Zomerliefde Onstuimige, verboden, onuitgesproken verliefdheid. Deze zomer zoekt NRC de beste boeken over zomerse liefde. Deze aflevering: De dood in Venetië.
Dick Bogarde als Gustav von Aschenbach in Luchino Visconti’s Death in Venice (1971).
Luchino Visconti’s Death in Venice is een van de mooiste films die ik ken. En toch haalt hij het niet bij de novelle van Thomas Mann, die er de inspiratie voor was. Alsof liefde behalve beeld ook zinnen nodig heeft om waarachtig te zijn.
Thomas Mann: De dood in Venetië. Vert. Hans Hom. De Arbeiderspers, 144 blz €16,99
Ik besefte het nadat ik Der Tod in Venedig (1912) had herlezen. Voor het eerst drong tot me door dat hoofdpersoon Gustav von Aschenbach een losbandig alter ego van hemzelf is. Alsof Mann, die in een burgerlijk keurslijf zijn homoseksuele verlangens had bedwongen, zichzelf toestond om als romanpersonage verliefd te worden op een man. Eenmalig liet hij zich daarom gaan: „Want bij passie, net zoals bij misdaad, past niet de veilige orde en welvaart van het dagelijks leven, en elke verzwakking van het burgerlijke systeem, elke verwarring en kwelling van de wereld moet haar welkom zijn, omdat ze de vage hoop kan koesteren ervan te kunnen profiteren.”
In die zin lees je Manns gekwelde verlangen naar een ander leven, waarvan hij wist dat het zijn ondergang zou worden. Vandaar dat Aschenbachs verliefdheid je ziel doorboort, zo hartstochtelijk, geil en onmogelijk wordt ze beschreven.
Aschenbach is een alom bewonderde schrijver. Net als zijn schepper werkt hij in de ochtenduren gedisciplineerd aan zijn oeuvre. Hij is een slaaf van de kunst. Zijn hele leven is op roem ingesteld. Hij is een en al zelfbeheersing.Naarmate Aschenbach ouder wordt nemen zijn krachten af. Zijn proza verliest zijn originaliteit. Het is als met de wereld, die in het fin de siècle steeds meer in een decadent verval raakt en in 1914 zal ontploffen.Zijn plichtsbetrachting wordt verdrongen door eenzaamheid en onrust. Daarom ook doorbreekt hij zijn routine en vertrekt hij naar Venetië. De lucht is er zwaar, grijs en vochtig, en maakt iedereen loom.
En daar, op het Lido, gebeurt het: in zijn hotel verschijnt een beeldschone jongeling van een jaar of veertien, die er met zijn zusjes en hun gouvernante logeert. Tadzio heet hij en hij is „volmaakt mooi”, zoals Aschenbach noch in de kunst, noch in de natuur ooit heeft gezien. Of, in de bewoordingen van Thomas Mann: „Zijn gezicht, bleek en behoorlijk ingetogen, omkranst door honingkleurig haar, met de rechte neus, de bevallige mond, de expressie van lieflijke, goddelijke ernst, deed denken aan Griekse beeldhouwwerken uit de edelste tijd”.
Met hevig kloppend hart volgt Aschenbach Tadzio overal. Maar als hij met hem in de lift van het hotel staat, durft hij geen woord met hem te wisselen. De schrijver is zelf een verliefde jongeling geworden.
Onheil dient zich aan als een cholera-epidemie uitbreekt. De lokale bestuurders proberen het te verdoezelen om de toeristenindustrie niet te schaden. Venetië wordt nu het decor van een toneelspel over ondergang.Wanneer Aschenbach ziek wordt en koorts krijgt, neemt hij het zekere voor het onzekere en verlaat hij, met een bezwaard gemoed, de lagune.
Maar zodra hij ontdekt dat zijn bagage op een verkeerde trein is gezet, keert hij als de bliksem terug. Pas dan begrijpt hij ook waarom, en „voelde hij de geestdrift van zijn bloed, de vreugde, de pijn van zijn ziel en besefte hij dat het om Tadzio was dat het afscheid hem zo zwaar was gevallen.” Als dat geen onstuimige verliefdheid is, weet ik het niet meer.
Der Tod in Venedig bezorgde Mann in 1912 wereldwijde roem. Na de dood van zijn alter ego kroop hij terug in zijn keurslijf. De homo-erotiek bewaarde hij voor zijn dagboeken.