Home

Het is een misverstand dat ‘in je lichaam’ gelijkstaat aan ‘uit je hoofd’

NRC-columnist Floor Rusman kreeg in september te horen dat ze eierstokkanker had. Deze zomer schrijft ze wekelijks over wat er in haar hoofd gebeurde toen haar lichaam een bedreiging werd.

„Zit je in je lichaam?” De chirurg zit geknield voor me en kijkt omhoog. Het is eind 2024; twee maanden na mijn driedubbele beenbreuk heb ik nog altijd last van mijn knie. Hij vraagt waar die pijn zich precies bevindt, en ik haal vertwijfeld mijn schouders op. „Ik weet dat soort dingen nooit.” Vandaar de vervolgvraag: zit je in je lichaam? „Absoluut niet”, zeg ik. Dát weet ik dan weer heel zeker.

Als we de mensheid in teams verdelen, Team Lichaam en Team Geest, zit ik in Team Geest. Gym was vroeger het enige vak waarvoor ik matige cijfers haalde: ik viel uit de ringen, rende tijdens bunkertrefbal als aangeschoten wild door de gymzaal. Later begon ik mijn lichaam actief te beschadigen, door te roken, te drinken en te dineren met Turkse pizza’s. Mijn geest had het ondertussen prima naar zijn zin. Die hield zich bezig met lange conversaties en schrijven voor het studentenblad. Zelfs flirten deed ik met mijn geest. Als ik iemand leuk vond, stuurde ik een e-mail. Veel minder eng dan een fysieke move maken.

Het primaat van de geest werd gaandeweg wel op de proef gesteld. In de afgelopen tien jaar had ik respectievelijk RSI, een burn-out en dus dat gebroken been. Mijn lichaam klopte op de deur. Maar met wat wandelen hier en een pilletje daar wist ik de fysieke klachten in het gareel te houden.

Dat het lichaam toch het laatste woord heeft, werd duidelijk toen ik afgelopen september de diagnose eierstokkanker kreeg. Ik had al de hele zomer buikpijn, een pijn die zich steeds minder goed liet negeren. De vervangend huisarts stuurde me eerst nog weg met een zakje vezels, maar aan het einde van de zomer waren een echo, een scan en een biopt onverbiddelijk.

Sindsdien draait alles om mijn lichaam: om waar de uitzaaiingen zitten en hoe groot ze zijn. Ik leer dingen waarvan ik geen idee had, zoals wat een ‘vetschort’ is: een stuk buikvlies dat over de darmen hangt. Dat vetschort moet eruit, samen met mijn baarmoeder en eierstokken. Dit heeft allerlei consequenties: na de operatie kom ik direct in de overgang, en voor het zover is moet ik voor het eerst in mijn leven naar de sportschool. Een oncologisch fysiotherapeut gaat me helpen fit te worden voor de operatie. Voor zover dat kan, want ik krijg ook chemokuren. 

De fysiotherapeut zit, zoals alle fysio’s, in Team Lichaam. Ze ziet er gestroomlijnd uit, lijkt altijd fris, en praat over de sportschool als over een dierbare vriend. Haar hoop is dat ik ook meer ‘in mijn lichaam’ kom. Een kreet die je tegenwoordig moeilijk kunt vermijden. Gek eigenlijk: terwijl de samenleving is ingericht rond het hoofd (hoogopgeleiden zijn op allerlei manieren in het voordeel), heeft ‘in je hoofd zijn’ een negatieve bijklank. Het hoofd heeft status op het werk, daarbuiten moet je er blijkbaar gauw weer uit.

Voorlopig ben ik dat niet van plan. Wat ben ik zonder mijn hoofd? Op de dagbehandeling voor mijn eerste chemo begin ik in een boek over de fusie van GroenLinks en PvdA. Maar helaas: de dagen erna lig ik als een zieke hond op de bank. Lezen lukt niet, zelfs denken kan ik amper. Ik besta uit vermoeidheid en pijnlijke spieren.

In het halfjaar dat hierop volgt, zit ik meer in mijn lichaam dan me lief is. Ik leer wat opvliegers zijn en hoe een mislukte ruggenprik voelt. Soms trekt de paniek onder mijn huid door als een mierenkolonie. Na de operatie heb ik zo veel pijn dat vriendinnen alleen maar mijn arm aaien; praten kan ik niet.

Maar al dit lichamelijke betekent niet dat ik niet meer in mijn hoofd zit. Het is een misverstand dat ‘in je lichaam’ gelijkstaat aan ‘uit je hoofd’. Ik denk dat sommige mensen heel veel in beide zitten en andere in geen van de twee (waar ze wel zijn, en wat ‘ze’ dan eigenlijk betekent, is een filosofische kwestie die ik even laat liggen). Mijn eigen hoofd begint na elke chemo weer op volle toeren te draaien. Vooral op de fiets heb ik zoveel gedachten dat ik soms afstap om aantekeningen te maken in mijn telefoon. (Bij het teruglezen zijn die deels onbegrijpelijk. Zo staat ergens onder elkaar: „Denken aan de dood, kauwen op kauwgom. Rouwadvertenties, bitterballen. Onthoofdingsvideo empathie. Jennifer Aniston kamelen.”)

Goddank zit ik nog steeds in mijn hoofd. Het is over het algemeen een leuke verblijfplaats. En dit jaar valt er veel te beleven: de ziekte is, hoe vreselijk ook, een object en katalysator van ontelbaar veel nieuwe reflecties. Bovendien is het hoofd juist als het lichaam hapert een prettig toevluchtsoord. Daar functioneert alles tenminste nog naar behoren.

Deze zomer doe ik verslag van wat er in het hoofd gebeurt als het lichaam een bedreiging wordt. Of preciezer gezegd, wat er in míjn hoofd gebeurt. Als ik er woorden voor vind, is het iets minder eng.

Psychologie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next