan de tijd de olfactorische dimensie van het futurisme (2020).

Toen het plan op tafel kwam om met een tentoonstelling stil te staan bij het 200-jarig jubileum van het oudste conservatorium van Nederland was dat een kolfje naar haar hand als zintuigexpert. Ooit had het Kunstmuseum vier conservatoren voor de muziekcollectie in dienst, maar de laatste van hen was vijftien jaar geleden met pensioen gegaan.

Methode komt tot bloei

Vroeg in de tentoonstelling komt Verbeeks methode in een donkere ruimte tot bloei. Twee topstukken liggen daar sprookjesachtig uitgelicht in een oude vitrine van Berlage: een 17de-eeuwse hobo van de Amsterdamse bouwer Richard Haka en een van de zeldzame 19de-eeuwse Franse dwarsfluiten van kristalglas van Claude Laurent, die zich indertijd ook in de belangstelling van keizer Napoleon mochten verheugen.

Als de sensatie van de entree in een schatkamer wat is weggeëbd, dringt in de ruimte langzaam een zwierig duet door. Haka and Laurent Conversing in the Skies (2025) van Itai Weissman klinkt uit luidsprekers, die verdekt in de duisternis hangen. De fluwelen klank van de twee museumstukken verrast, voor wie de scherpe en schelle kanten van de moderne hobo en dwarsfluit kent.

Anders dan hun moderne opvolgers hebben de oude hobo en dwarsfluit nog veel vingergaten en maar weinig metalen kleppen. Sterker nog, de Haka-hobo is een van de eerste hobo’s die aan het uiteinde kleppen heeft als een soort verlengstuk van de pink: de bespeler kan gaten dichten die anders niet bereikbaar waren. Later zou een labyrint van kleppen talloos veel meer grepen en toonhoogten voor blazers mogelijk maken.

Oorspronkelijke bereik herschapen

Twee musici, Ofer Frenkel en Kate Clarke, hebben de Haka-hobo en de Laurent-dwarsfluit vorig jaar kort bespeeld in het Kunstmuseum. Weissman maakte opnames en heeft de tonen als computerbestanden in een synthesizer opgeslagen. Op basis daarvan heeft hij met muzieksoftware het oorspronkelijke bereik van de hobo en de dwarsfluit herschapen.

Het is het begin van een project om een archief met opnames toe te voegen aan de instrumentencollectie. De klank blijft dan ook in de toekomst beschikbaar en wie dat wil, kan er zelf mee aan de slag zonder dat er opnieuw op het instrument hoeft te worden gespeeld. Het is enigszins vergelijkbaar met het toegankelijk maken van kwetsbare middeleeuwse handschriften: die moeten zo min mogelijk worden opengeslagen, maar kunnen dankzij goede fotoscans toch voor iedereen te lezen zijn.

Musici bespelen samples meestal via een synthesizer met een pianoklavier, maar Weissman brengt ze tot klinken via de EWI (‘electronic wind instrument’), een kunststof saxofoonachtig apparaat dat is uitgevonden in de jaren zeventig. Als hij daar een a op blaast, kan hij kiezen van welk instrument hij de a wil laten horen. Door te blazen krijgt een gesampelde fluitmelodie een veel natuurlijkere frasering dan wanneer die wordt gespeeld op een klavier. Zo kon hij de Haka-hobo en Laurent-fluit een minutenlang duet laten aangaan.

21ste-eeuwse manier van cureren

‘Zintuiglijk opstellen is een 21ste-eeuwse manier om een tentoonstelling te cureren’, zegt Verbeek. ‘Het daagt bezoekers uit zelf te ervaren. Als je bijvoorbeeld de nadruk legt op de ontwikkeling in de kunstgeschiedenis, dan leg je een sjabloon op. Je gaat dan vanzelf zaken of disciplines ordenen en van elkaar scheiden, terwijl we de wereld niet ervaren als in hokjes ingedeeld.’

Bij de abstracte schilderkunst van Wassily Kandinsky uit de vroege 20ste eeuw laat ze op zaal de atonale muziek van Arnold Schönberg horen die hem inspireerde. ‘Het was een oude wens van me. Meestal staat op een uitlegbord het verband tussen de twee kunstenaars uitgelegd. Maar nu kun je het ter plekke ondergaan.’

Daarnaast nodigt het museum bezoekers uit zelf een paar passen te zetten in een zaal waar ook curieuze dansmeesterviolen liggen uit de 18de en 19de eeuw – instrumenten op zakformaat die bestemd waren om privédansles te begeleiden. De beweging in het lijf voelen is de sensatie van dans beter begrijpen.

Met de recentste aankoop voor de muziekcollectie mag je ook zelf aan de slag: de stevige Majmaa (2024) van de pas in Eindhoven afgestudeerde ontwerper Dina Lebbar is een synthesizer die oogt als een lage, ronde Marokkaanse eettafel. In het houten blad zijn metalen elementen verwerkt en als je die aanraakt, zijn klanken van traditionele instrumenten te horen. Met frases van de Arabische luit en trommelritmes kunnen bezoekers samen muziek maken. Het is kijken, voelen en luisteren tegelijk.

Depot vol verstilde stemmen

De kunstopslag waar de instrumenten uit tevoorschijn zijn gekomen was voor Verbeek niet zozeer een uitstalling van de muziekgeschiedenis, maar ‘een depot vol verstilde stemmen’. In de lift naar de onderaardse gangen vertelt ze dat ze de depotruimtes betreedt met eerbied voor de tradities waar de instrumenten mee verbonden zijn.

Hardop spreekt ze tegen de buiten-Europese instrumenten uit wat ze in hun opslagruimte komt doen – een aanpak die ze leerde van haar collega Adjoa Kpeto, die workshops voor scholieren in het Kunstmuseum leidt. Want de blaas-, snaar- en slaginstrumenten liggen daar dan wel als inventarisnummers in stellingkasten, in hun tradities van herkomst zijn het vaak spirituele voorwerpen die deel uitmaken van een bezield verband tussen mensen, dieren en dingen.

Later ontstond ook het idee om de Haagse kunstenaar Farah Rahman een ‘verbindend ritueel’ te laten uitvoeren voordat de instrumenten voor het eerst in een kwarteeuw weer aan het publiek verschenen. Na in 2022 de master ArtScience te hebben voltooid, een interdisciplinaire studie aan het conservatorium en de kunstacademie in Den Haag, vond Rahman haar pad met visuele kunst en rituelen. Ze maakt er ‘geur-scapes’ voor met eigen ‘wierookcomposities’ en vestigt de aandacht op de medicinale kracht van planten.

Blauwsel bad

Het verzoek van Verbeek sprak haar aan, omdat veel muziekinstrumenten zijn gemaakt van hout en andere organische materialen. Ze maken deel uit van de natuur. ‘De spirits van de planten zitten nog steeds in de muziekinstrumenten’, zegt Rahman, die familiebanden met Suriname heeft. ‘Ze bespelen is die ziel ontmoeten. Zo’n sjamanistische beleving was in Europa ook normaal voor de komst van de grote religies.’

Even dacht ze aan een reinigingsritueel met wierook, maar dat was wegens brandgevaar onmogelijk. Toen herinnerde Rahman zich het ‘blauwsel bad’, dat haar moeder haar als baby gaf in een Surinaamse traditie om kinderen te beschermen tegen het boze oog. Het kreeg zijn blauwe kleur van de indigofera-plant, waar plantages in de Cariben vol mee stonden en spijkerbroeken hun kleur van krijgen. De kleur blauw absorbeert negatieve energie, vertelde een wintipriesteres Rahman tijdens haar artistieke onderzoek.

‘We deden de lichten in het depot uit en beschenen toen de buiten-Europese instrumenten een voor een met blauw licht’, zegt Rahman. ‘Terwijl we een mantra zongen om de zwaarte uit het verleden weg te nemen.’

Geluidsbibliotheek

Het kunnen horen van ‘instrumenten met zo’n leeftijd’ is elke keer weer een openbaring, zegt Itai Weissman, die in Israël is geboren en begin deze eeuw naar Amsterdam kwam om jazzsaxofoon te studeren. Al twintig jaar verzamelde hij samples van blaasinstrumenten toen hij in 2024 in het Rijksmuseum de traverso van Richard Haka zag liggen. ‘Ineens dacht ik dat het bijzonder zou zijn om die klank ook in mijn geluidsbibliotheek te hebben, naast die uit Afrika en Azië.’

De muziekinstrumentenconservator van het Rijks, Giovanni Paolo Di Stefano, was enthousiast en de samenwerking leidde tot het album Soundfont 1: The Richard Haka Flute. Het bracht van alles aan het rollen. In zijn bibliotheek zitten nu 25 museale instrumenten, die hij aan iedere geïnteresseerde ter beschikking stelt. Hij benadrukt daarbij dat samplen een ‘tussenoplossing’ is. ‘Het is de dichtst mogelijke benadering van de klank. Het is toch waardevol omdat normaal spelen op de instrumenten om begrijpelijke redenen niet meer mag.’

Als de twee minuten aan opname in de studieruimte van het Kunstmuseum voorbij zijn, vraagt Verbeek hoe het is om op de altfluit van Terton te spelen. ‘Opwindender dan dit wordt het niet’, zegt een opgetogen D’Avena, die is geboren in Brazilië en begin deze eeuw naar Den Haag verhuisde om blokfluit en oude muziek te studeren. ‘Je moet mijn hart hebben horen bonzen.’

In de privécollectie van de legendarische Nederlandse blokfluitist en pionier van de authentieke uitvoeringspraktijk Frans Brüggen zat ook een Terton-alt. Maar die is niet meer origineel te noemen, omdat Brüggen die veel bespeelde en repareerde.

Bespeelkennis

De originele instrumenten zijn voor D’Avena ‘geluidsdocumenten’ in haar onderzoek naar hoe musici in de 17de eeuw of 18de eeuw speelden. ‘We hebben veel geschreven bronnen over speeltechniek, maar niet alle kennis kun je met woorden overdragen. Van het bespelen van een instrument hebben musici ook lichamelijke kennis: een gevoel dat je niet 100 procent kunt beschrijven. Door in contact te zijn met een instrument uit vroegere eeuwen verrijk je die kennis.’

Inês d’Avena bestudeert samen met haar studenten een versierde altfluit.

Het is een nieuw inzicht voor Verbeek. ‘De tast is misschien wel het moeilijkste zintuig om in een museum aan bezoekers over te dragen. Ik had niet in de gaten dat behalve de klank ook ‘bespeelkennis’ verloren gaat als je instrumenten niet meer aanraakt.’

De valkuil bij het bespelen van een instrument, zegt D’Avena, is dat je er een ideale klank uit wil halen die je in je hoofd hoort en niet luistert naar de klank die er echt is. ‘Altijd als ik zo’n oud instrument bespeel, confronteert het me ermee hoezeer we gewend zijn geraakt aan identieke, massa-geproduceerde spullen en instrumenten die allemaal hetzelfde reageren. One size fits all.

‘Maar als je erop let, instrueert de bouw van het instrument je hoe je het moet bespelen. Met hoeveel kracht je op het mondstuk moet blazen, hoe je de gaten met je vingers sluit. Dan ontmoet je even de unieke persoonlijkheid van de maker.’

Base Line – Music Meets Art, t/m 14/2 in Kunstmuseum Den Haag.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next