Home

De raffinaderij zou alleen afvalwater lozen in zeldzame noodgevallen, maar volgens het OM werd het routine

De Zitting Esso Nederland B.V. gebruikte volgens het OM een noodroute voor afvalwater alsof die bij de gewone bedrijfsvoering hoorde. Voor de economische politierechter was één vraag beslissend: stond dat ook hard genoeg in de vergunning?

Illustratie Leonieke Fontijn

De zaak

Op papier leek het in orde, zegt de officier van justitie. Esso Nederland B.V., onderdeel van het Amerikaanse energieconcern ExxonMobil, verzamelt afvalwater uit haar fabriek in de Botlek, zuivert het en loost het daarna, zegt ze met hoorbare afstand, ‘schoon’ in de Rotterdamse haven. „Tenminste, zo is het de minister voorgehouden toen Esso de vergunning aanvroeg”, zegt de officier. „Maar de werkelijkheid is anders.”

Volgens het Functioneel Parket, het OM-onderdeel dat zich bezighoudt met onder meer milieu- en economische zaken, kwam vervuild afvalwater veel vaker dan toegestaan in de Maas terecht. Dat leidde volgens de officier tot „ernstige milieuschade” en „schade aan de maatschappij”.

Bij een grote industriële installatie als deze kan ineens veel meer afvalwater vrijkomen dan normaal, bijvoorbeeld door hevige regenval. Esso verwerkt in de Rotterdamse raffinaderij onder meer ruwe aardolie tot brandstoffen als diesel. Wanneer te veel water tegelijk binnenkomt, kan de zuivering overbelast raken.

Daarvoor bestaat een overstortvoorziening: een soort noodroute. Als de zuivering of opslag het water niet meer aankan, kan afvalwater via die route alsnog worden geloosd. Zo’n overstort is dus niet per definitie verboden. In vergunningen wordt er rekening mee gehouden dat bedrijven in uitzonderlijke situaties een uitweg nodig hebben.

Maar volgens het OM was bij Esso van uitzonderlijke situaties geen sprake meer. Toen het bedrijf de vergunning aanvroeg, voorspelde het hooguit sporadisch te overstorten: gemiddeld 0,6 keer per jaar. Maar tussen november 2022 en november 2023 belandde meer dan twintig keer vervuild afvalwater in de Rotterdamse haven. „Dit zijn geen bijzondere omstandigheden meer,” zegt de officier. „Dit is onderdeel van de bedrijfsvoering.” 

Esso had volgens het OM anders moeten handelen. Het bedrijf had minder kunnen produceren, de zuivering anders kunnen gebruiken of eerder kunnen investeren in extra zuiverings- en buffercapaciteit. „Maar al die oplossingen kosten geld, en dat wilde Esso niet”, zegt de officier.

Aan de andere kant van de zittingszaal luisteren twee medewerkers van Esso mee. Ze zitten naast hun advocaat van het Zuidas-kantoor Stibbe. Volgens het bedrijf stond nergens in de vergunning dat het maar een bepaald aantal keer per jaar mocht overstorten. De aantallen uit de aanvraag waren verwachtingen, geen harde normen. 

Ook zou Esso te maken hebben gehad met omstandigheden die het niet zomaar kon voorkomen, zoals hevige regenval en problemen in het zuiveringsproces. En de overstortvoorziening was volgens het bedrijf juist bedoeld om grotere milieuschade te voorkomen. Als ineens te veel water of vervuiling door de biologische zuivering gaat, kunnen de bacteriën die het vuil afbreken minder goed werken of zelfs wegspoelen. 

En, zegt de advocaat: Rijkswaterstaat had eerder al bestuursrechtelijk ingegrepen. Esso kreeg een last onder dwangsom opgelegd, verzette zich daartegen en ging in bezwaar en beroep. Uiteindelijk bouwde Esso extra buffercapaciteit, onder meer door een extra tank te plaatsen. Daarna trok Rijkswaterstaat de maatregel op verzoek van Esso in. 

Volgens Esso had de zaak daarmee moeten eindigen. De toezichthouder had gekozen voor een constructieve oplossing; het probleem was verholpen en er was geen reden meer om verder handhavend op te treden. Waarom moest daar dan nog een strafzaak bovenop komen? 

De officier vond dat een verkeerde voorstelling van zaken. Bestuursrecht kijkt vooruit, zegt ze: hoe stopt een overtreding? Strafrecht kijkt terug: wat is gebeurd en verdient dat straf? Dat de dwangsom later werd ingetrokken, maakte volgens haar niet ongedaan wat daarvoor in de haven was geloosd. 

De officier wees ook op het strafblad van Esso: veertien kantjes met milieudelicten, boetes en transacties. „Let wel: dit is een vergunning voor een van de meest vervuilende bedrijven van Nederland, geen proeftuin.” 

De eis: een boete van ruim 80.000 euro.

De uitspraak

Daar ging de economische politierechter in Dordrecht niet in mee. Voordat hij uitspraak deed, liep hij nog even de zaal uit: de zaak duurde veel langer dan verwacht en er moest nog een andere uitspraak gedaan worden. Een kwartier later kwam hij terug. Ja, zegt hij, er is veel afvalwater in de haven terechtgekomen. „Dat betreur ik”, zegt hij. Toch spreekt hij de vennootschap vrij.

De reden: het gemiddelde van 0,6 overstorten per jaar stond wel in de vergunningaanvraag, maar niet als harde grens in de vergunning zelf. De norm die wél in de vergunning stond, was ruimer geformuleerd: Esso moest de buffercapaciteit en overstortvoorzieningen „doelmatig inzetten” en „zorgvuldig bedienen”. 

Voor een strafrechtelijke veroordeling is meer nodig. De rechter moet concreet kunnen vaststellen dat Esso de overstorten had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld door de installatie anders te bedienen of eerder in te grijpen. Ook had uit het dossier moeten blijken dat het bedrijf op bepaalde momenten verkeerde keuzes maakte, waardoor vervuild afvalwater onnodig in de haven belandde. 

Dat bewijs zag de rechter niet. Het OM had vooral aannemelijk gemaakt dát Esso veel vaker overstortte dan was voorgespiegeld. Maar niet dat die overstorten het gevolg waren van strafbaar handelen. 

In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.

De Zitting

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next