Menno de Jong | directeur Centrum Infectieziektebestrijding RIVM Hij heeft als wetenschapper een „voorliefde” voor infectieziekten. Zijn huidige baan bij het RIVM is dan ook een uitdaging die hem uitstekend past, vindt hij zelf . En bij een volgende pandemie als Covid? „Nederland heeft alle potentie om het sterkste land ter wereld te zijn qua infectieziektebestrijding.”
Menno de Jong (63), directeur Centrum Infectieziektebestrijding bij het RIVM.
Nog steeds wordt Menno de Jong (63) regelmatig geïntroduceerd als ‘de nieuwe Jaap van Dissel’, al staat De Jong inmiddels meer dan twee jaar aan het hoofd van het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Maar de bijnaam deert hem niet. Hij „hoeft geen BN’er te worden”, en probeert Nederland „gewoon” zo goed mogelijk voor te bereiden op de volgende pandemie, vertelt hij in zijn kantoor in Bilthoven.
De opkomst van het hantavirus had een moment kunnen zijn waarop De Jong die associatie met zijn voorganger van zich af had kunnen werpen. De naamsbekendheid van een CIb-directeur hangt namelijk samen met een crisis, denkt De Jong.
„Geen crisis waarvan ik dacht dat dit een nieuwe pandemie ging worden.”
Sterker nog, zegt De Jong grappend: „Als iemand dit scenario had geschreven om te oefenen met pandemische paraatheid in Nederland had ik gezegd: ‘wees een beetje serieus’.
„Het was wel een heel complexe crisis, met betrokkenheid van veel landen. Het was mijn eerste aanraking met hoe goed we het in Nederland eigenlijk al geregeld hebben. Ik kreeg veel vertrouwen in de bassistructuur, dat mensen elkaar weten te vinden.”
„Niet eens. Waar nodig treed ik op de voorgrond. Maar ik sta er niet om te springen. Het hoort er soms bij, dat zag je bij Jaap [van Dissel]. Hij was heel zichtbaar tijdens Covid, daarvoor was hij dat niet. En zolang men mij blijft introduceren als de nieuwe Jaap van Dissel is dat fijn. Want dat betekent dat het in Nederland heel rustig is.”
Ruim twee jaar geleden begon De Jong als opvolger van Van Dissel, die in mei 2024 met pensioen ging. Tijdens de coronacrisis zat De Jong, hoogleraar klinische virologie, in het Outbreak Management Team (het OMT). Hij werd een bekend gezicht op de Amsterdamse televisiezender AT5 waar hij kijkersvragen over het virus en coronamaatregelen beantwoordde.
„Jaap heeft het erg moeilijk gehad. Veel OMT-leden lagen tijdens Covid onder vuur, dat heb ik ook meegemaakt. Mijn sociale media en e-mail zaten vol met berichten. ‘Landverrader’. ‘Geen boom is hoog genoeg om je op te hangen’. Dat soort zaken.
„Er zijn maar weinig plekken in Nederland die bij mijn voorliefde voor infectieziekten aansluiten en een nieuwe uitdaging brengen ten opzichte van mijn academische positie. Eigenlijk is er maar één baan die dan geschikt is. En dat is deze.”
Op vrijdagen begeleidt De Jong nog promovendi aan de Universiteit van Amsterdam. Van 2008 tot 2024 was hij hoofd van de afdeling medische microbiologie in het academische ziekenhuis AMC, later in het VUmc en het Amsterdam UMC. Daarvoor werkte de hoogleraar vijf jaar in Vietnam, waar hij vlak voor een ernstige vogelgriepcrisis een virologisch laboratorium voor de Universiteit van Oxford en het lokale Vietnamese ziekenhuis voor tropische ziekten opzette. „Een geweldige tijd” vond hij dat. „Een lab opbouwen waar het echt nodig is. Als je infecties leuk vindt, is Vietnam eigenlijk veel interessanter dan Nederland.”
Toch is dit ook een droombaan, zegt De Jong. Uitdagingen zijn er genoeg.
„In het ergste geval kunnen we straks geen simpele bacterie meer behandelen met antibiotica door antimicrobiële resistentie. Dan kan een blaas- of longontsteking fataal zijn. Je ziet het aantal bacteriën dat niet meer reageert op antibiotica langzaam stijgen, op sommige plekken in de wereld sneller.
„In Nederland gaat het nog goed, mensen realiseren zich niet hoeveel er wordt gedaan om resistentie tegen antibiotica binnen te perken te houden. Het Europese surveillanceprogramma tegen antibioticaresistentie dreigt te imploderen door 20 procent minder financiering vanuit de Verenigde Staten, dus proberen we dit met Nederlandse inbreng te voorkomen.”
De lijst met zorgen is lang. De Jong heeft zorgen over de vaccinatiegraad die „suboptimaal” is. Over het dalende vertrouwen in de wetenschap. Des- en misinformatie op sociale media. Over klimaatverandering, waardoor tropische infecties door bijvoorbeeld de Aziatische tijgermug naar Nederland komen. Hij noemt geopolitiek, polio-uitbraken in Gaza en infecties met resistente bacteriën bij gewonden in de oorlog in Oekraïne – „die mensen worden gelukkig ook in Nederland opgevangen, maar die bacteriën kunnen hier gaan circuleren en dat moeten we voorkomen”.
„Je kunt niet veel doen om de volgende pandemie te voorkomen. Wel om verspreiding te vertragen, de impact te mitigeren, en te surveilleren. Wat daarvoor nodig is, is allemaal maakbaar.
„We hebben een hoop geleerd van Covid. Dat we eigenlijk niet zo goed voorbereid waren. Er zijn een aantal randvoorwaarden waar we nu echt aan kunnen bouwen. We kunnen data over patiënten in ziekenhuizen bijhouden, rekening houdend met privacyregels. De rioolwatersurveillance die tijdens Covid is opgezet moet in stand blijven. Als we in het begin van de covidpandemie zulke netwerken hadden gehad, hadden we snel zicht gehad op de circulatie van het virus.
„Ik denk dat Nederland alle potentie heeft om het sterkste land ter wereld te zijn qua infectieziektebestrijding. Als je kijkt naar de omvang van ons land, de expertise die we hier hebben op universiteiten, in ziekenhuizen, in de laboratoria, bij de GGD’en, binnen de verschillende disciplines van het RIVM. Die samenwerkingen moet je optimaliseren.”
„Met mixed emotions. Ik kijk ze niet allemaal. A: omdat ik er geen tijd voor heb. B: deels omdat wat ik heb gezien mij ook best een beetje irriteert.”
„Soms is het de toonzetting van de vragen van de commissie. Soms het gebrek aan diepgang van de vragen. Deels rijt het hier en daar wat wonden open van wat ik net verwerkt had.”
„In besloten sessies. Ik was wel blij dat ik niet uitgenodigd was voor de openbare verhoren. Niet omdat ik daar bang voor ben en het niet wil doen, maar omdat ik uitgenodigd zou worden als voormalig OMT-lid en nu duidelijk een andere rol heb. Daar zit wat spanning tussen die niet prettig is tijdens zo’n openbaar verhoor, denk ik.
„Ik wil niet dat de vraag: ‘zou u het anders doen dan Jaap van Dissel?’ gesteld wordt. En dat gebeurde tijdens het besloten verhoor wel. Ik vind dat een vrij irrelevante vraag.”
„De parlementaire enquête gaat over lessen die geleerd zijn en niet mijn persoonlijke mening. Onder dezelfde omstandigheden had ik waarschijnlijk hetzelfde gedaan. Gelukkig heeft de politiek inmiddels meer geïnvesteerd in pandemische paraatheid. We zijn beter voorbereid. Zonder deze versterkingen zou ik dingen waarschijnlijk niets anders hebben gedaan. Ik was even nerveus toen het kabinet Jetten pandemische paraatheid ook niet in het coalitieakkoord opnam. Maar dat is uiteindelijk goed gekomen.”
Het valt stil. „Er is één ding”, zegt De Jong fronsend. „Beeldvorming.” Het beeld dat de CIb-directeur een directe link met de politiek heeft. De Jong is daar „gewoon heel bang voor”.
Tijdens de pandemie uitte De Jong geregeld kritiek op het feit dat zijn voorganger naast de premier of de minister van Volksgezondheid stond bij persconferenties. Dat vindt De Jong nog steeds.
De Jong: „Van Dissel heeft daar ook aan gerefereerd in zijn verhoor. Op een gegeven moment was het voor de samenleving niet helemaal duidelijk meer hoe onafhankelijk het OMT was. Het is belangrijk dat mensen weten hoe het systeem in elkaar steekt. Maar op het moment dat je iedereen in één ruimte ziet, kan ik me voorstellen dat je denkt: ‘hoe zit het nou eigenlijk?’”
„Ik zou het liever niet doen. Ik zou zoeken naar andere manieren om te duiden…”
Zijn woordvoerder onderbreekt hem. „Het is overigens niet heel vaak voorgekomen dat hij ernaast stond. Want wij waren er natuurlijk geen voorstander van.”
„Wat ik bemerkte”, reageert De Jong serieus, „in rustige fasen zag je hem niet bij persconferenties”. „Maar op een gegeven moment kreeg je de Omicron-variant. En toen stond hij er opeens weer. Mijn interpretatie was: ‘Op het moment dat het moeilijk wordt hebben we toch Jaap even nodig om te duiden waarom het zo moeilijk is’.”
Weer zijn woordvoerder, nu meer mompelend: „Dat is zo’n drie keer gebeurd”, waarop De Jong zich richt tot zijn voorlichter: „Ja, maar het heeft wel schade berokkend.” Dat is de woordvoerder met hem eens.
De Jong vervolgt: „Het heeft schade berokkend aan de onafhankelijkheid van de wetenschap, de onafhankelijkheid van het RIVM als instituut, het CIb. Er is een scheidslijn tussen advies, de bestuurlijke afstemming en het politieke besluit. En ik denk dat het in een volgende pandemie kraakhelder moet zijn hoe dit in elkaar steekt”.
„Wij geven puur medisch inhoudelijk en onafhankelijk advies: op basis van de gegevens die we nu hebben is dit wat er gaat gebeuren als we niets doen. De rol van de politiek is om dat advies mee te nemen in de afwegingen.”
„Dan heb ik dat in mijn huidige functie gewoon te accepteren.”
Mocht zijn eerste échte crisis komen, wil De Jong op andere manieren aan de samenleving duiden wat er speelt. Dat kan ook „separaat”, zegt hij. Bijvoorbeeld een persconferentie met de boodschap van de politiek. En dáárna een los tv-gesprek met de directeur van het CIb.
Maar beeldvorming en verspreiding van misinformatie ligt altijd op de loer. De Jong vindt het zorgelijk. Een mogelijke oplossing – waar hij wel ietwat tegenop ziet: „Misschien moeten we wat stoerder worden op sociale media.”