Home

Syriërs willen op zoek naar hun beminde doden, ze willen niet langer wachten

Anderhalf jaar na de val van dictator Bashar al-Assad is er nog nauwelijks een begin gemaakt met de zoektocht naar de vele tienduizenden vermisten in Syrië. Nabestaanden zijn boos en ongeduldig, en beginnen soms zelf met graven. ‘De traagheid is bewuste tactiek.’

is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Voor deze reportage bezocht hij de Syrische hoofdstad Damascus.

Je moet haar door de stoffige straten zien stuiven, de kleine Feryal. Paardenstaart, roze slippers, guitige blik, vroegwijs voor haar 9 jaar. Levenslustig ook. Non-stop ratelend. O ja, en ze speelt al jaren met haar vriendjes tussen de botten van de doden. Soms een kuitbeen, soms een schedel. Het zijn de botten van de ‘martelaren’, zoals ze haar vader en grootvader napraat.

Feryal hoeft er niet eens naar te zoeken, het massagraf ligt voor haar ouderlijk huis. Iedere dag bidt ze voor de zielen van de doden. Kijk, ze doet het voor. Ze maakt schelpen van haar handpalmen en prevelt haast onhoorbaar de openingsregels van de Koran. ‘In de naam van God, de oneindig barmhartige en genadevolle... Leid ons op het rechte pad, het pad van hen die uw genade hebben ontvangen.’

Vandaag wordt ze door militairen op afstand gehouden van het massagraf, waar op bescheiden wijze geschiedenis wordt geschreven. Voor het eerst hebben de Syrische autoriteiten onder leiding van interim-president Ahmad al-Sharaa opdracht gegeven tot het opgraven van stoffelijke overschotten uit het bloedige tijdperk van dictator Bashar al-Assad. Fotografen en verslaggevers mogen er niet bij, of zoals de Volkskrant hooguit een half minuutje.

Zo’n twintig mannen in witte overalls zijn in een put bezig met pikhouwelen en scheppen. Wat ze aan botten vinden, verdwijnt in bruine, papieren zakken met daarop handgeschreven de datum. Volgens een opzichter zijn er tot dat moment twaalf lichamen gevonden. ‘Wees voorzichtig’, roept hij de mannen toe vanaf de rand van de krater, ‘doe het asjeblieft met beleid.’

De nauwkeurigheid en zorg van de forensisch experts is voor de wijkbewoners iets nieuws. Zo ging het hier nooit. Maandenlang lagen de botten hier voor het grijpen, boven en onder de grond. Feryal zag straathonden die zich op de beenderen stortten. ‘Een andere keer smeet een vriendje van mij, Zeino, een bot op het dak van een hoog gebouw. God zal je straffen, heb ik hem toegeschreeuwd.’

Ze kwam thuis met een schoenendoos vol botten, het resultaat van haar eigen reddingsactie. Haar moeder, Rahaf al-Aarja (25), bevestigt het incident. Ze vroeg haar dochter de botten terug te leggen. Hoewel onwaarschijnlijk, kunnen het de overblijfselen zijn geweest van de 17-jarige Hani, een oom van Feryal. Hij werd doodgeschoten op weg naar zijn werk. Zolang hij niet fatsoenlijk begraven is, zegt moeder Rahaf, waart zijn ziel rusteloos rond.

Speciaal comité

Anderhalf jaar na de val van Assad staat Syrië voor een haast onmogelijke opgave. Gerekend sinds 2011, het begin van de Syrische opstand en de daaropvolgende burgeroorlog, zijn er tussen de 160- en 200 duizend mensen vermist geraakt. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft, voor zover bekend, geen land ter wereld zoveel vermisten gekend. Officieel zijn er zo’n zestig massagraven bekend, verspreid door heel Syrië, maar het zijn er vermoedelijk meer.

Een decreet van interim-president Al-Sharaa leidde vorig jaar tot de oprichting van de Nationale Commissie voor Gedwongen Vermisten (NCMP), die moet gaan samenwerken met onder meer de Verenigde Naties.

Maar tussen papier en praktijk gaapt een immens gat. De Syrische staatskas is leeg, en het ontbreekt de nationale commissie aan geld, mankracht en kennis. De massagraven (uitzonderingen als Tadamon daargelaten) blijven minimaal tot 2027 dicht, heeft de nationale commissie verklaard, in afwachting van het benodigde geld voor forensisch specialisten en DNA-laboratoria. Met het opleiden van deze specialisten (waar een jaar voor staat) is nog geen begin gemaakt.

Een bijkomend probleem is dat er nog altijd geen wettelijk kader is en daarmee geen fatsoenlijk mandaat. Het Syrische parlement (afgelopen herfst verkozen) dat zo’n wet zou moeten aannemen, is pas sinds begin deze maand in zitting en moet zijn eerste wet nog aannemen.

Terug naar Tadamon. Dat er juist hier begonnen is met graven, heeft een voor de hand liggende reden: het bloedbad dat hier werd aangericht, ging de hele wereld over. De regering kan er – hoe wrang dat ook klinkt – mooie sier mee maken. Een kleine driehonderd slachtoffers, mannen, vrouwen en kinderen, werden hier met geweerschoten geëxecuteerd door Amjad Youssef, een beul van Assad. Hij liet zich filmen terwijl hij hen in een zelf gegraven gat smeet en de trekker overhaalde.

Syrische activisten wisten nadien de hand te leggen op de beelden en smokkelden ze het land uit. De Nederlandse genocidewetenschapper Ugur Ümit Üngör (Universiteit van Amsterdam) kreeg de beelden in handen, en bracht ze samen met een Syrische collega naar buiten, waarna ze viral gingen in Syrië. In april werd Youssef opgepakt, hetgeen in Tadamon leidde tot een volksfeest. ‘Als ik hem zie, sla ik hem met mijn slippers’, babbelt de kleine Feryal. ‘Daarna zal ik hem van het hoogste gebouw in de wijk smijten. En dan opnieuw.’ Zijn rechtszaak begint naar verwachting later dit jaar.

Kritiek van ngo’s

Dat er in Tadamon gegraven wordt, klinkt als een stap vooruit. Toch is de kritiek niet mals. Als er geen forensisch specialisten zijn, wat gaat er dan gebeuren met de stoffelijke resten? Niemand weet het antwoord. Eén van de tijdbesparende oplossingen die door non-gouvernementele organisaties (ngo’s) is geopperd, is om DNA-monsters naar buitenlandse labs te sturen. De commissie weigert dat, naar verluidt omdat het om een ‘soeverein’ dossier zou gaan waar andere landen niets over te zeggen hebben.

In gesprekken van de Volkskrant met diverse ngo-medewerkers blijkt dit slechts het topje van de onvrede. De nationale commissie functioneert slecht, zo klinkt het. Medewerkers willen hun verhaal alleen doen op voorwaarde van anonimiteit, omdat ze (noodgedwongen) samenwerken met diezelfde commissie. ‘De commissie is absoluut niet onafhankelijk’, zegt een van hen. ‘Het is de minister van Justitie die bepaalt wat er gebeurt. Tot nu toe gebeurt er weinig. Op afspraken die wij met ze maken, komen ze soms niet opdagen.’

De traagheid is bewuste tactiek, denkt deze medewerker. Het thema van de vermisten is verknoopt met dat van de daders, van wie sommigen vrij rondlopen. ‘Daarom proberen de autoriteiten alles met twee à drie jaar uit te stellen. Ze denken: als we nu de doos van Pandora openen door massagraven bloot te leggen en namen van daders vrij te geven, gaan families voor eigen rechter spelen. Dat wordt chaos. Dan trekken ze met wapens naar de dorpen van de alawieten (de bevolkingsgroep waar veel Assad-loyalisten toe behoorden, red.).’

Een medewerker van een andere ngo deelt de kritiek. ‘Ze investeren niet in forensisch specialisten of data-analisten. Sowieso hebben ze nauwelijks personeel aangenomen. Het gaat puur om de pr, om het bééld dat ze iets doen.’ Immers: ‘Echte gerechtigheid leidt tot vragen over de daders. Van hen is president Sharaa als ex-leider van terreurgroep Jabhat al-Nusra er een. Daar heeft zijn regering geen zin in.’

Families beklagen zich over het gebrek aan transparantie. ‘De commissie neemt geen contact met ons op’, zei een vrouwelijke nabestaande uit de verwoeste wijk Yarmouk tegen nieuwssite Al Jumhuriya. ‘Dus zeggen mensen hier: wat heeft het voor zin? Niemand geeft om ons.’ Op een interviewverzoek van de Volkskrant aan de commissie komt aanvankelijk geen antwoord. Na aandringen volgt er een uitnodiging voor een gesprek, maar dat wordt afgezegd; de woordvoerder is naar eigen zeggen op reis.

Een graf in Jobar

Verderop in Damascus, in de zwaar verwoeste wijk Jobar, gaat wijkburgemeester Moumin al-Hamrawi (45) zijn bezoekers voor naar een kaal veldje. Onder het grind, de plastic flessen en het andere zwerfafval liggen volgens hem acht strijders die de wapens opnamen tegen Assad. Ze werden in 2017 gedood en hier in een graf gedumpt.

Toen een van de daders vorig jaar werd opgepakt, grepen inwoners hun kans. Ze dwongen de man hen de plek aan te wijzen van het massagraf. Daarna belden ze de autoriteiten: konden die komen graven? Er gebeurde niks. ‘Toen hebben we zelf maar een graafmachine geregeld’, zegt de burgemeester, die daarvan een filmpje op zijn telefoon laat zien.

Na een dag graven kwamen de doden van Jobar tevoorschijn. Opnieuw volgde een telefoontje naar de nationale commissie, die hen verbood door te gaan. Het graf moest worden dichtgegooid, tot grote frustratie van de burgemeester. Door met de media te praten hoopt hij de druk te verhogen. ‘Als we wachten en niets doen, weten we zeker dat er niks gaat gebeuren.’

Intussen is de 30-jarige Bahaa al-Huossary erbij komen staan. Onder zijn voeten, daar is hij van overtuigd, liggen de resten van zijn broer Diaa. Net als de burgemeester stelde hij alles in het werk om de aandacht van de commissie te krijgen. ‘De boodschap was: wacht tot we de middelen hebben voor DNA-tests. Dan denk ik: als je weet waar deze mannen hun leven voor hebben gegeven, zeg je zoiets niet.’

Kistjes met botten

Zolang er niet wordt gegraven, lossen Syriërs het op hun eigen manier op. Neem Douma, een voorstadje aan de noordzijde van de hoofdstad dat gold als een bolwerk van het verzet tegen Assad. Op een vrijdagmiddag is het druk bij de lokale moskee. Alle aandacht gaat uit naar negen mannen en jongens, die ieder een houten kistje dragen. De kistjes zijn voorzien van de Syrische vlag en de naam van de dode, plus een foto. Althans: de mannen hebben een foto gekregen, de volwassen vrouwen – conform de islamitische norm van zedigheid – niet.

Khaled al-Syriool (35), neef van een van de doden, draagt voor de gelegenheid een nette polo. Eerder die week zijn de stoffelijke resten tijdens bouwwerkzaamheden per toeval gevonden, zegt hij. Meteen meldde zich Syriools familie: hun geliefden waren in 2018 op die plek de dood in gejaagd door Assads leger. ‘Onder het regime mochten we niet graven’, legt Syriool uit. ‘De boodschap was: dit zijn terroristen, die mag je niet opgraven.’

Acht jaar later worden de kistjes de moskee in gedragen, waar de imam tijdens zijn vrijdagpreek verkondigt dat ‘God ons de overwinning heeft geschonken’ op de ‘misdadiger’ Assad. Wat de imam er niet bij zegt, is dat er iets geks aan de hand is met de kistjes. Syriool weet het, de omstanders weten het. De botten zijn willekeurig over de kistjes verdeeld: hier een wervel, daar een onderkaak.

Damascus heeft weliswaar een klein forensisch lab dat onderzoek kan doen (niet op basis van DNA, maar op basis van uiterlijke kenmerken), maar daar wilde de familie niet op wachten. ‘In de islam is het gangbaar om iemand gelijk te begraven’, verdedigt Syriool dat besluit. ‘Dat is hoe we de doden eer bewijzen.’

Dan beginnen hij en de anderen aan een mars door Douma, de kistjes dansend boven hun hoofden, op weg naar de begraafplaats. Onder een weldadige zon wordt er geklapt en gezongen over de martelaren die nu bij God zijn. Bijna iedereen hier heeft mensen verloren. De dood is even nabij als het leven. Wat er ook in de kistjes zit, het is meer dan de meesten ooit van hun geliefden hebben teruggezien.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next