Asielprocedure Het terrein voor het aanmeldcentrum in Ter Apel is onveilig voor wachtende asielzoekers. Jongemannen met weinig te verliezen zorgen voor voor onrust en zelfs geweld. „Je zou ervoor moeten zorgen dat zij als een speer door de procedure gaan.”
Een cameraploeg bij de ingang van het aanmeldcentrum van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers in Ter Apel.
Langzaam loopt Vares Sahil (27) naar de afvalbak en vist er een lege whiskyfles uit. Met de fles verborgen achter zijn rug scant hij het grasveld voor het asielzoekerscentrum in Ter Apel af.
Een paar minuten eerder had hij ruzie met een man die zijn been in het gips heeft. Nu lijkt hij naar hem op zoek.
Op blauwe slippers sloft hij het veldje af; zijn ogen half dicht, speeksel in zijn mondhoeken. Beveiligers volgen hem van een afstandje, maar grijpen niet in.
Op het terrein voor het aanmeldcentrum van Ter Apel kijkt niemand meer op van dit soort incidenten. Vrijdag besloten hulpverleners van het Rode Kruis en VluchtelingenWerk hun werkzaamheden op het veld te beëindigen, ze voelen zich niet langer veilig. Ze waren er sinds eind mei, toen COA ‘gecontroleerde toegang’ invoerde, omdat het centrum al tijden overvol was. Alleen kwetsbare mensen mogen naar binnen, (jonge)mannen moeten voor de poort – soms dagenlang – wachten tot er een plek is om asiel aan te vragen.
Maandag greep de minister in: pas gearriveerde asielzoekers voor wie geen plek is, worden opgevangen in een kantoor aan de rand van het terrein. Zo hebben de wachtenden minder hinder van overlastgevers. Bovendien konden de vrijwilligers van het Rode Kruis daar weer komen.
Toch blijft het onrustig rond het azc. Tussen de mensen die zich dagelijks in Ter Apel melden, bevinden zich ook mannen die al jaren door Europa trekken. De meesten komen uit landen als Marokko, Algerije en Tunesië en maken weinig kans op asiel.
Sommigen leven al lange tijd op straat en kampen met verslavingen of hebben in drugs gehandeld. Via de asielprocedure krijgen ze tijdelijk onderdak, maar uitzicht op een verblijfsvergunning hebben ze meestal niet. Zodra hun mogelijkheden zijn uitgeput, trekken ze naar een volgend land.
Als de bus uit Emmen arriveert, stapt de Algerijnse Brahim Bounina uit. Hij kijkt onwennig rond. Hij was jaren geleden ook al eens in Ter Apel, zegt Bounina (36), maar de afgelopen jaren heeft hij in Frankrijk en Zwitserland gewoond. Twee dagen geleden heeft hij de trein vanuit Bern naar Nederland genomen. Overal zitten en staan groepjes rokende mannen. Bounina legt zijn vest in de schaduw onder een boom, verder heeft hij geen bagage.
Hij steekt een joint op. Hij woonde jaren op straat, zegt hij, maar als zijn moeder hem belt, vertelt hij dat het goed met hem gaat. Dat haar zoon heeft vastgezeten voor drugshandel in België, weet ze niet.
Veel van de mannen op het grasveld hebben een vergelijkbare route door Europa afgelegd. Via Spanje of Italië kwamen ze Europa binnen en zijn daarna verder gereisd naar Frankrijk, België of Nederland. Sommigen hebben jarenlang in Italiaanse steden gewoond, anderen lange tijd in Frankrijk.
Ze leerden de taal, en vonden af en toe zwart werk, vertellen ze. Ze hebben marktkramen opgebouwd in de Parijse voorstad Saint-Denis, koeien gemolken op het Italiaanse platteland en woningen opgeknapt in België.
Mustafa Ali (28) zit op een ijzeren reling voor de opvang en bladert door de foto’s op zijn telefoon. Daar staat hij tussen de koeien op een boerderij bij het Italiaanse Trento. „Veertig stuks”, zegt hij trots. Op een andere foto rijdt hij paard, op weer een andere fietst hij door een heuvelachtig landschap.
„Zie je?”, grijnst hij. „Ik had het echt goed in Italië.”
Waarom is hij dan naar Nederland gekomen? Ali haalt zijn schouders op: „Mijn geld was op.”
Een man naast hem pakt ook zijn telefoon erbij en laat een selfie zien met een stapel bankbiljetten. „5.000 euro.” Het geld, zegt hij zonder gêne, heeft hij verdiend met drugshandel. Vervolgens toont hij foto’s van hasj en zakjes wit poeder. Hij zegt achttien maanden gevangen te hebben gezeten. „Voor drugs en geweld.”
Zijn de mannen bang voor de vecht- en steekpartijen hier op het veld?
Vares Sahil: „Overal op de wereld wordt gevochten.”
De slagboom gaat omhoog en een politiebus rijdt het opvangterrein op. „Dan is er gevochten”, zegt een Eritrese man droog. Hij moet terug naar Italië, daar vroeg hij eerder asiel aan. Zondagavond werd nog een mes getrokken op het veld, zegt hij. „Ze vechten om hasj, pillen, drank. Een klein meningsverschil kan al leiden tot een steekpartij.”
De man deelt een kamer met zeven Algerijnen. Laatst zaten ze te drinken en namen ze Lyrica, zegt hij. Dat is een epilepsiemedicijn dat ook als roesmiddel wordt gebruikt, en staat bekend om de agressie die het kan opwekken. „Ik dacht: hoe ga ik hier slapen?”
Toen hij het COA om een andere kamer vroeg, kreeg hij te horen dat daar geen plek voor was.
Asielzoekers die weinig kans maken op papieren, verblijven op een apart gedeelte op het terrein, vertellen ze. Voor overlastgevers is een extra strenge locatie op het terrein: zij moeten zich drie keer per dag melden, worden gefouilleerd bij binnenkomst en hun kamer wordt bijna dagelijks geïnspecteerd op onder meer drank en drugs, zeggen ze.
Dit is nog altijd beter dan wat we op andere plekken in Europa gewend zijn, zegt de Algerijnse Musin Ait Danni (39), die op de extra strenge locatie verblijft. „Hier zijn grote opvangcentra, je krijgt een bed, eten en geld” zegt hij: „In Italië slaap je gewoon op straat.”
Een bus vertrekt onder toezicht van handhaving.
Asiel aanvragen is te aantrekkelijk voor deze mannen, zegt Mark Klaassen, universitair docent migratierecht aan de Universiteit Leiden. Je zou ervoor moeten zorgen dat zij als een speer door de procedure gaan, zegt hij. „Binnen twee dagen een afwijzing, na een week door de beroepsprocedure. Dat is voor een specifieke groep echt te regelen. Ze maken nu misbruik van de bureaucratie van het asielsysteem.”
Probleem blijft dat het vaak lastig is deze mannen vervolgens uit te zetten, geeft hij toe. Lang niet altijd zijn ze eerlijk over hun identiteit. Soms ook werken landen van herkomst niet mee. „We zouden enorm ons best moeten doen om betere afspraken te maken met die landen om hun eigen onderdanen terug te nemen.”
Wat niet werkt, zegt hij, is als ze na hun afwijzing hun zwervende bestaan kunnen voortzetten en onder de radar verdwijnen. „Je kan hun bewegingsvrijheid beperken, ze verspreiden over het land, zodat niet alle overlast zich concentreert. En maatwerk leveren. Natuurlijk kost dat moeite, maar dat kost het nu ook en dit levert een hoop ellende op.”
De verhalen over vecht- en steekpartijen beperken zich niet tot geruchten. Zondagmiddag werd Vladimir (67) uit Rusland vlak voor de ingang van het centrum mishandeld. Hij vertelt er een dag later over, bijna op dezelfde plek. Hij heeft een blauw oog, schaafwonden en grote blauwe plekken op armen en benen. Uit vrees zijn asielprocedure te schaden, wil hij zijn achternaam niet in de krant.
Hij wilde gaan zwemmen, vertelt hij. Vrienden waren al bij de zwemplas, hem lukte het niet de locatie te vinden. Hij keerde om. Vlak bij de ingang van het centrum, begonnen drie mannen in het Arabisch tegen hem te schreeuwen, zegt hij. Hij wijst naar de poort. „Een van hen trapte in mijn rug. Ik rende naar de ingang.” De beveiliger liet Vladimir niet binnen, omdat hij zijn toegangspas niet bij zich had.
Toen hij terugliep om zijn pas te zoeken, werd hij uit het niets geschopt en viel op de grond. „Een ander sloeg met een bierfles op me in.” De beveiligers grepen aanvankelijk niet in, zegt hij. Het COA bevestigt dit en zegt dat „beveiligers van het COA alleen bevoegd zijn om binnen het COA-terrein te handelen”. Maar de COA-woordvoerder voegt toe: „Ze hebben vanuit hun burgerplicht de politie gebeld” en dit overgedragen aan de agenten.
Pas toen hij naar de grond ging en de mannen op hem in bleven trappen, stormden de beveiligers erop af. Ze belden de politie en hielden de agressiefste man in bedwang. De politie kwam snel ter plaatse, net als een ambulance. De dag daarna bezoekt Vladimir de dokterspost. Hij heeft inmiddels aangifte gedaan van mishandeling.
Vladimir gaat liever niet meer alleen naar buiten. Een vrouw uit Kazachstan vergezelt hem nu. „Ze zijn doodeng”, zegt hij. „Misschien beviel mijn gekleurde zwembroek hen niet, maar eerlijk gezegd heb ik geen idee.”
Een medewerker van het COA stoot haar collega aan. Een man met een zwarte hoodie en zwembroek schopt op het grasveld een man tegen zijn been. „Zag je dat?” zegt de COA-medewerker. „Hij schopte die Eritreeër zomaar. Hij blijft uitlokken.” Ook de beveiligers zien het gebeuren, maar grijpen niet in.
Enkele minuten later grijpt dezelfde man een vrouw vast en trekt aan haar haren. „Help haar”, roept een vriend naar de beveiligers bij de poort. „Ik kan niks doen”, roept een van hen terug.
Anas Al Talibi uit Marokko kijkt zwijgend toe en steekt nog een sigaret op. Ook hij leefde jarenlang zonder geld op straat in Europa, zegt hij. Maar dat rechtvaardigt volgens hem niet wat hij dagelijks voor het aanmeldcentrum ziet. „Iedereen hier heeft problemen”, zegt hij. „Maar als je een probleem hebt met elkaar, dan praat je daarover. Je gaat niet vechten.”
Vares Sahil loopt opnieuw over het grasveld. Eerder op de avond ging hij nog met een lege whiskyfles achter een andere bewoner aan, nu verkoopt hij sigaretten aan asielzoekers. Al Talibi kijkt hem na: „Zulke mannen maken het alleen maar erger voor ons in Europa.”