Net als bij het laatste EK ontmoeten Frankrijk en Spanje elkaar dinsdagavond in de halve finale. Beide landen zijn de rest van Europa allang voorbij als het om voetbal gaat. Waar zit dat ’m in?
is voetbalverslaggever van de Volkskrant.
Drie van de vier landen in de halve finales van het WK zijn dezelfde als twee jaar geleden bij het EK. Frankrijk, Spanje en Engeland. Welk land ontbreekt in het kwartet? Juist, Nederland, dat in de halve eindstrijd op het EK met 2-1 van Engeland verloor, is vervangen door Argentinië, de regerende wereldkampioen.
Nederland is door de vroege uitschakeling op het WK alweer vergeten, als een naam uit het verleden. Het is, vanuit Nederlands perspectief, ook wel een beetje sneu, als trainers uit Spanje voortdurend beginnen over Johan Cruijff als inspiratiebron. Zeg maar: wat hier verloren is gegaan aan voetbalintellect, is daar opgepikt. Het gaat dan over Cruijff, over het grote Ajax van vroeger en wat dies meer zij.
Neem Miguel Ángel Sánchez Muñoz, kortweg Míchel (50), de nieuwe trainer van Ajax. Gehaald door Cruijffs zoon Jordi, in een poging het gedachtegoed van Cruijff te laten herleven. Michel liet zich vorige week op de Veluwe interviewen tijdens de voorbereiding. Strekking van zijn verhaal: Johan is de grootste, met vier, vijf anderen. Een van die vier, vijf anderen is Pep Guardiola, die weer totaal is geïnspireerd door Cruijff. Over zijn ambitie zei Míchel: ‘Ik sta te popelen om Ajax aanvallend te laten voetballen, zoals in het verleden.’ Winnaarsmentaliteit kweken beschouwt hij als zijn eerste doel. De Spanjaard moet het voetbal van Ajax als het ware weer naar Amsterdam brengen, vanuit Spanje, zoals Cruijff-volger Peter Bosz dat bij PSV in Eindhoven heeft gedaan.
Het is dus een simpele vraag: wat is de verklaring voor het succes van het Spaanse voetbal ten opzichte van Nederland? Spanje was voorheen goed, maar niet geweldig, niet mondiaal uitblinkend in het voetbal voor landen. Nu wel, al jaren. Míchel: ‘Voor mij hebben Butragueño en Cruijff een totaal ander voetbal neergezet in Spanje.’ Emilio Butragueño was een aanvaller, met de bijnaam De Gier, vanwege zijn vermogen te loeren op kansen en onverbiddelijk toe te slaan als het ideale moment daar was.
Butragueño behoorde tot een select groepje dat Real Madrid in de jaren tachtig opnieuw naar successen voerde, al ging de halve finale van de Champions League (toen nog de Europa Cup I) in het topjaar 1988 verloren van PSV. Míchel was nog een jongen en hij herinnert zich het beslissende doelpunt van Edward Linskens in Bernabéu, een rollertje tussen de benen van doelman Buyo door. ‘Maar Real was een prachtig elftal.’ Hij is geboren in Madrid en groeide op met het WK van 1982 in Spanje, met Maradona, die de aftocht blies na een rode kaart. Met Platini, die met het geweldige Franse elftal in de halve finales strandde tegen de onverzettelijke Duitsers. Gastland Spanje was destijds best goed, maar niet bijzonder. Cruijff verspreidde zijn ideeën over het Spaanse voetbal in twee etappes: eerst als speler van Barcelona, vanaf eind jaren tachtig als trainer.
De ontwikkeling in Spanje, inclusief de bevrijding van de dictatuur van Franco vanaf 1975, heeft geleid tot een harde voetbalcultuur met een grote rol voor creativiteit. Míchel: ‘Al onze opleidingen zijn super-, supercompetitief. Het gaat om winnen. De concurrentie is zwaar. De belangrijkste oorzaak voor het succes is de ontwikkeling van het talent van het individu, en vanaf heel jonge leeftijd is daar competitie. Daaruit ontstaat een soort DNA met winnaarsmentaliteit.’ Dat is tevens het eerste dat hij meeneemt naar Nederland, waar alles tot in de puntjes is geregeld, waar de bond pas vanaf de jeugd ouder dan 11 jaar de uitslagen bijhoudt, vanwege pedagogische inzichten.
Afgezien van welke aanpak beter is, luidt het cliché dat ze in Spanje, en in Frankrijk trouwens ook, wel drie WK-waardige elftallen kunnen opstellen. Zo groot is het aanbod van kwalitatief hoogwaardige spelers. De twee Zuid-Europese landen hebben de hegemonie overgenomen in Europa. Ze waren altijd al goed, zeker, maar niet zo goed als Duitsland en Italië, die allebei vier wereldtitels wonnen. Duitsland zag de laatste drie WK’s faliekant mislukken, terwijl Italië al drie keer helemaal niet meedeed.
Frankrijk had al gouden generaties met Michel Platini en Zinedine Zidane, maar nu zijn ze structureel een absoluut topland. Spanje telde bij de landen voor het eerst echt mee met Xavi en Iniesta. Tel alleen hun titels met de nationale ploeg van deze eeuw: Spanje, eerste wereldtitel in 2010, Europese kampioenschappen in 2008, 2012 en 2024, na een eerdere titel in 1964. Frankrijk, tweede wereldtitel in 2018 (eerste in 1998), finale in 2006 en 2022, Europese titel in 2000, na 1984. Frankrijk heeft, meer nog dan Spanje, een zeer multiculturele samenleving met een rijk aanbod aan voetballers, waarop vanuit rechtse kringen overigens kritiek is, al sinds de ‘black blanc beur’-ploeg van 1998.
Wie favoriet is, valt niet te zeggen. Frankrijk is zeer compleet en vooral aanvallend spectaculair als zelden tevoren. Aanvoerder Kylian Mbappé en Europees voetballer van het jaar Ousmane Dembélé scoorden samen al dertien keer dit WK, de in Engeland geboren en opgegroeide Michael Olise is de meest gracieuze speler van het toernooi. Spanje oogt iets minder sterk dan voorheen, en is niet zo sexy qua aanvalskracht. De twee uitblinkers van het EK, Nico Williams en Lamine Yamal, beleven een minder toernooi, al dan niet door blessures.
Topschutter is Mikel Oyarzabal, met ‘slechts’ vier treffers dit WK. Hij valt veel minder op dan Mbappé of Dembélé en past perfect in het combinatievoetbal van Spanje. Het spel van Frankrijk is directer, bedoeld om de snelheid voorin aan het werk te zetten. Oyarzabal speelt bij Real Sociedad, een veel minder opvallend elftal dan Real Madrid of Paris Saint-Germain.
De belangrijke, beslissende doelpunten zijn tijdens de laatste duels van Mikel Merino van Arsenal, die tegen Portugal en tegen België scoorde, een paar minuten nadat hij was ingevallen. Bondscoach Luis de la Fuente snapt dat velen Frankrijk favoriet noemen, maar hij rept dan van de laatste onderlinge wedstrijden, gewonnen door Spanje, met 5-4 in de Nations League en met 2-1 in de halve finales van het EK. Juist: het EK waarin Nederland nog de halve finales bereikte.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant