Home

Een ijsje voor mijn vrouw

Mijn vrouw ontgaat veel, maar niet de belofte dat halverwege het tochtje vanuit het verpleeghuis een ijsje wacht. Appeltaart mag ook, en liefst met slagroom, maar dat ijsje is niet te verslaan.

Het is geen vereiste dat het warm weer is, tot diep in de winter koop ik voor haar fabrieksmatig vervaardigde ijsco’s. Maar de ideale setting voor de ijsconsumptie is de zitbank in het zonnetje voor de ijssalon. Daar, bij de rotonde, schicht Amsterdam in hoog tempo aan je voorbij. Dat er relatief in een halfuurtje zo weinig ongelukken gebeuren in dat tumult van auto’s, motoren, fatbikes, fietsen en voetgangers blijft een wonder.

In de bestelling van het ijs heb ik een hoge graad van perfectie bereikt. Het is zinloos is om haar de keus te laten. Kiezen betekent onderscheid maken en dat mag je van haar niet meer verwachten. Op zulke momenten stel ik me haar geest voor als een in het duister gehulde rommelzolder, waar ze tevergeefs zoekt naar vergeten kostbaarheden.

Dus kies ik de ijssoort plus de vorm waarin die moet worden genoten: een bekertje, geen hoorntje! Het hoorntje resulteert onvermijdelijk in geklieder. Dit zijn de momenten waarop je jezelf weer even de vader van vroeger voelt.

Gelukkig is de beloning groot. Innig tevreden kan ze van haar ijs genieten terwijl ze naar het verkeer kijkt. Op deze middag heeft ze ook nog het geluk dat een klein gezin naast ons plaatsneemt: een moeder met een kindje in de kinderwagen en een lief zoontje ernaast. Hondjes en kinderen, dat zijn in die volgorde de fenomenen die haar op deze wereld het meest boeien. Ze gaat er zonder aarzeling mee in gesprek. Hondjes worden bewonderend geaaid en toegesproken, kindjes krijgen vragen en adviezen.

Veel kinderen praten, net als dit jongetje, terug: een beetje beteuterd, maar zeker niet angstig. Ze begrijpen die mevrouw niet, maar ze vinden haar wel aardig. Zoals ik vaker meemaak, kijkt de moeder mij een beetje meewarig aan: het dringt tot haar door wat hier gaande is.

Ik wacht nog een gunstig moment af om op te breken, als twee vrouwen langs ons bankje lopen. Ze zeggen eerst iets tegen de moeder die ze blijken te kennen en zien dan mijn vrouw die nog met het jongetje in gesprek is. De jongste vrouw gilt opeens: ,,Maar dat is Margriet! Margrietje!’’ En ze stort zich op mijn stomverbaasde  vrouw. De andere vrouw kijkt toe en roept al even verheugd: ,,Ja, dat is Margriet!’’ Zij komt mij vaag bekend voor en dan begrijp ik het: dit zijn twee verzorgenden van het personeel uit het eerste verpleeghuis van mijn vrouw waar ze een jaar geleden is vertrokken.

Ik weet dat mijn vrouw hen niet kan herkennen, toch reageert ze in zulke situaties altijd opgetogen. Ik krijg even geen klank uit mijn keel en haal daarna met de vrouwen nog wat herinneringen op voordat ze uitgelaten afscheid nemen en hun tocht vervolgen. ,,Wij moeten ook gaan’’, zeg ik. Ik zie dat haar ijsje tijdens de omhelzing op de grond is gevallen. ,,Straks nemen we nog ergens een ijsje’’, beloof ik.

,,Hè ja’’, zegt ze, ,,een ijsje!’’

Frits Abrahams

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next