Home

De oogst van twee weken Julidans: wie doet ertoe, zijn er nieuwe namen, wat zijn de trends?

Dans De afgelopen twee weken nam het jaarlijkse Amsterdamse dansfestival Julidans de temperatuur op van de internationale hedendaagse dans. NRC bezocht 17 van de 26 producties waarin het hele palet langskwam, van pril en onaf tot fantastisch en prikkelend.

‘Anthology’ van Andreas Hannes.

Wat biedt Julidans eigenlijk? „Alles wat geen ballet is”, zeiden oprichters Luuk van Eijk (toenmalig dansprogrammeur Stadsschouwburg (ITA) en impresario Jaap van Baasbank in 1991, bij de eerste editie. Ofwel: focus op het (dansant) bewegende lichaam in een theatrale context. Dat legt een breed veld open. Chaotisch, knettergek, verstild, onversneden beeldschoon, het kan allemaal. De habitués weten de weg wel ongeveer te vinden in die wirwar, voor de argeloze bezoeker is een avontuurlijke inborst een pre. Oordoppen zijn dat vaak ook.

Een enkele keer glipt er nog iets ‘balletterigs’ doorheen. Dit jaar, editie 36, was dat het strak gechoreografeerde Delay the Sadness van Sharon Eyal, die vier avonden voor een uitverkochte Rabozaal zorgde. En hoe ruim de term ‘hedendaagse dans’ is, demonstreerden flamenco-icoon-annex-iconoclast Israel Galván en de even maffe als slimme Kaapverdiaanse Marlene Monteiro Freitas. Hun voorstelling RI TE is een nauwelijks na te vertellen conversatie in dans, een absurde, geestige, ironische, briljante, speelse ontmoeting; twee grootheden die in een kleine zaal een nog kleinere speelruimte verkozen. „Een luciferdoosje”, aldus Monteiro.

Bescheiden budget

Vooraf al waren dit de voorspelbare hoogtepunten. De focus ligt vooral op zogeheten ‘midcareers’; makers die al een zekere status hebben verworven maar nog geen arrivés zijn. Die beleidslijn staat los van de beperkte financiële ruimte van het festival, dat dankzij co-producent ITA kan beschikken over een bestaande infrastructuur, zalen en faciliteiten.

Het totale budget voor programmering, reis- en verblijfskosten van de artiesten komt zelden boven 500.000 euro uit. Dat is weinig in vergelijking met in aard en omvang verwante festivals in het buitenland, die vaak twee of drie keer meer te besteden hebben. Vorig jaar schrapte het Fonds Podiumkunsten bijna de helft van de meerjarige subsidie voor Julidans, die daardoor zakte naar 130.000 euro. Ter vergelijking: Spring Performing Arts festival in Utrecht (tien dagen) krijgt van het Fonds 397.000 euro, het (commerciële) Amsterdam Dance Event (vijf dagen) 237.500 euro. Desondanks heeft Julidans in de loop der jaren met een kleine romporganisatie een uitstekende internationale reputatie opgebouwd. Ter illustratie: dit jaar bezochten meer dan veertig internationale programmeurs het festival.

Editie 2026: het verleden als vertrekpunt

Met dat bescheiden budget is de programmering (26 producties in 53 voorstellingen, plus randprogrammering) in elkaar gepuzzeld, met dit jaar als rode draad een opmerkelijke interesse voor het verleden. Dat klinkt misschien suf en verre van hedendaags, maar schijn bedriegt. Het leidt tot uiteenlopende thema’s, stijlen en vormen. Hoe dat er in dans uitziet? In het ergste geval belerend, met een opgestoken vingertje. Room in Our House bijvoorbeeld is een vredesritueel, waarvoor Nicole Beutler inspiratie vond bij de Haudenosanee, de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika. Zij sloten vierhonderd jaar geleden een uniek vredesverdrag met Hollanders op ontdekkingsreis. Potentieel een interessant concept, maar plat uitgewerkt met een clichématig duet (twee mannen vechten, sluiten vervolgens vrede) als kers op de prekerige taart.

‘Delay the Sadness’ van Sharon Eyal.

Tegenovergesteld aan die zouteloosheid is Último helecho van danser/choreograaf François Chaignaud en regisseur Nina Laisné. In een fantasy-achtig decor, waarin een paddestoelvormige rotspartij op een Korinthische zuil rust, verschijnen Chaignaud en zangeres Nadia Larcher als mythische wezens, zingend en dansend, deels menselijk, deels plantaardig, deels mineraal zelfs – hun hoofdtooi lijkt een gekliefde steen. Verhaalloos bouwend op eeuwenoude Zuid-Amerikaanse mythes en de bloedige geschiedenis van de conquistadores, maken zij een nieuw traject. Van treurmars tot uitbundige viering van het leven met Argentijnse malambo-voetroffels, Peruaanse zakdoekdans, Europese folkloristische paardans en een indiaans koningsritueel, alles een tikje ironisch en campy. Een fantastisch zeskoppig ensemble op sackbuts (baroktrombones) en teorbe, bandonéon en traditionele percussie verbindt virtuoos de muziek, oud en nieuw, van twee werelddelen. Hét hoogtepunt van Julidans.

Pijnlijke, koloniale geschiedenis wordt verteld – abstract in dans, uitgesproken in schroeiende zang van Patrick Kabré en Niaka Sacko – in Back to Kidal. De eeuwigdurende strijd op het Afrikaanse continent wordt verbeeld met opzwepende, energieke dans, maar daags na de première in Montpellier heeft choreograaf Serge Aimé Coulibaly basale fouten (een enorme hoop midden op het toneel die het zicht op de helft van de dansers belemmert) nog niet weggewerkt – een risico voor elk festival dat actueel wil zijn.

Ook een imaginair verleden behoort tot de mogelijkheden. In F*cking Future roept Marco Da Silva Ferreira de geesten op van gesneuvelde, queer krijgers om een fout, militaristisch mannelijkheidsideaal omver te trekken met intense, stomende groepsexercities.

‘RI TE’ van Israel Galván en Marlene Monteiro Freitas.

Het dansverleden in nieuwe vormen

Een jaar of vijftig geleden waren de hedendaagse danskunstenaars van hun tijd vooral bezig met vernieuwing en experiment. In het nieuwe millennium lijken hun opvolgers te erkennen dat zij op de schouders van hun dansende voorgangers staan. Én dat dat dansverleden – van vroege folklore tot ballet en de experimentele dans van de sixties – materiaal biedt om op voort te bouwen. Eyal haalt in Delay the Sadness haar band met de klassieke dans verder aan. De uiterst precieze bewegingen, minieme schokjes en extreem soepel golvende torsen van haar choreografieën dragen haar persoonlijke signatuur, maar de link met het ballet is onmiskenbaar, al was het maar om het gedurig hoog op de tenen over het toneel schuifelen en trippelen. In het nieuwe werk zijn de referenties nog sterker, met echo’s van de treurende zwanen in Het zwanenmeer (het stuk is opgedragen aan Eyals overleden moeder Adina). Dat wringt, want is dat niet te gemakkelijk? Eyal heeft ook haar gebruikelijke clubby kluitjesdans losgelaten en stelt haar ‘corps de ballet’ van acht adembenemende dansers ruim op voor spatgelijke groepsbewegingen. Een flinke inkorting zou goed zijn, maar de sterke beeldentaal overtuigt uiteindelijk wel.

Ander voorbeeld: Shiraz van Armin Hokmi. Een beeld uit zijn persoonlijke verleden is een herinnering aan een gebaar van zijn oma. De verlegen hand voor het gezicht vormt het vertrekpunt voor de zich ingenieus ontwikkelende, minimalistische voorstelling, die tegelijk een fantasie is over het befaamde theaterfestival in de Iraanse stad Shiraz, waar ooit alles mogelijk was.

Danshistorie als expliciet uitgangspunt is ook een optie. ‘Covers’ zijn doodnormaal in de danswereld – van Le Sacre du Printemps zijn in ruim een eeuw wel honderd verschillende versies gemaakt. DanceOn, een gezelschap van dansveteranen (veertigplussers), nodigt voor hun Reply-project choreografen uit om een hedendaags antwoord te geven op werken uit het dansverleden. Ditmaal biedt Noé Soulier met A day in the studio een boeiende tegenkleur op de bewegingstaal van de Israëlische Noa Eshkol. Met als aantekening dat het tweeluik vooral besteed is aan die-hard bewegingsfreaks onder het Julidans-publiek.

‘Shiraz’ van Armin Hokmi.

Dans als taal

Was Julidans 2026 dan een geschiedenisles? Nou, nee, gelukkig niet. Maar het was weer eens wat anders, na eerdere edities waarin de actualiteit van discriminatie, geweld en conflict veelvuldig werd gethematiseerd. Bovendien: zoeken naar een rode draad is ook maar één, wellicht ietwat beroepsgedeformeerde manier om naar het festival te kijken. Het gaat natuurlijk, rode draad of niet, in elke voorstelling vooral over dans en beweging als taal. Danstaal; Jefta van Dinther geeft in Mercury Rising een nieuwe dimensie aan die term door dans en doventaal te vermengen. Intrigerend en goed uitgewerkt, waarbij de trillingen van de keiharde soundscape uit de subwoofers de cues voor de dove performers én toeschouwers leveren. Ook Lisbeth Gruwez combineert bewegingstalen. Zij gebruikt in Tempest tai chi en martial arts om een stormachtige woede in haar gespannen lichaam te beheersen en te sturen, vlijmscherp, alert. Huppelen is ook een taal, aldus Andreas Hannes. Hij bestudeert de kinderlijke, opgewekte pas al jaren en demonstreert die in Anthology in alle mogelijke energetische varianten, van subtiele hipjes tot uitputtende powerhuppels op een aanstekelijke mash-up van popsongs.

Geen wonder dat deze opkikker, die tijdens Julidans in première ging, als een van de weinige Nederlandse producties (twee van de negen!) meteen is geboekt door buitenlandse programmeurs. Gewoon lekker, toegankelijk en begrijpelijk.

‘Último helecho’ van François Chaignaud en Nina Laisné.

Hoogtepunten

Van de bezochte zeventien voorstellingen waren die van François Chaignaud & Nina Lainé & Nadia Larcher, Marco Da Silva Ferreira, Sharon Eyal, Israel Galván & Marlene Monteiro Freitas en Hiltinho Fantástico (hier niet genoemd, maar zijn achternaam waardig) absolute hoogtepunten.

Armin Hokmi, Andreas Hannes en (hier niet genoemd) Chara Kotsali vertegenwoordigen overtuigend de categorie ‘aanstormend’.

Midcareer Jefta van Dinther leverde niet zijn beste werk, Lisbeth Gruwez was als altijd intens en doordacht.

Teleurstellingen waren er ook. L.A.V.A. riep vooral de vraag op waarom Emio Greco en Pieter Scholten wilden samenwerken met de tamelijk oubollige Siciliaanse choreograaf Roberto Zappalà. Hemeltergend irritant door zijn met ironie en camp overgoten moralisme was Asset Liability & Equity van Connor Schumacher.

Conclusie: ongeveer een kwart van de bezochte voorstellingen bestond uit topervaringen, wat gezien de aard van de programmering met gevestigde namen, midcareers en jong talent een goede oogst is. De toplaag komt ongetwijfeld in het vizier van het Holland Festival, dat ook naar dit soort makers hengelt. Julidans is al vaker leverancier van nieuwe namen geweest. Ook de midcareers en de aanstormende talenten leverden kwaliteit; soms (nog) niet optimaal uitgewerkt, maar wel intrigerend van concept.

Ten slotte nog een rood draadje, bijna zo ingesleten dat het bijna niet meer wordt benoemd: de lengte. Veel choreografische concepten zijn uitgeput voor het doek valt, ongeacht de totale duur (vaak is dat een uur). Als iemand een dansfestival kent zonder voorstellingen die ruimschoots te lang zijn; heel graag.  

Dit najaar nog te zien:F*cking Future van Marco Ferreira Da Silva – Theater Rotterdam, 27 november.L.A.V.A. door ICK – tournee 1 t/m 20 oktober.Room in Our House door Nicole Beutler Projects & Rematriation – tournee 14 oktober t/m 14 november.Back to Kidal door Faso Danse Théâtre/Serge Aimé Coulibaly – tournee 3 t/m 9 oktober.Anthology van Andreas Hannes – tournee 4 september t/m 15 december.Tempest van/door Lisbeth Gruwez & Maarten van Cauwenberghe – De Harmonie Leeuwarden, 7 oktober.Puff van/door Alice Ripoll & Hiltinho Fantástico – Theater Rotterdam, 18 en 19 november. Asset Liability & Equity door ARK/Connor Schumacher – tournee 7 oktober t/m 17 december.

Dans

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next