Overstromingen ‘Te nat’ was een understatement voor de ramp die zich in de zomer van 2021 voltrok: flinke delen van het Geuldal liepen onder, de financiële schade in Limburg was naar schatting 1,5 miljard euro. Vijf jaar na de woeste, kolkende Geulvloed moeten de meeste maatregelen nog komen.
De Geul bij Cottessen, tegen de grens met België.
Wie de ultieme ansichtkaartenversie van Zuid-Limburg zoekt, is in de omgeving van Cottessen aan het juiste adres. Bloemrijk grasland, heggen en bosschages staan op de hellingen. Uitgeslepen in het heuvelplateau kronkelt de Geul Nederland binnen. Het watermonster uit juli 2021 is nu een lieflijk stroompje waarin koeien pootje baden. En als ze wat verder het water in paraderen, kunnen ze er niet eens kopje onder gaan.
De centrale regiekamer op het kantoor van het Waterschap Limburg in Roermond was vijf jaar geleden nog net niet helemaal klaar voor vol gebruik. Nu houden deskundigen in die ‘verkeerstoren’ wel continu in de gaten of het niet te droog of te nat wordt in de meest zuidelijke provincie van Nederland.
‘Te nat’ was een understatement voor de ramp die zich in de zomer van 2021 voltrok. Flinke delen van het Geuldal liepen onder. Dodelijke slachtoffers vielen er, anders dan in het nabije Duitsland en België, niet te betreuren. De financiële schade in Limburg was met naar schatting 1,5 miljard euro enorm.
Een berekening achteraf toonde aan dat de Geul door overvloedige neerslag in een korte tijd opeens acht miljoen kubieke meter water kreeg te verwerken. „Met die hoeveelheid kun je 2.200 Olympische zwembaden vullen”, legt Saskia Borgers, dijkgraaf van het Waterschap Limburg, uit. Ze was destijds nog hoogheemraad in het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. „Het was een wake-up call voor iedereen die met water bezig was. Een overstroming als deze – nog wel in de zomer en niet in de nattere jaargetijden – komt statistisch gezien maar eens in de vijfhonderd jaar voor. Sindsdien gaan we uit van eens in de honderd jaar.”
Het waterschap zet sinds 2021 in op extra kennisontwikkeling, betere voorbereiding op crisissituaties en projecten om het risico in de komende jaren zoveel mogelijk te beperken. Een aantal maatregelen werd in de afgelopen vijf jaar al genomen. De meeste volgen echter pas na eind 2027, als het definitieve besluit valt over het programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL). Dat programma behelst plannen voor de Geul en haar zijbeken de Gulp, de Eyserbeek en de Selzerbeek. Ongeveer zeshonderd miljoen euro ligt klaar voor uiteenlopende maatregelen als het vergroten van de afvoercapaciteit, het tijdelijk bergen van water, het vergroten van de sponswerking van de bodem en de aanleg van dammen, dijken en kades. Betrokken partijen konden afgelopen voorjaar zienswijzen indienen.
„Alles gaat erg traag en vijf jaar na de overstroming is er nog nauwelijks iets gebeurd”, klaagt Nico Broekema, voorzitter van het Platform Stroomgebiedsplan Geul, waarin bewoners van het dal zich hebben verenigd.
Hij vindt dat niet alleen onbegrijpelijk, maar ook gevaarlijk. „Het Rijk heeft honderden miljoenen toegezegd, maar blijft dat overeind als het geld zolang op de plank blijft liggen? Ondertussen is er al wel vijftig miljoen aan overheadkosten uitgegeven.”
Broekema, ook burgerlid van de commissie Waterkeringen & Bestuur en Organisatie bij het Waterschap Limburg namens de Algemene Waterschapspartij, verbaast zich over het in 2018 door het waterschap en de provincie bepaalde veiligheidsniveau van maximaal één overstroming per 25 jaar. „Dat betekent dat je tijdens één mensenleven drie, vier keer water in huis kunt krijgen. Terwijl landelijk eerder een norm van één keer per honderd jaar is overeengekomen.”
Volgens dijkgraaf Borgers geldt die norm echter niet voor kleine zijrivieren. Ze ziet meer in flexibiliteit: in bebouwd gebied hoort volgens de dijkgraaf één op honderd de minimale norm te zijn. „Vanwege de veiligheid, maar ook om te zorgen dat bewoners een fatsoenlijke hypotheek en verzekering kunnen krijgen. Bij een deel van het agrarische land kan het minimale beschermingsniveau misschien wel één op twintig zijn, en sommige grond moet bij het eerste beetje hoogwater al als extra opvang kunnen dienen.”
Hoger op de hellingen en op het plateau, dat het Heuvelland grotendeels is, zijn de sporen van ruilverkaveling in het verleden zichtbaar. Ook begroeiing tussen en op weilanden is daarbij verdwenen. „Het maakt dat water en modder bij hevige regenval nu sneller naar beneden komen”, legt Borgers uit.
De bulk van het water kwam in 2021 vanuit België en Duitsland. Overtollige neerslag uit het westelijk deel van de Eifel stroomde ook naar het bovenstroomse deel van de Geul in België. Maatregelen over de Nederlandse grens zouden daarom nog veel effectiever zijn. Die worden echter slechts beperkt genomen, bekent dijkgraaf Borgers. „Met de Duitsers hebben we inmiddels wel goed overleg. Die hebben met hun Wasserverbände ook hun eigen waterbeheerorganisaties, zij het kleinere dan de onze. In België bestaat zoiets niet. Daarmee gaat het gesprek moeizamer en over veel schijven.”
Het centrum van Valkenburg aan de Geul in juli 2021.
De Belgische gemeenten Plombières, Lontzen, Kelmis, Raeren en Welkenraedt, de provincie Luik en het Nederlandse WRL tekenden begin februari wel een overeenkomst waarin ze beloofden samen te werken. Op het grondgebied Plombières gaat de Geul meer meanderen en komen wat buffers. Het doel: water langer vasthouden. Nederland betaalt mee. Van enkele meetpunten langs het Belgische deel van de Geul kwam de volledige rekening bij het Waterschap Limburg terecht. Ze zorgen ervoor dat de centrale regiekamer op het kantoor in Roermond nu ook data heeft, waarover voorheen niet kon worden beschikt.
Elders in Nederland gaan waterschappen soms terug tot midden dertiende eeuw. In Limburg ontstonden de eerste pas meer dan zeshonderd jaar later. Leven met water en de gevaren stond daar minder op de voorgrond. Borgers: „De inrichting langs riviertjes als de Geul is ook heel anders: geen grote dijken en toch volop gebruik en bewoning. Dat maakt dat niet elke hoogwaterbescherming overal kan. Op sommige plekken zijn natuurlijke oplossingen mogelijk. Daar kun je de Geul meer ruimte geven of water langer vasthouden. Elders, op meer bebouwde plekken, zullen de oplossingen meer van waterbouwkundige werken moeten komen.”
Bijvoorbeeld in het toeristenstadje Valkenburg. De Geul wringt zich er door een volgestouwd dal. In het hoogseizoen komen nog meer toeristen dan anders af op de on-Nederlandse combinatie van terrassen, pittoreske monumenten (stadsmuren, ruïne van een hoogteburcht), heuvels en grotten. Op tal van plekken in Valkenburg zit de rivier opgesloten tussen kademuren. In juli 2021 bleek die ruimte veel te beperkt. In ijltempo moesten op een avond een hospice en een zorgcentrum worden ontruimd. Niet veel later kolkte het water door een behoorlijk deel van de straten.
Om zulk onheil in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen, wordt nu gedacht aan een flood bypass. Voor een bedrag van ongeveer tachtig miljoen euro moeten twee tunnelbuizen van drieënhalve meter breed Valkenburg meehelpen drooghouden.
Broekema vindt het vreemd dat er niet ook een alternatief is voorgesteld. De voorgestelde bypass noemt hij tekenend voor „het uit de weg gaan van moeilijkere keuzes. Want kiezen voor veiligheid kan ook betekenen dat je in Valkenburg ruimte maakt voor de Geul. Dat bestaande bebouwing of activiteiten moeten wijken. Maar dat vinden de instanties te lastig om uit te leggen aan projectontwikkelaars en toeristische bedrijven.”
Volgens dijkgraaf Borgers zal er altijd enig overstromingsrisico blijven bestaan. „Dat vraagt ook om waterbewustzijn bij de Limburgers”, vindt ze. „Het besef dat er altijd een risico zal blijven bestaan en dat je je daar ook zelf op moet voorbereiden. Bijvoorbeeld met een noodpakket voor rampsituaties.”
Borgers merkt echter dat de overstroming van 2021 bij velen al weer wegzakt in het geheugen. „Het urgentiegevoel is bij te veel mensen en instanties verdwenen.” Het maakt de dijkgraaf een beetje boos. „Veiligheid is zo’n basisbehoefte dat die constant ieders aandacht hoort te hebben. Natuurlijk kun je ons in een laat stadium vragen of op een bepaalde plek gebouwd kan en mag worden, maar betrek ons liever al meteen mee bij de planontwikkeling. Dat levert betere en minder overstromingsgevoelige projecten op.”