Memes en onlinetrends analyseren zoals critici literatuur bespreken: daarmee inspireerde het Institute of Network Cultures (INC) aan de Hogeschool van Amsterdam internetonderzoekers wereldwijd. Na 22 jaar wordt het lectoraat opgeheven – nu meer tijd dan ooit tevoren online wordt doorgebracht.
is binnenlandverslaggever van de Volkskrant.
Voor een plek waar alles om het internet draait, is hier opvallend veel papier. Een greep uit de vragen waarover het Institute of Network Cultures de laatste tijd boeken publiceerde: weerspiegelen onlinetrends als ‘girl dinner’ (filmen wat voor karig maaltje je bij elkaar sprokkelt als je alleen eet) een groeiende weerstand tegen de verwachtingen die komen kijken bij volwassenheid? Laten communistische memeaccounts zien dat ook links de kracht van onlinehumor kan benutten? En wat betekent lichamelijkheid als het leven zich grotendeels online afspeelt?
Zoals literatuurcritici romans bespreken, zoeken naar de zielenroerselen van auteurs en de thematiek ontleden, beschouwt Geert Lovink, de oprichter van het instituut aan de Hogeschool van Amsterdam, sinds de jaren negentig wat mensen maken en delen op het internet. ‘De goegemeente vond dat onzin’, zegt hij daar nu over. ‘Zij zag de digitale wereld als een puur marketinggebeuren; er zou geen cultuur te vinden zijn. En dat is nog steeds een heel gangbaar idee.’
Het is gezien de huidige commercie haast onvoorstelbaar, maar destijds domineerden kunstenaars en activisten het internet. Die zagen organisatorische en mobilisatiemogelijkheden, interessante experimenten met hardware en een digitaal canvas. Lovink was een van hen en besloot die digitale wereld theoretisch te maken, waarmee hij aan de wieg stond van het wereldwijde onderzoek naar internetcultuur.
Nu hij per 1 september met pensioen gaat, wordt de onderzoeksgroep met drie vaste medewerkers en een zwerm freelancers, promovendi en stagiairs opgeheven. Het kantoor aan de HvA wordt ‘ontruimd’; net voor de zomervakantie zijn het de laatste weken van het instituut bij de hogeschool.
Een groot gemis, vindt Richard Rogers, hoogleraar nieuwe media en digitale cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Het INC is een enorme inspiratiebron voor het onderzoeksveld en zet Amsterdam internationaal op de kaart. Onderzoekers over de hele wereld willen bij hen publiceren.’
Het kantoor aan de Wibautstraat, vol jonge onderzoekers, voelt met de vele posters en een Palestijnse vlag aan de muur als een krakershoekje binnen de hogeschool. En in zekere zin is dat het ook: Lovink rolde uit de kraakscene het onderzoek in en behield zijn activistische inborst toen hij in 2004 werd aangesteld als lector. Het lectoraat groeide uit tot een uitgeverij, die gratis (e-)boeken, video’s en andere media verspreidt. Experimentele publicatievormen, zoals hybride boeken, met QR-codes naar video’s in de kantlijn, zijn net zo goed middel als onderwerp van het onderzoek.
Lovinks smalle, diepe werkkamer een deur verderop – een voormalig opberghok dat hij schijnt te hebben veroverd op wc-rollen – is omlijst door een indrukwekkende verzameling boeken over cybernetica, techfilosofie en de mogelijkheden en beperkingen van het internet. Eén plank is gevuld met zijn eigen boeken, die wél te koop zijn en in een tiental talen worden uitgegeven. Op de eerste pagina’s van zijn nieuwste boek citeert Lovink memefiguur Keke The Frog, popster Charli XCX, een T-shirt dat hij voorbij zag komen, Twitteraccount @sosadtoday en Fjodor Dostojevski.
Het is dat de wet zijn pensioen voorschrijft, maar Lovink is niet van plan te stoppen met werken. ‘Ik ben een laatbloeier, natuurlijk wil je dan door. En werken met gen Z geeft me ongelooflijk veel energie.’ Zijn boekenkasten en bureau vinden straks antikraak onderdak in een leegstaand pand van de UvA; plek voor zijn team is daar niet.
Kan de onderzoeksgroep niet zonder hem door? Volgens de hogeschool is het lectoraat is zo nauw verbonden met Lovink dat zijn pensioen het natuurlijke einde van de onderzoeksgroep betekent. Medewerkers van het instituut, in onzekerheid over hun baan, zijn sceptisch over die verklaring.
‘Volgens mij zit de HvA gewoon niet meer te wachten op internetcultuurkritiek’, zegt onderzoeker Sepp Eckenhaussen. ‘Ze hebben Lovink destijds binnengehaald als mogelijkheid om zich te profileren; hogescholen moesten ineens onderzoek gaan doen en hij was al een grote naam in het veld. Maar ondertussen ligt de focus op commerciële technieken als customer journey design.’
Het schrappen van het INC is een verkapte bezuiniging, denkt Eckenhaussen, nu de hogeschool door teruglopende studentenaantallen, inflatie en de bezuinigingen van het vorige kabinet financieel in de knel zit. Anderzijds, zegt de onderzoeker: een nieuwe lector aan een bestaand lectoraat leidt geregeld tot frictie.
Lovink moet er niet aan denken dat het instituut in zijn afwezigheid zou worden omgevormd tot bijvoorbeeld AI-onderzoeksgroep, ‘nu mensen door de AI-hype doen alsof het internet verleden tijd is’.
We zitten juist midden in een periode van ‘platform blues’, zegt de lector: neerslachtigheid als gevolg van sociale media, die vooral jonge mensen treft. Bovendien wordt het serieus nemen van internetcultuur alleen maar belangrijker, zegt hij: zeker voor veel jonge mensen is dat geen extraatje, zoals een boek dat je al dan niet leest, maar totaal geïntegreerd in hun bestaan.
Nee, liever neemt hij zijn creatie mee: het Institute of Network Cultures staat al ingeschreven als vereniging. De geldstroom en daarmee de salarissen, papieren publicaties en het kantoor verdwijnen; de gemeenschap eromheen blijft. ‘We gaan terug naar waar we vandaan komen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant