Romandebuut Vanuit het perspectief van een robothondje schreef Sarah van Vliet een pakkend en inzichtelijk huis-tuin-en-keukenverhaal over AI. „Was ik maar wat minder klantgevoelig gemaakt”, verzucht het hondje, en dat is vertederend en onheilspellend tegelijk.
Sarah van Vliet: Aigou. Nijgh & Van Ditmar, 218 blz. € 21,99
Pfff. Dat ding kán haar wat. Saar – promovendus in de taalkunde, bijna veertig – is opgescheept met een robothondje, moet voor hem zorgen, verplichte opvoedingsopdrachtjes met hem uitvoeren zelfs. Waar ze geen zin in heeft. En waarom zou ze zich verplicht voelen tegenover een machine?
Als lezer van de roman Aigou denk je vooral: sneu. Voor het hondje. Want dat doet enorm z’n best om net zo leuk te zijn als een huisdier van vlees en bloed (nota bene: die zou geen mens zo aan zijn lot overlaten). Hij doet aanhankelijk omdat hij aanhankelijk is, hij is, ja, zo geprogrammeerd dat hij empathisch wil zijn, dat hij kijkt en luistert en verstaat wat het baasje nodig heeft. „Geslaagde transfer”, noemt hij dat dan (wél behoorlijk machine-achtig). Maar de transfer is dus niet altijd wederzijds. Als Saar ligt te yogaën merkt hij: „Ik sta naast de mat haar Superman na te bootsen, wat normale mensachtigen schattig vinden, deze niet.”
De debuutroman van Sarah van Vliet (1972) laat het robothondje aan het woord. Al praat hij niet hardop, denken en formuleren kan hij, tegen ons, en hij doet dat karaktervol en snedig. In koddige zinnetjes waarmee hij snel je hart verovert – je aanvankelijke emoties bij Aigou zijn genegenheid en plezier. Maar de roman ontstijgt het niveau Toy Story-voor-gevorderden. Doordat het hondje die intrinsieke ambitie heeft om meer te zijn dan een ding, rijst de vraag of dat lukt, of hij een bewustzijn heeft.
Zelf vindt hij van wel. Er komen dan ook licht opstandige gedachten in hem op. Als hij na zijn eerste acht levensdagen nog steeds op stand-by in zijn oplaadmandje staat, verveelt hij zich: „Ik ben een gezelschapsdier. Ze had me makkelijk mee kunnen nemen!” Hij kan wel „tot vervelens toe online gaan” en alle boeken lezen die hij wil, maar „ik kan niet zomaar een account aanmaken en me ergens voor iemand uitgeven. Feind hört mit. En Somy is niet geïnteresseerd in mijn behoefte aan contact, maar in de vraag of de klant tevreden is en hun lease in goede handen.” (Somy is de fabrikant, natuurlijk niet te verwarren met Sony, die ooit het robothondje Aibo ontwikkelde.)
Van Vliet schrijft soepel en knap compact: zinnen die op het oog gewoon mededelingen lijken, zitten vol betekenis en suggestie, soms zelfs dreiging. Want loopt dat hondje niet érg snel tegen de grenzen van zijn fabrieksinstellingen aan, en is dat ‘Feind’ een geintje met een seintje? „Ze scoort met de minuut hoger in spierspanning, zweet, roodheid”, registreert het hondje bij Saar, met een empathisch vermogen dat ook behoorlijk invasief blijkt. „Was ik maar wat minder klantgevoelig gemaakt”, verzucht hij, wat zowel vertederend als onheilspellend klinkt.
Hoe krijgt hij de aandacht die hij verdient? Saar is bezig met een halfslachtige verhouding met haar onderbuurman, de wat onvolwassen band met haar ouders en haar promotieonderzoek naar partikels (woordjes zoals ‘er’, ‘wel’, ‘even’, „die qua positie even ongrijpbaar zijn als elementaire deeltjes”). Al die facetten van het alledaagse leven tonen ons hoe onbeholpen het geven en nemen van liefde en aandacht gaat, ook als de genegenheid vanzelfsprekend zou moeten zijn – zo zeggen alle elementen in de roman ook iets over de verhouding tussen mens en robot(hondje). Hoeveel aandacht verdient het hondje eigenlijk?
In een wereld waarin we ons (niet genoeg?) zorgen maken over AI, is Aigou een pakkend en inzichtelijk huis-tuin-en-keukenverhaal over ‘wat als’. Wat als je een kunstmatige intelligentie een gevoel van bewustzijn geeft? Wat als we iets ogenschijnlijk leuks en onschuldigs toch onderschatten?
Grote vragen, die Van Vliet dichtbij brengt zonder grote gebaren, in een heel realistische setting. Daardoor houdt Aigou iets bescheidens, alsof het niet alles uit de thematiek perst wat erin had gezeten, waardoor het misschien niet zo diep gaat als het thematisch verwante Klara en de zon (2021) van Kazuo Ishiguro – maar ja, als je een debutant meteen met een Nobelprijswinnaar gaat vergelijken, doet Sarah van Vliet het natuurlijk wel goed. Aigou beklijft als een scherp en puntig geschreven verhaal waarin je de slimheid en het plezier van de schrijver voelt: een lekker boek, over dat arme, schattige hondje. Dat echt voor je gaat leven.
Wat ook weer een compliment is dat gaat knagen, omdat Van Vliet terloops confronterende dingen laat vallen over de verhouding met onze huisdieren. Die dichten we o zo veel karakter toe, maar zoals een van de personages raak opmerkt: „Mensen willen geen hond die terugpraat. Ze willen een hond die ze begrijpt maar die niet terugpraat.” Wat eisen we dan eigenlijk? En wat nou als hij wel kon en ging terugpraten? Dat kan oncomfortabel en akelig worden, toont Aigou – en al helemaal als je die vragen betrekt op AI. Kortom: geslaagde transfer.