In Turkije werd deze maand cabaretier Deniz Göktaş opgepakt omdat hij tijdens een voorstelling grappen had gemaakt over president Erdoğan. Het bericht liet me niet los, misschien omdat ik nu zelf in Turkije ben, en omdat dit mijn laatste column voor NRC is.
Wat me tijdens ieder bezoek aan Turkije opnieuw treft, is dat de lethargie steeds verder om zich heen grijpt. Veel mensen hebben het land opgegeven. Als je doorvraagt, valt je de Fernweh op: een verlangen naar een land dat er niet meer is. Stille rouw. Hun hoop is klein geworden, zie ik bijvoorbeeld aan mijn nicht. Haar moeder heeft nog geen zorg nodig. Haar dochter die afstudeert. Meer verwachten ze nauwelijks meer. Ze richten zich op het kleine leven, op de dingen waar ze nog invloed op hebben.
Die houding doet me aan Nederland denken. De omstandigheden zijn onvergelijkbaar, maar ook bij ons zie ik een groeiende onverschilligheid. Mensen die zich vooral ergeren maar niet actief zijn, thuisblijven en niet stemmen, laten het publieke debat en de democratie steeds meer over aan mensen die wel bereid zijn zich te organiseren.
Onverschilligheid gaat gepaard met wantrouwen in ‘de instituties’ (zonder dat mensen zich er inhoudelijk nog in willen verdiepen). Dat is precies de voedingsbodem voor de flanken die een simpel verhaal bieden over de schuldigen (het systeem, het grootkapitaal, de elite) zónder oplossingen. Onverschilligheid is niet onschuldig. Wie afhaakt, laat het politieke veld over aan de ander, en dat zijn juist de stemmen aan de flanken.
Misschien was dat ook de reden dat ik mijn columns van de afgelopen zes jaar teruglas, op zoek naar een rode draad. Hopelijk hielpen mijn columns lezers anders te kijken naar onderwerpen als integratie, democratie, leiderschap, economische zelfstandigheid, de hoofddoek. Hopelijk gaven ze lezers af en toe een ander perspectief of stof tot nadenken. Hoe leven we beter samen met mensen van verschillende achtergronden?
En vaak ging het over verantwoordelijkheid. Vooral over de vraag: hoe leiden we mensen op die verantwoordelijkheid durven nemen, voor zichzelf én anderen? Niet alleen thuis of op het werk, maar ook als burger. Misschien is verantwoordelijkheid uiteindelijk wel het centrale thema van alles wat ik geschreven heb. Beweging ontstaat wanneer mensen verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen keuzes, maar ook bijdragen aan oplossingen.
Af en toe heb ik ook mensen bekritiseerd: Frans Timmermans, Abdelkader Benali, activisten. ”Ik heb haar gepusht”, zei Alexander Pechtold over een kandidaat-bewindspersoon die hij zelf naar voren had geschoven. Toen het misging, liet hij haar alleen de schuld dragen, terwijl hij ook had kunnen zeggen: ik ben hier medeverantwoordelijk. Sinan Çankaya riep in deze krant ”fuck integratie”. Als bekend immigrantenzoon én universitair docent had hij zijn woorden beter kunnen kiezen. Die verantwoordelijkheid schoof hij opzij.
Bij het schrijven over islamitisch onderwijs, over Turkije, over het racismedebat zocht ik vaak naar nuances en disclaimers om niet direct in een politiek hokje geplaatst te worden. Soms ontkwam ik niet aan zelfcensuur. Wie beweert dat ieder maatschappelijk debat volledig vrij gevoerd kan worden, onderschat hoe sterk sociale druk werkt. De verontwaardigde reacties uit de onderwijswereld gaan daar ook over. Ze vertellen me dat sommige onderwerpen lastig zijn om het gesprek op gang te brengen.
Terwijl ik deze laatste column schrijf, zit Göktaş nog vast. Wat me verbijstert is wat er ná de arrestatie gebeurt: geen massaprotest, weinig politieke onrust. Misschien, als er vervroegde verkiezingen komen, verandert dat later dit jaar.
Toch ben ik optimistischer dan toen ik begon met columns schrijven voor NRC. Over tien jaar zullen veel dingen beter zijn. Dan is mijn dochter begin twintig. Ik hoop dat zij (en haar generatiegenoten) dan minder haar schouders ophaalt dan mijn nicht, en dat een cabaretier in Turkije weer gewoon grappen kan maken. En ik publiceer dan waarschijnlijk nog steeds, ergens, omdat het gesprek over onze samenleving nooit klaar is.
Zes jaar lang heb ik in NRC vrij mijn opinie kunnen geven. Soms scherp, soms wat onhandig, soms met zelfcensuur, maar nooit uit angst voor de overheid. Dat is een voorrecht. Vrijheid van meningsuiting is pas iets waard als het gepaard gaat met verantwoordelijkheid om je uit te spreken maar om dat ook te (blijven) doen als het ongemakkelijk wordt.
Daarom zal ik blijven publiceren, misschien op een andere plek, in een andere vorm. Misschien heeft mijn bijdrage hier een klein beetje geholpen. NRC heeft mij een podium geboden. De vrijheid van meningsuiting staat nog overeind. Zolang dat zo blijft, maak ik me geen zorgen.
Aylin Bilic is headhunter en publicist. Dit is haar laatste column op deze plek.