Vanita Vyas-Pandya moest in 1972 halsoverkop Oeganda verlaten met haar vier kinderen. Haar man volgde later. Het lot bracht hen naar Nederland. ‘Ik ben er zelfstandiger door geworden. Omdat we hier bij nul moesten beginnen, ging ik ook werken.’
Vanita Vyas-Pandya leidt haar bezoek na binnenkomst meteen naar haar altaar, in een hoek van de slaapkamer. Pracht en praal in miniatuur. Tegen de muur staat een kleurrijke prent van Durga, haar favoriete hindoeïstische godin. ‘Ze staat voor kracht en bescherming’, vertelt de 84-jarige Amstelveense. Tijdens het interview over haar migratiegeschiedenis, spreekt ze drie talen door elkaar: Nederlands, Engels en Gujarati, een Indiase taal waarmee ze is opgegroeid. Haar dochter Sheela is erbij als tolk.
Welke plaats heeft religie in uw dagelijks leven?
‘Het hindoeïsme is mijn basis, het geeft mij iedere dag kracht en houvast – al mijn hele leven. Ik ben in een religieuze omgeving grootgebracht. In mijn jeugd in Kampala, de hoofdstad van Oeganda, woonden we naast een tempel. Ik ging er iedere dag wel even heen.
‘Na het opstaan om 7.00 uur begin ik de dag met een religieus ritueel. Eerst kijk ik naar de drie lijnen in de handpalm van mijn rechterhand, die symboliseren de god van liefde en kracht en de godinnen van de wetenschap en van voorspoed. Daarna raak ik met die hand de grond aan, als groet aan moeder aarde, die ons draagt en voedt. Ik drink warm water, kleed mij aan, ga mij wassen, maak wat fruit en bloemen klaar voor het altaar en ga anderhalf uur bidden en mantra’s zingen. De dag sluit ik af met gebeden en devote liederen. Zo voel ik dat God altijd bij mij is en ik nooit alleen ben.’
Wat antwoordt u als mensen vragen: ‘Waar komt u vandaan?’
‘Ik ben geboren in Oeganda, maar ik woon al 53 jaar in Nederland. Als ze niet-begrijpend kijken, vertel ik dat mijn voorouders uit India komen.’
Hoe zijn uw Indiase voorouders in Oeganda terechtgekomen?
‘Rond 1900 werden Indiërs geronseld om in Oeganda te gaan werken bij de aanleg van een spoorlijn. Mijn opa hoorde dat er ook koks nodig waren. Met zijn oudste zoon van 18 schreef hij zich in. Ze reisden met een boot naar Oeganda. (Dat was net als India destijds een kolonie van de Britten, red.). Ze hadden het niet slecht in Gujarat, de Indiase deelstaat waar mijn opa een boerenbedrijf met koeien had. Maar om het beter te krijgen, wilden ze een tijdje in het buitenland werken.
In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?
‘Twee jaar na aankomst in Oeganda stierf mijn opa aan malaria. Mijn vader besloot te blijven, maar ging eerst naar India om te trouwen. Hij nam mijn moeder en verschillende familieleden mee terug naar Oeganda. In Kampala begon hij midden in de stad een hotelrestaurant, met vegetarische gerechten. Op 3 december 1941 werd ik geboren.’
Hoe waren de leefomstandigheden van Indiërs in Oeganda?
‘De Afrikanen, Europeanen en Indiërs leefden gescheiden van elkaar. We hadden onze eigen wijken, scholen, winkels en tempels en spraken onderling Gujarati met elkaar. Indiërs waren ondernemend en velen werden al pionierend economisch aardig succesvol. Sommigen richtten fabrieken op voor de productie van thee, koffie, suiker en snoep. Er werkten vooral Indiërs.
‘Omdat het hotelrestaurant van mijn vader niet voor voldoende inkomsten zorgde, had hij er ook een taxibedrijf naast. We hadden het goed, maar leefden sober. In het hindoeïsme is het gebruik dat je niet al het verdiende geld voor jezelf houdt, maar een deel weggeeft aan familieleden en aan goede doelen.’
Trouwden Indiërs in Oeganda vooral onderling met elkaar?
‘Ja. Ouders zochten voor hun zoon een geschikte huwelijkspartner, vaak in India. Over en weer werd een foto gestuurd. Als die van beide kanten beviel, ging de man naar India om kennis te maken en te trouwen, zijn vrouw nam hij daarna mee terug naar Oeganda.
‘Zelf kreeg ik een foto van een Indiase man die ook in Oeganda woonde. Mijn ouders hadden hem doorgelicht en geschikt bevonden. Chandulal Vyas was elektricien, werkte op een theeplantage en was van dezelfde kaste, de Brahmanen. Mijn foto werd ook naar zijn familie in India gestuurd. Ik zei dat ik de kandidaat wilde ontmoeten, voordat ik zou beslissen. We gingen wandelen in het bos, mijn broer was erbij. Ik vroeg naar zijn diploma’s en ambities. Het voelde goed. Ik was 19 jaar toen we trouwden.
‘Mijn man kreeg een leidinggevende functie bij een suikerfabriek in Lugazi. Hij was verantwoordelijk voor het onderhoud van alle machines en van de krachtcentrale. We woonden op het fabrieksterrein en hadden een goed leven. In de weekenden maakten we uitstapjes met familie in de natuur, naar het strand van Entebbe of naar Kenia. Om het jaar gingen we zomers twee maanden naar India op familiebezoek.’
Wat was de aanleiding om Oeganda te ontvluchten?
‘Dictator Idi Amin gaf in 1972 alle Zuid-Aziaten negentig dagen de tijd om het land te verlaten. Het ging economisch niet zo goed. Ik denk dat er jaloezie was jegens Indiërs, die vaak succesvolle ondernemingen hadden. Amin dacht kennelijk: als zij weg zijn, gaat het met ons beter. Maar dat was niet zo, want de fabrieken kwamen stil te liggen.
‘Mijn man wilde eerst niet weg, omdat hij zich verantwoordelijk voelde voor de suikerfabriek. Maar het werd gevaarlijk zodra er gewapende militairen de Indiase wijken inkwamen. Ze sloegen dreigende taal uit, bezittingen werden afgepakt en er waren verhalen over meisjes die werden meegenomen. Als jonge vrouw met twee dochters verkeerde ik in doodsangst. Mijn man zei: ‘Vertrek jij vast met de kinderen, want jij hebt een Brits paspoort’. Dat had ik op advies van mijn vader, ‘voor het geval dat’. Onze vier kinderen stonden bij mij ingeschreven. Met moeite kon ik een visum krijgen. Engeland selecteerde streng omdat duizenden Zuid-Aziaten die kant op wilden. Zodra ik het visum had bemachtigd, stapten we op de eerste vlucht naar Londen. Het ging er chaotisch aan toe; we zaten verspreid in het vliegtuig.’
Wat nam u mee?
‘Er was bijna geen tijd om spullen te pakken. Ik vulde een koffer met wat sieraden, kleding en een naaimachine. Al onze overige bezittingen zijn in beslag genomen, ook het geld dat we bij de bank hadden gespaard voor onze kinderen. Ik ben inmiddels niet meer gehecht aan materie; dat kunnen ze je afnemen, maar je kennis en inzichten niet.
‘We konden terecht bij mijn schoonzus, die met haar kinderen en aanhang in Londen woonde. Wij sliepen op matrassen en op de bank in de woonkamer. Drie maanden lang woonden we met zijn dertienen in een eengezinswoning, zonder privacy en in onzekerheid over mijn man en onze toekomst.
‘De sfeer in Oeganda werd dreigender. Mijn man besloot zich te melden bij een vluchtelingenorganisatie. Op het vliegveld stonden toestellen klaar van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Ze vlogen naar Wenen, waar de vluchtelingen uit Oeganda werden ondergebracht in een opvangkamp. Er kwamen afgevaardigden langs van landen die hen wilden opnemen. Canada en Nederland wilden mijn man wel hebben, omdat hij technisch geschoold was. Hij koos voor Nederland, omdat werd beloofd dat hij zich daar snel kon herenigen met zijn gezin.
‘Een groot deel van de driehonderd Oegandese Indiërs die Nederland uitnodigde, werd tijdelijk gehuisvest in een bungalowpark in Apeldoorn, Rabbit Hill. Mijn man haalde ons op van Schiphol. Ik was zo opgelucht dat we weer samen waren. Een delegatie Surinaamse hindoestanen kwam naar het park om ons te troosten.
‘Ik herinner mij dat kort na onze aankomst ook Vietnamese bootvluchtelingen naar Nederland kwamen. Voor hen organiseerden wij een benefietconcert in Apeldoorn, met Indiase zang en dans.’
Aan wie heeft u veel steun gehad bij uw integratie?
‘Aan mevrouw Cox en aan Annie, onze eerste buurvrouw in Spijkenisse. Mevrouw Cox was de coördinator voor de vluchtelingen op het bungalowpark. Ze maakte ons wegwijs in de Nederlandse samenleving: ’s ochtends de gordijnen openen en in de winter een sjaal om. Ze regelde tweedehands kleding, zakgeld, een school voor de kinderen en lessen om wegwijs te worden in het verkeer.
‘Na vier maanden kregen we een flat in Spijkenisse. Daar hadden we heel aardige buren, Annie en Harry. Annie kwam op bezoek, zag dat we weinig spullen hadden en gaf ons overtollige glazen. Ik paste op haar 10-jarige zoon en zij nam een van mijn kinderen weleens mee naar de stad, waar ze een jurkje of broek voor ze kocht.
‘Harry regelde een baan voor mijn man bij zijn werkgever: kapotte lampen van lantaarnpalen verwisselen. Dat hield hij niet lang vol. Op eigen kracht vond hij werk bij DAF in Eindhoven en daarna bij Philips in Almelo, waar we in 1974 naartoe verhuisden.’
Kinderen van de eerste generatie migranten voelen vaak een grote druk om te presteren, heeft u uw kinderen iets opgedragen?
‘Dat ze hun best moeten doen en moeten studeren wat ze aankunnen, dat werd hbo en universiteit. Ook heb ik mijn kinderen meegegeven dat ze niets slechts mogen doen in het land dat ons heeft ontvangen, dat ze dankbaar moeten zijn en goed moeten doen – en dat doen ze.’
Heeft de emigratie bijgedragen aan uw emancipatie als vrouw?
‘Ja, ik ben er zelfstandiger door geworden. Omdat we in Nederland bij nul moesten beginnen, ging ik ook werken. In een atelier bekleedde ik zitbanken met leer. Om 6.00 uur ’s ochtends werd ik opgehaald door een busje. In Oeganda had ik nooit betaald werk gedaan.
‘Maar mijn leven is wel in dienst blijven staan van mijn man. Hij kon zijn draai niet goed vinden in Nederland en had het er moeilijk mee dat hij zijn hoge positie in Oeganda kwijt was. Ik luisterde geduldig naar zijn verhalen. Hij kreeg hartklachten, raakte arbeidsongeschikt en zocht troost in religieuze boeken. Hij leerde het vak van pandit (hindoeïstisch voorganger, red.), van heinde en verre kwamen mensen naar hem toe voor rituelen, spiritueel advies of huwelijksceremonies. Zijn gezondheid ging achteruit, er kwam blaaskanker bij. Op een gegeven moment kon hij niet meer alleen zijn. Om hem naar het ziekenhuis te kunnen rijden, leerde ik in 1981 autorijden. Dat gaf mij meer bewegingsvrijheid; ik maakte er uitstapjes mee met mijn zussen en kinderen. Al die jaren, tot hij in 2019 stierf, heb ik mijn man verzorgd.’
U woont zelfstandig, ongebruikelijk voor ouderen in de Indiase cultuur.
‘Ik ben er heel gelukkig mee. Ik kan mijn eigen gang gaan; ik lees, kook, ben creatief, ga naar de dagopvang, heb vriendinnen om mee te praten en bijna elke dag komt een van mijn kinderen of kleinkinderen langs. Ik geniet van de rust als ik alleen ben. Ik ben dankbaar dat het in Nederland mogelijk is voor ouderen om zelfstandig te wonen.’
Indiërs in Oeganda
Oeganda en India waren lange tijd Britse koloniën. Na de afschaffing van de slavernij liet Groot-Brittannië eind 19de eeuw veel Indiërs als contractarbeiders werken. Zo’n 2 miljoen werden verscheept naar andere koloniën, om te werken op plantages en aan bouwwerken, zoals spoorlijnen. Oeganda was een van de bestemmingen. Na de onafhankelijkheid in 1962 bleven veel Indiërs er wonen; ze waren er geworteld en runden redelijk succesvolle ondernemingen, vooral in de detailhandel.
In 1972 droeg Idi Amin, die aan de macht was gekomen door een staatsgreep, alle tachtigduizend Zuid-Aziaten in zijn land op binnen negentig dagen het land te verlaten. Ze werden aangewezen als zondebok voor de slechte economische situatie. Al hun bezittingen werden in beslag genomen. De meeste Indiërs konden terecht in India en Engeland. Nederland nam er driehonderd op. Amin wees daarna ook Europeanen en missionarissen de deur.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant