Home

Wat vreten ze uit met mijn liefdadigheid?

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Ik was 54, toen er gebeld werd. We zaten te eten, een sacrale gebeurtenis, niet iedereen op de wereld is dermate gezegend, uit dankbaarheid voor onze rijkdommen en rust, maken we er wat van. Dus wat doe ik, ik loop met mijn servet nog omgebonden, vork en mes in mijn handen, boterjus als poep om een olifantenanus op kin en bovenlip, naar de voordeur. Let wel, in rok ende kostuum.

(Ik heb ooit een reprimande mogen ontvangen van Sylvia Witteman, die me mailde dat ik voortaan ‘rok’ moest schrijven, en nooit meer ‘rokkostuum’. Ik vroeg haar of ze een klein rokkostuumpje dan ook een rokje noemde. Messi haalde zijn gouden bal op in een rokje? Kijk. Je past je aan je tegenstander/gelegenheid aan. Elvis zou ik nooit de king of rokkostuum-’n-roll noemen.)

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

In het gat der deur stond inmiddels een rijzige, blonde studentenjongen, type Haaland/Van Ecke. ‘U zat hopelijk niet aan tafel?’

Nee hoor, ik lag in de tuin een paardenbloem af te blazen, gehuld in slechts dit zwembroekje. ‘Jonge vriend’, antwoordde ik, ‘steek van wal.’

Nou, dat deed-ie. Alsof er op mijn voorhoofd een autocue meeliep, vertelde hij dat hij in opdracht van een of andere afkorting aan onze welgestelde buurt kwam schudden, een boom waaraan wel heel typische, rechthoekige blaadjes groeiden, gesigneerd door Christine Lagarde. (Ik parafraseer.)

‘Doel?’

‘Goed. Prima zelfs.’

We keken elkaar secondenlang aan, de ogen samenknijpend, dan weer vergrotend tot schoteltjes. ‘Vriend’, verbrak ik de impasse, ‘wie of wat ondersteunt je prima doel. Hoor je dat gekletter in de diepte? Dat is bestek. Mijn vriendin zit er in d’r eentje alles mee op te eten.’

Met het geld zouden voor asielzoekers leuke uitjes worden bekostigd, waaronder lezingen van Nederlandse schrijvers, à 7,50 entree, boekhandel aanwezig.

Ik knikte tevreden, en trok de pochet uit mijn borstzakje, een rolletje 1000-eurobiljetten. Ermee ritselend, zei ik: ‘Je hebt zeker alleen een pinautomaat? Jammer joh.’

Het was nog drastischer, ik moest op een iPad tekenen voor een maandelijkse afschrijving van 15 euro. Goed/prima. Vandaag of morgen zou ik een e-mail ontvangen waarin ik ‘alles’ nog even ‘op mijn gemakje’ na kon lezen.

Nooit meer iets vernomen. Geen afschrijvingen, geen e-mail, niks. Dat beviel me slecht. Ik vond het jammer voor de asielzoekers, dat voorop (‘Ga anders zelf met een groepje asielzoekers naar de Efteling’, zei mijn vriendin Jet), maar ik werd er ook een beetje paranoïde van. Ook daar plaagde ze me mee. Had die jongen een Russische tongval? Stond er in Afrika een hypotheek op mijn naam? Verschenen er al boeken van P. Buwalda in Paraguay?

Zou mooi zijn, mompelde ik, het internet afschuimend, op zoek naar het studentenjong en zijn stichting waarvan ik de afkorting vergeten was. AUB, maar dan anders.

‘SVP?’

Bedankt voor alle hulp. Dank. Ze zaten in Utrecht, met een soort van website, en een telefoonnummer. Eens efkes bellen, maar steeds als ik het nummer draaide, maakt niet uit hoe laat op de dag en na hoeveel weken, kwam ik in de wacht te staan. Heel lang in de wacht. En steeds waren er twee bellers voor me, nooit drie of één – twee.

Zojuist, met mijn telefoon aan mijn oor, uiteraard in de wacht staande, twee wachtende voor me, liep ik de tuin in. ‘Draai jij eens dit nummer?’

Deed ze. ‘Sta je in de wacht?’ Ja, stond ze. ‘Hoeveel wachtende?’

‘Drie.’

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Source: Volkskrant

Previous

Next