Martin Melchers | ecoloog en filmmaker Hij struint al tientallen jaren door de natuur, schrijft boeken en maakt films – zoals nu ‘Amsterdam Wildlife by Night’. „Kom, naar beneden, we hebben nog meer te zien!”
Martin Melchers in het Westelijk Havengebied van Amsterdam.
Martin Melchers (81) is als eerste boven. Ondanks zijn waarschuwingen vooraf („niet de jongste meer”, „af en toe even pauzeren”) heeft hij binnen no time het Groene Schip beklommen, een 30 meter hoge uitkijkheuvel in het Westelijk Havengebied van Amsterdam. De met gras bedekte afvalbult – opgebouwd met as uit verbrandingsovens – biedt uitzicht over grote bergen steenkool, opslagsilo’s en het Noordzeekanaal, met containerschepen die af en aan varen. Én over de natuur daartussen. „Zie je dat groene veldje tussen de windmolens? Barstensvol rietorchissen. Ik heb er dit jaar ruim 10.000 geteld in het havengebied.”
Al ruim 65 jaar struint Melchers door de natuur van Amsterdam. „Mijn vrouw noemt het een dwangneurose. Ik kán gewoon niet anders. Ik wil alles weten van de andere levende wezens met wie we de stad delen.” Ook toen hij eenmaal werkte als fysiotherapeut ging hij in zijn vrije tijd het liefst naar buiten. Begin jaren negentig resulteerden zijn struintochten in een boek over de verborgen dierenwereld van Amsterdam: Haring in het IJ, geschreven samen met Geert Timmermans. „Die publicatie werd een keerpunt in mijn loopbaan. Ik werd door de gemeente gevraagd als eerste stadsecoloog van Amsterdam.” In die rol inventariseerde en observeerde hij niet alleen, hij schreef ook elf boeken én werd natuur-BN’er: wekelijks deelde hij op regiozender AT5 nieuws over planten en dieren in de stad. „Opeens had ik een bekende kop op straat. Dan spraken mensen me aan en merkte je dat het wel en wee van al die soorten ze écht wat deed.”
Twee bioscoopfilms volgden, samen met journalist Merel Westrik: Amsterdam Wildlife (2015) en nu, recent, Amsterdam Wildlife by Night. „Het is jammer dat Merel nu in het buitenland zit. Anders had ze nog wel een boekje open kunnen doen over hoe emotioneel ik soms kan worden van de natuur. Die keer dat er bij het filmpje een jong vosje naar me toekwam dat zich gewoon door me liet aaien… Onvergételijk. De tranen stroomden me over de wangen. Ik zie hem nog wegtrippelen, zijn pootjes leken te bewegen op de melodie van het tweede pianoconcert van Rachmaninov. Dat middenstuk vind ik zo ontzettend mooi. Pom-póm-pom-póm.”
Martin Melchers op het Groene Schip.
Vandaag staat een ronde langs enkele filmlocaties uit de nieuwste film op het programma. Die laat zien hoe onder meer boommarters, palingen en ransuilen hun plekje in de stad hebben veroverd. Maar hij toont óók de stadsecoloog in zijn natuurlijke habitat: in waadpakken struinend door sloten, met cameravallen zijn territorium afbakenend. Je hoort Melchers jubelen, samen met Westrik, over de fenomenale baltsroep van de rugstreeppad – een soort die het in Amsterdam buitengewoon goed doet. En wanneer op filmbeelden te zien is hoe een dodaarsnest geheel wordt leeggeroofd door een rat, is Melchers’ ontzetting voelbaar. Nu: „Dat was wel héél cru voor die vogels. Maar de natuur regisseert, wij hebben het niet voor het zeggen. In elke natuurfilm kom je onherroepelijk een portie drama tegen.”
Ook vanaf Het Groene Schip zijn diverse onheilslocaties aan te wijzen. „Daar, onder aan die windmolen, heb ik recent twee dode lepelaars gevonden. De koppen afgehakt door een molenwiek.” Verderop ligt op de weg een platgereden buizerd. Regelmatig vindt hij aangereden dieren. „Die zetten we op.” Vanochtend, toen we samen vanuit zijn huis in Amsterdam-Oost vertrokken, liet hij de collectie zien die Westrik en hij door de jaren heen hebben verzameld: een das, een vos, een hermelijn, een boommarter, een draaihals, een ijsvogel, een havik… „Zo krijgen ze toch nog een tweede leven.” Over de rietorchissen zou hij eveneens een somber verhaal kunnen afsteken. „Dat waren er een halve eeuw geleden nog 500.000. Het zag helemaal paars van die orchissen, het waren net bollenvelden. Maar inmiddels is het concurreren om de ruimte hier.”
Maar er gaat ook een hoop goed. Hier op het Schip broeden bijvoorbeeld veldleeuweriken, er komen hermelijnen voor. „En op 100 meter van mijn huis is laatst een boommarter op de camera vastgelegd. Een boommarter! Daar had ik in mijn stoutste dromen niet op durven hopen. Die is helemaal op eigen houtje hierheen gekomen, dat vind ik het mooiste. Al die uitgezette bevers en otters tegenwoordig, daar heb ik het niet zo op. Dat noem ik vensterbanknatuur. Geef mij maar opgespoten terreinen vol nieuw leven, vol soorten die de omgeving op slimme manieren weten te gebruiken.” In zijn boek Geluksvogel figureren regelmatig plevieren: vaak uitgesproken strandliefhebbers. „Dankzij al die tijdelijke zandvlaktes langs het Noordzeekanaal ontstond door de jaren heen voor hen een perfecte biotoop. Die vogels hebben me zo vaak kippenvel bezorgd. Plevier, plezier – het verschilt maar één letter.”
Resoluut: „Kom, naar beneden, we hebben nog meer te zien!” Melchers praat zoals hij loopt, in flink tempo. Even steekt bij de afdaling de fysiotherapeut in hem de kop op. „Die excentrische contractie bij het dalen is goed voor de spieropbouw.” Dan neemt zijn innerlijke ecoloog het weer over: „Dijkviltbramen! Heel lekker hoor. Je herkent ze aan de wittige onderkant van het blad.”
In de auto ligt, onder een verrekijker, een beanbag. „Die gebruikten we als camerasteun wanneer we vanuit het open raam filmden.” In het veld verandert Melchers naar eigen zeggen „van mens in lens”. „Ik kijk alleen maar. Meer heb ik niet nodig om me zielsgelukkig te voelen. Zie je dat poeltje verderop? Daar hebben we de baltsende rugstreeppadden gefilmd. Nu zwemmen er allemaal jonge larfjes rond.” Even later passeren we de plek waar het door ratten geplunderde dodaarsnest zich bevond. „Dodaarzen zijn de kleinste futen die er bestaan. En al zegt iedereen altijd doodaars, eigenlijk is het dot-aars. Omdat ze zo’n schattig dotje op hun achterste hebben.”
We passeren het veldje rietorchissen en nóg een poeltje. Opgedroogd. „Hier zaten ook rugstreeppadden. Maar hun nageslacht heeft het niet overleefd. Zo zie je hoe tijdelijk alles kan zijn. De enige constante is verandering, dat is het motto van onze films.”
Uiteindelijk houdt Melchers stil bij een slootje. Op de oever ligt een afgekloven pootje van een Chinese wolhandkrab, maar het gaat hem om wat er ín het water leeft. Hij hijst zich in een waadpak en stapt het water in. Met één haal van zijn schepnet zit het potje dat hij bij zich heeft vol leven: achter het glas verdringt zich een zwik jonge driedoornige stekelbaarsjes. „De zalmpjes van Amsterdam, noem ik ze. Want net als bij de zalm zwemmen hun ouders vanuit zee het zoete water tegemoet om hier hun eitjes af te zetten. Dat is toch prachtig? Hier zie je hoe barstensvol leven het havengebied kan zijn.”
Terug bij de auto zit er een poepje op de rechter autospiegel. Er is een vogel op bezoek geweest. Melchers kan niet zonder de natuur – en de natuur niet zonder hem.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin