Turkije werd tien jaar geleden verrast door een couppoging. De repressie die daarop volgde, heeft diepe sporen nagelaten. Maar in het 15 Juli Museum klinkt alleen het officiële regeringsverhaal.
schrijft vanuit Istanbul over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden.
Nog betekenisvoller dan de collectie van het 15 Juli Museum in Istanbul is de locatie: naast de opgang aan de Aziatische kant van de brug, waarvan de naam tien jaar geleden werd gewijzigd in 15 Juli-brug. Betekenisvol niet vanwege het magnifieke uitzicht over de Bosporus en het Europese deel van de stad, met zijn wolkenkrabbers, maar vanwege wat zich er op die datum in het jaar 2016 voltrok.
Vrijdag 15 juli, ’s avonds om tien uur, beginnen muitende officieren van de Turkse strijdkrachten een staatsgreeppoging. De grootste luchthaven van Istanbul wordt stilgelegd. Inwoners van Ankara en Istanbul horen straaljagers met enorm kabaal angstwekkend laag overvliegen. Tegen middernacht leest een nieuwslezeres van staatszender TRT, met buiten beeld een pistool op haar hoofd gericht, het communiqué van de coupplegers voor.
Het primaire doelwit van de putschisten, president Recep Tayyip Erdogan, is intussen in zijn vakantieverblijf aan de Middellandse Zee ternauwernood ontsnapt aan arrestatie of erger. Vanaf een onbekende locatie doet hij via FaceTime een oproep aan de Turkse bevolking.
De meeste andere televisiezenders – niet onder controle van de coupplegers – zenden het uit, met het asgrauwe gelaat van de president op het scherm van een mobiele telefoon. ‘Ik roep het Turkse volk op samen te komen op pleinen en luchthavens. Geen macht groter dan de macht van het volk’, zegt Erdogan.
Het volk geeft daaraan gehoor. Duizenden mensen komen in Ankara, Istanbul en andere steden in het geweer, terwijl overal in het land onophoudelijk gebeden klinken uit de luidsprekers van moskeeën. De indrukwekkendste confrontatie tussen burgers en muiters vindt plaats op de zuidelijkste oeververbinding over de Bosporus, de brug die naderhand naar de gebeurtenis zou worden vernoemd.
Beelden ervan worden vertoond op grote schermen in het museum dat is gewijd aan de staatsgreep. Burgers stellen zich met blote handen, vuisten gebald, op voor tanks die de brug hebben afgesloten, merkwaardig genoeg maar van één kant. De moedigsten klimmen richting gevechtskoepel. Sommige soldaten, jong en verbouwereerd, weten niet wat ze ermee aan moeten. Anderen volgen schietbevelen op.
Al binnen twaalf uur mislukt de verbazingwekkend amateuristische staatsgreep. Uiteindelijk komen, naast 35 coupplegers, 173 burgers en 78 regeringsgetrouwe soldaten en politiemensen om het leven. De namen van de ‘martelaren’ zijn in sierlijke metalen letters aangebracht op een muur van het museum, bij aan het plafond hangende witte duiven. Langs de laantjes rond het gebouw zijn 251 cipressen geplant met bij elk de naam van een slachtoffer. Binnen zijn parafernalia van de putsch uitgestald. Een brommerhelm met een kogelgat. Een door een tank vermorzelde auto.
De 43-jarige Musa Çakir, die met zijn vrouw en twee kleuters het museum bezoekt, ging die vrijdagnacht de straat op en hoorde voortdurend helikopters overvliegen, maar veel geweld zag hij niet in Fatih, de wijk in Istanbul waar hij woont. Hij was geschokt en verbaasd. ‘Er waren helemaal geen voortekenen geweest. Anders dan bij eerdere staatsgrepen, zoals die van 1980, toen de spanning maandenlang was opgebouwd.’
Het is een rake observatie, zoals Çakir er wel meer doet. Zo stelt hij vast dat de staatsgreep mislukte doordat niet alleen veel burgers, maar ook de hoogste legerleiding en veel krijgsmachtonderdelen de kant van de regering kozen. Ook merkt hij op dat de beweging van moslimprediker Fethullah Gülen, die meteen door de regering werd aangewezen als het brein achter de couppoging, wijdvertakt was in de Turkse samenleving en kapitaalkrachtig, dankzij een netwerk van ondernemingen, scholen en huiswerkinstituten.
Alleen: was het echt een Gülencoup? Die vraag is altijd boven de kwestie blijven hangen. Serieus onderzoek daarnaar doen is in het Turkije van Erdogan niet mogelijk. Gülen en zijn beweging zijn zo gedemoniseerd dat het al verdacht is er openlijk over te praten. Ook de term ‘Gülenbeweging’ is taboe, dat moet toch echt ‘Fetö’ zijn, de door de regering gemunte afkorting van Fethullah Terroristische Organisatie.
De meeste waarnemers houden het erop dat het bij de muiters ging om een combinatie van Gülenisten in het leger, op een zijspoor gezette officieren van de oude kemalistische garde en andere in hun carrière gefnuikte militairen. Wat de in 2024 in de VS overleden Fethullah Gülen zelf ermee te maken had en ervan wist, is nooit duidelijk geworden, evenmin wat de rol was van de Turkse regering zelf.
Het museum geeft ruim baan aan een andere – typisch Turkse – theorie: de staatsgreep als plot van niet nader genoemde imperialistische machten. Muren zijn gewijd aan het ‘mechanisme van het kolonialisme’. Door de CIA wereldwijd bekokstoofde staatsgrepen worden opgesomd. Portretten van anti-imperialistische helden als Simón Bolívar, Mahatma Gandhi en Che Guevara hangen naast een plastiek van een geknielde zwarte man, ijzeren halsband aan een ketting. Een tekstpaneel verwijst naar ‘de smerige plannen van sommige machtscentra’.
Aanwijzingen voor dit scenario bestaan niet, laat staan bewijzen, afgezien van het feit dat Gülen sinds 1999 in ballingschap in de VS leefde. In de officiële uitingen van regeringszijde speelt de complotgedachte een veel kleinere rol dan in de presentatie van het 15 Juli Museum.
Wat heeft bijgedragen aan de achterdocht van de Turken was de aanvankelijke reactie van westerse landen. In plaats van een ferme veroordeling van de putsch klonk vooral zorg over de mogelijke reactie van de Turkse regering. Dat zette in Ankara veel kwaad bloed. Het ging immers om een aanval op de democratisch gekozen regering van een Navo-lidstaat en kandidaat-lid van de Europese Unie. Het parlement werd gebombardeerd.
In het Westen ontbrak het besef, schrijft Turkijekenner Joost Lagendijk in zijn boek Erdogan in een notendop, ‘van de bijdrage die het verzet van gewone Turken heeft geleverd aan het falen van de putsch’. Westerse diplomaten geven achter de schermen inmiddels grif toe dat hun hoofdsteden indertijd niet goed hebben geopereerd.
Toch kwam de door Europa gevreesde reactie wel degelijk, en heel snel. Een golf van arrestaties volgde, van Gülenaanhangers op hoge posten in het staatsapparaat (leger, politie, justitie, onderwijs), maar ook van iedereen die ook maar enigszins het vermoeden wekte iets met de Gülenbeweging te maken te hebben. In de hysterie kon zelfs het in bezit hebben van een dollarbiljet al reden zijn voor arrestatie; de serienummers zouden geheime codes hebben.
Ruim 120 duizend mensen werden veroordeeld, van wie zo’n drieduizend tot levenslange gevangenisstraf. Een veel groter aantal is de afgelopen tien jaar gearresteerd. Ongeveer 150 duizend personen werden ontslagen uit overheidsdienst. Tienduizenden Turken vroegen asiel aan in Europa. De repressiegolf breidde zich al spoedig uit tot linkse activisten, journalisten, sympathisanten van de Koerdische zaak en andere opponenten. Erdogan greep de crisis (een ‘godsgeschenk’, in zijn woorden) aan om in 2018 een autocratisch presidentieel systeem in te voeren.
Vijf van de slachtoffers van de repressie (geen achternamen) zitten op een warme zomermiddag bijeen in de woning van de 43-jarige Ali en zijn echtgenote Zeynep (44) in Istanbul. Drie van de vier mannen hebben vijf jaar cel achter de rug. Zeynep, oud-docent op een staatsschool, zat kort vast en werd op wonderbaarlijke wijze vrijgesproken. Ook de 52-jarige Bülent, oud-docent op Gülenscholen, ontsnapte de dans; zijn detentie bleef beperkt tot vijf maanden voorarrest.
Allen geven ruiterlijk toe sympathisanten te zijn van Fethullah Gülen. Eerbiedig hebben ze het over hem als ‘hoca efendim’ (leraar). In diens betrokkenheid bij de staatsgreep geloven ze niet. Voor hen was hij een wijs man, die met zijn organisatie (‘Hizmet’, de Dienst) slechts sociale en educatieve doelen nastreefde.
Mehmet (33) en Emir (30) werkten in 2016 bij de gendarmerie, een soort marechaussee. Ali was gevangenbewaarder. Alle vijf hadden sinds hun vrijlating grote moeite om werk te vinden, met hun strafblad of aantekening in de politiedossiers. Potentiële werkgevers werden gewaarschuwd: neem deze persoon niet in dienst. Ze overleven dankzij baantjes in de horeca, de meubelmakerij en de textielsector, al of niet zwart.
Het naarste echter is de maatschappelijke uitsluiting. ‘Niemand wilde meer iets met me te maken hebben’, zegt Zeynep. ‘Mijn buren deden vijandig, ze groetten me niet langer. Mijn dochtertje werd op school gepest. We kregen doodsbedreigingen, zeker het eerste jaar na de staatsgreep.’
Voor de zekerheid had ze haar verzameling boeken over het gedachtegoed van Gülen in de kelderbox opgeborgen. Een buurman ontdekte dat en waarschuwde de politie. ‘Mijn dochter heeft drie jaar therapie gehad omdat ze haar moeder meegenomen zag worden’, zegt ze.
Tot overmaat van ramp werd ze niet gesteund door haar echtgenoot. ‘Hij beschuldigde me ervan Fetö-lid te zijn.’ Het huwelijk hield geen stand. Ze vond later een lotgenoot in Ali, die evenmin was gesteund door zijn partner en ook gescheiden was. Familieleden wilden hem in de gevangenis niet bezoeken. ‘De Turkse staat pakt heus geen onschuldigen op’, zeiden ze. Ali en Zeynep zijn inmiddels getrouwd.
Zo werden niet alleen buren en vriendenkringen, maar zelfs families en echtparen verscheurd door de nasleep van de mislukte staatsgreep. ‘Ouders keerden zich af van hun kinderen’, zegt Zeynep. ‘Veel mensen hebben zelfmoord gepleegd. Zelf bleef ik mentaal overeind door andere slachtoffers van de repressie te helpen. Toch ben ik hard geraakt. Ik ben verdacht gemaakt omdat ik actief was in de liefdadigheid. Mijn goede bedoelingen zijn me ontstolen.’
Alle mannen die gevangen zaten, zeggen in detentie slecht te zijn behandeld. Het meest uitgesproken is Ali. Hij worstelt met gevoelens van wraak, die almaar groeien. Over de martelingen valt veel te vertellen, zegt hij, maar liever niet in gezelschap van zijn vrouw. Bij een latere ontmoeting, zonder Zeynep, blijkt waarom: hij is seksueel misbruikt. ‘Ik ben anaal verkracht, met een stok. Dagenlang had ik alleen een onderbroek aan, ik werd intiem onderzocht.’
Ook anderszins was de behandeling onmenselijk, zegt hij: slecht voedsel (‘ik ging van 92 naar 68 kilo’), nauwelijks contact met de buitenwereld, 28 maanden isolatie in een cel van 9 vierkante meter. Vernederend was dat hij in eerste instantie terechtkwam in de gevangenis waar hij zelf werkte als bewaarder, en werd gemarteld door collega’s. ‘Ik ben bang dat ik ze iets aandoe als ik ze tegenkom.’
Over Gülen, de staatsgreep en wat daarop volgde, zwijgen de vijf nog steeds tegenover de buitenwereld. Een gevoeligere kwestie dan deze bestaat niet in Turkije. Alleen onder elkaar spreken ze vrijuit. De officiële herdenking woensdag van de coup zal aan hen voorbijgaan. Naar het 15 Juli Museum zijn ze nooit geweest.
‘Elke keer als ik langs het museum en over de brug rijd’, zegt Ali, ‘word ik herinnerd aan de burgers die zijn gedood door sluipschutters, net als jonge dienstplichtigen die zogenaamd voor training naar de brug waren gebracht. Met het museum probeert de regering zichzelf te verheerlijken. Maar een regering die niet levert, zal door het volk bij verkiezingen worden afgezet.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant