Home

Bijna dertig keer meldden Nederlandse militairen in Afghanistan mogelijke oorlogsmisdaden door bondgenoten

Oorlogsrecht Het ministerie van Defensie heeft recent rapporten van inlichtingenofficieren gevonden met daarin vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht door bondgenoten in Afghanistan. Voor zover bekend heeft het ministerie die nooit onderzocht.

Een Nederlands voertuig patrouilleert in Uruzgan.

Tijdens de militaire missies in Afghanistan hebben Nederlandse inlichtingenofficieren 28 keer een mogelijke oorlogsmisdaad van een militaire bondgenoot gerapporteerd aan hun meerderen. Voor zover bekend heeft Nederland deze niet onderzocht en ze ook niet doorgegeven aan de betreffende bondgenoot.

Het ministerie van Defensie zegt niet te weten „wat er met de meldingen destijds is gebeurd”. Ook probeert Nederland dit niet nu alsnog te achterhalen. Dit stelt het ministerie in reactie op vragen van NRC na een Kamerbrief van minister Dilan Yesilgöz (Defensie, VVD) over intern onderzoek in archiefbestanden van twintig jaar Afghanistan-missies.

Bij een vermoeden van een oorlogsmisdrijf moet een land onderzoek doen of daarop aandringen bij het betrokken land. Dat staat in de Verdragen van Genève, over het humanitair oorlogsrecht. De meldingen van de Nederlandse inlichtingenofficieren gingen vooral over Afghaanse militairen (dertien rapporten) en militairen van twee niet bij naam genoemde coalitiepartners (veertien rapporten). Bij één van de 28 zogeheten Special Reports weet Defensie niet welk land betrokken is.

In de onlangs verstuurde Kamerbrief schrijft minister Yesilgöz dat Nederland de rapporten met meldingen van mogelijke oorlogsmisdaden recent alsnog heeft gedeeld met de twee betrokken landen. „Het is vervolgens aan de betreffende landen zelf om dit verder op te pakken”, schrijft het ministerie.

Defensie deelt de rapportages met meldingen over de Afghaanse troepen niet met Afghanistan, omdat Nederland daar geen officiële diplomatieke betrekkingen mee onderhoudt. Het ministerie benadrukt dat Nederlandse eenheden zelf in geen van de rapportages „in verband gebracht worden met een schending van het humanitair oorlogsrecht”.

Uruzgan

Met de Kamerbrief is na vier jaar voorlopig een einde gekomen aan onderzoeken naar gebeurtenissen in de Afghaanse provincie Uruzgan naar aanleiding van een publicatie in NRC. Die draaide om een Special Report van Nederlandse inlichtingenofficieren uit 2010, die daarin een mogelijke oorlogsmisdaad door Australische militairen meldden.

Ook naar die melding werd jarenlang geen onderzoek gedaan. Kort na een vernietigend Australisch onderzoeksrapport in 2020 over martelingen en standrechtelijke executies door Australische special forces in Afghanistan, wees een Nederlandse militair Defensie opnieuw op het bestaan van dit Special Report.

Toen Tweede Kamerleden in het najaar van 2021 wilden weten of Nederlandse militairen wisten van mogelijke wandaden van hun Australische bondgenoten, beloofde toenmalig minister Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) „om met de stofkam door de dossiers te gaan” en voegde eraan toe: „We moeten ook de betrokken mensen bevragen.” Dat onderzoek liep vast, maar werd na de NRC-publicatie herstart.

Bij het eerste onderzoek dat Defensie naar het Special Report liet doen, bleek het zoek. Na gesprekken met betrokkenen en contact met de Australische autoriteiten concludeerden de onderzoekers in 2023 niettemin dat „er geen aanleiding was om uit te gaan van een mogelijk oorlogsmisdrijf door Australische special forces”. In het jongste onderzoek, dat is ingesteld nadat het rapport in 2024 alsnog boven water was gekomen, is volgens Defensie „geen informatie aangetroffen die daar een ander licht op werpt”.

Dit onderzoek is grondig uitgevoerd volgens Defensie: „In het onderzoek is in totaal 10 Terabyte aan data doorzocht, afkomstig van 20 jaar Nederlandse inzet in Afghanistan.” Maar de verslaglegging is summier: een brief van anderhalf A-4tje plus anderhalf A-4tje met aanvullende informatie aan NRC. En ze laat nogal wat kwesties onopgehelderd, zo leert een beschouwing van de casus waarmee het allemaal begon.

‘Executie na marteling’

Twee Nederlandse mariniers kwamen in 2010 om het leven toen hun voertuig op een bermbom reed. Hun collega’s openden de jacht op de bommenmaker en arresteerden al snel een Afghaanse man, na een tip van Australische militairen met wie de Nederlanders in Uruzgan veel samenwerkten. De Afghaan werd 96 uur lang gevangen gehouden en verhoord door de Nederlandse inlichtingeneenheid Jistarc, die ook aanvullend onderzoek deed.

De conclusie luidde dat de gevangene niet de bommenmaker van de Taliban kon zijn en dat het bewijs van de Nederlandse en Australische militairen rammelde. Zo zou de verdachte volgens de Australiërs grote granaten hebben verstopt in bomen op zijn terrein, die in werkelijkheid te klein waren om als verstopplaats te dienen. De inlichtingenofficieren lieten de man gaan, omdat ze ervan overtuigd waren dat hij een onschuldige boer was met toevallig dezelfde naam als de Talibanstrijder. „Als gevolg van gebrek aan bewijs weer vrijgelaten”, schrijft Defensie daar nu over.

De Afghaanse man werd enige weken later gedood door Australische militairen. Een bron van de Nederlandse inlichtingenofficieren vertelde dat de man daarbij uit zijn huis zou zijn gehaald, gemarteld en vermoord. Inlichtingenofficieren schreven dit op in het Special Report. Dat bevatte informatie die nog niet was geverifieerd, maar afkomstig was van een betrouwbare bron. De officieren deelden het rapport met leidinggevenden, maar hoorden er nooit meer iets over.

„Er was geen sprake van een marteling gevolgd door een executie. Dit in tegenstelling tot de in de media gemelde versie van de gebeurtenissen”, schrijft Defensie nu op grond van niet nader omschreven „documentatie”. De betrokken man „is later omgekomen tijdens een inzet” van Australische eenheden.

Is komen vast te staan dat de gedode man toch een Talibanstrijder was en geen onschuldige boer met toevallig dezelfde naam? „Nee”, zegt Defensie: „Het onderzoek had niet als doel om vast te stellen wat de status van de gedode man was.”

Australische inlichtingen

Een voormalige marinier heeft publiekelijk laten weten dat hij destijds de Australische militairen heeft getipt over de dan net vrijgelaten Afghaanse man. Defensie wil niet zeggen of de marinier is gehoord en of diens toenmalige commandant wist van die tip.

Wel is volgens Defensie vast komen te staan dat de Australiërs de man hebben gedood „op basis van eigen inlichtingen en dat Nederland niet betrokken was”. Of die inlichtingen, die tijdens het verhoor van de man onbetrouwbaar waren gebleken, nu wel juist waren, is evengoed onbekend.

Onduidelijk blijft ook wat destijds is gebeurd met het rapport waarin dus al melding werd gemaakt van een mogelijke marteling en standrechtelijke executie van de Afghaanse man. Het bevragen van betrokkenen was lastig, zegt Defensie, omdat de gebeurtenissen stammen uit 2010: „Herinneringen zijn in die tijd vervaagd of vervormd. Daarnaast werden er in die tijd vele Special Reports opgesteld.”

Defensie zegt niet te weten of na de melding over de dood van de Afghaan is gekeken naar een mogelijke schending van het humanitair oorlogsrecht: „Dit onderzoek richtte zich niet op wat er met de meldingen destijds is gebeurd.” Dat geldt ook voor de andere meldingen die recent opdoken.

Onvindbare rapporten

Aanvankelijk werd het onderzoek naar het Special Report bemoeilijkt doordat het Afghanistan-archief een rommeltje bleek. Een belangrijke „gegevensdrager” was „op onjuiste wijze gearchiveerd”, waardoor de rapporten lange tijd onvindbaar bleven.

Toen de juiste dataset werd ontdekt, bleek die 574 Special Reports te bevatten. In 28 rapporten gaven bronnen informatie over mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Defensie stelt dat er „geen specifiek onderscheid” werd gemaakt of werd „geregistreerd wanneer er sprake was van vermeende schendingen” van de Verdragen van Genève.

Om op de kernvraag terug te komen: hebben Nederlandse militairen ten tijde van de missie in Uruzgan ooit aanwijzingen onder ogen gekregen van de Australische excessen? „In het algemeen kan worden gesteld dat Nederlandse militairen meldingen van bronnen hebben gekregen over vermeende schendingen van humanitair oorlogsrecht en dit hebben opgenomen in Special Reports”, schrijft Defensie.

Defensie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next