Essay The Catcher in the Rye, nu vijfenzeventig jaar oud, is een klassieker over de verwerping van de wereld van de volwassenen. Met een hartstochtelijke gretigheid noemt Holden Caulfield alles op wat hem depressief maakt, om zo zijn somberheid te temmen. Maar wat je bestrijdt, vormt je ook, schrijft Arnon Grunberg.
Schrijver J.D. Salinger leest voor uit The Catcher in the Rye, in 1952 in New York.
J.D. Salinger:The Catcher in the Rye. Little, Brown, 224 blz. €10,99
J.D. Salinger: De vanger in het graan. Vert. Johan Hos. De Bezige Bij, 288 blz. € 19,99
„Seks is iets waar ik echt niet veel van begrijp. Je weet nooit waar je nu weer aan toe bent. Ik leg mezelf de hele tijd van die seksregels op en dan overtreed ik die meteen weer.” Aan het woord is Holden Caulfield, in de vertaling van Johan Hos, de verteller uit de roman The Catcher in the Rye (De vanger in het graan) van J.D. Salinger (1919-2010) die op 16 juli 1951 in Amerika en Canada verscheen en die Salinger, tot dan toe een betrekkelijk onbekende auteur van korte verhalen, razendsnel beroemd maakte.
Holden is een jongen die van school is gestuurd en vanuit een ziekenhuis in Californië, waar „bepaalde psychologische figuren” hem ondervragen, verslag doet van drie dagen in december die hij grotendeels doorbracht op Manhattan, in een poging het moment uit te stellen waarop hij zijn ouders moet inlichten over de gebeurtenissen op school.
Hij praat er met taxichauffeurs over de vraag hoe de eenden in de eendenvijver in het Central Park de winter overleven, bezoekt verscheidene hotelbars, geeft commentaar op de mensen om hem heen en op de literatuur. Op Hemingway is hij kritisch, F. Scott Fitzgerald kan zijn goedkeuring wegdragen. („Die ouwe Gatsby. Ouwe makker. Schitterend vond ik dat.”) Ook krijgt Holden in een hotel een jeugdige sekswerker opgedrongen door de portier, maar tot seks komt het niet. („Ik voelde me eerlijk gezegd meer depressief dan geil.”)
Eerder al heeft Holden toegegeven dat belangrijke delen van zijn leven, zich voornamelijk in zijn hoofd afspelen. („In gedachten ben ik waarschijnlijk de grootste seksmaniak die ik ooit ben tegengekomen.”) Als hij zijn ouderlijk huis probeert binnen te dringen zonder zijn ouders te laten merken dat hij er is, stuit hij op zijn zusje Phoebe voor wie hij veel genegenheid voelt. Phoebe vertelt haar broer dat ze van haar klasgenootje Phyllis heeft leren boeren. Of hij het wil horen.
The Catcher in the Rye is een roman over het overtreden van regels: zelfopgelegde regels, regels van de bourgeoisie, van ouders en leraren en kan zelfs worden opgevat als een poging van Salinger om de literaire regels te overtreden. Een roman zonder plot, een meanderende monoloog vol straattaal van een jongeman die volgens sommigen niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Daar zullen enkele literatuurliefhebbers destijds van zijn geschrokken. Een voorstudie van het boek had niet voor niets als titel Ik ben gek.
Zes jaar voor Jack Kerouac (1922-1969) On the Road publiceerde, begreep Salinger al wat de tegencultuur zou gaan inhouden. Dat er geen wezenlijk verschil zit tussen een studie rechten („Het enige wat je doet is een hoop geld verdienen en golfen en bridgen en auto’s kopen en martini’s drinken en de grote bink uithangen”) of de cursus boeren die Phyllis in de aanbieding heeft. Holdens voorkeur is duidelijk: de cursus van Phyllis. De maatschappij, de wereld van de volwassenen, is onleefbaar. Waarom? In Holdens monoloog komen de bekende aanklachten – de Tweede Wereldoorlog, de politiek, de kansenongelijkheid, het racisme, de positie van de vrouw – niet aan bod. De wereld moet niet zozeer verbeterd worden, de wereld moet worden verworpen en ontvlucht.
Opvallend is hoe vaak het woord „depressief” valt, nog vaker dan „schijnheilig”, hoewel dat, zoals ongetwijfeld bekend, een van Holdens grootste bezwaren tegen de wereld van de volwassenen is, hun fundamentele onechtheid, hun schijnheiligheid. Volwassen worden betekent het masker van respectabiliteit en sociale aanpassing dragen en dat masker brandt je gezicht weg. De vraag waarvoor Holden zich gesteld ziet is: hoe zorg je dat je gezicht niet wegbrandt, zonder meteen het touw om je nek te leggen? Overigens berooft het verlangen om de wereld te ontvluchten Holden niet van elk medelijden, zo zegt hij over een jongen op zijn school: „Die gozer had zo’n beetje alles. Problemen met zijn holtes, puistjes, gore tanden, slechte adem, smerige nagels. Je moest wel een beetje medelijden hebben met die maffe klootzak.”
Van The Catcher in the Rye zijn wereldwijd circa 65 miljoen exemplaren verkocht. Acteur Edward Norton vatte de leeservaring van velen samen: „Als je The Catcher in the Rye voor de eerste keer leest heb je niet het gevoel dat Holden je vriend zou kunnen zijn. Je denkt: ik ben Holden.” Vijfenzeventig jaar na dato doen bepaalde passages misschien wat gedateerd of ongemakkelijk aan, bijvoorbeeld passages over homoseksualiteit, maar wie tieners op straat of in de tram hoort praten luistert soms ook naar gedateerde gesprekken, al was het maar omdat ze mensen (of acteurs) nadoen die al gedateerd waren toen ze werden geboren.
Een van Salingers biografen, Kenneth Slawenski, merkt terecht op dat ook Holden in een traditie staat. Mark Twain (1835-1910) had Tom Sawyer al in het leven geroepen, een voorloper van Holden Caulfield, zij het dat Tom in de negentiende eeuw aan oevers van de Mississippi opereert. Ook zijn opstand tegen de wereld van de volwassenen bevindt zich aan gene zijde van de politiek, is als het ware geprivatiseerd. Het enige wat nog gered kan worden is de eigen ziel, en de weg naar die redding betekent kind blijven. Salinger verplaatste het decor van de armoedige dorpen in het zuiden van Amerika naar het centrum van de wereld, Manhattan, waar hij de stem van de opstandige zestienjarige perfectioneerde – de kracht van zijn roman, deze monoloog vol herhalingen, uitweidingen en terzijdes, blijft de toon. Maar zijn vraagstelling is identiek aan die van Twain: op welk punt precies wordt de verlenging van de puberteit potsierlijk?
The Catcher in the Rye bleek zachter en moraliserender dan het in mijn herinnering was geweest. Wat mij indertijd niet was opgevallen – ik was negentien toen ik het boek voor het eerst las – is hoe het woord „depressief” in dit boek een bezwerende functie lijkt te hebben. Met een gretigheid die hartstochtelijk kan worden genoemd noemt Holden alles op wat hem depressief maakt, alsof hij zo het op hol geslagen paard van zijn somberheid wil temmen. De conclusie laat er vervolgens geen twijfel over bestaan: als puntje bij paaltje komt zul je ook dat wat je veracht missen, je wordt gevormd door wat je bestrijdt. Wie zou Holden zijn zonder de schijnheiligheid van de volwassenen?
Toen Kerouac eenmaal zijn boek had gepubliceerd was de tegencultuur al langzaam bezig aan interne tegenstellingen ten onder te gaan. Zeker vanaf de studentenopstand in 1968 werd het bevragen van de macht en non-conformisme de norm. Wie zich wilde aanpassen hoefde alleen maar anti-autoritair te zijn, tot in de jaren tachtig onder leiding van Ronald Reagan en Margaret Thatcher de restauratie op gang kwam. Toen werd hebzucht de norm.
Salinger ontkwam aan de ruïne die de tegencultuur zou worden doordat hij zich er nooit mee had vereenzelvigd. Hij wendde zich van vrijwel alles af, ook van de literaire wereld die hem inmiddels had omarmd. Toch komt het me nu voor alsof Salinger de lezer met The Catcher in the Rye niet helemaal zonder conventionele hoop achter wilde laten. Die fase kwam pas later. De duisternis moest nog komen, of, afhankelijk van hoe je Salingers leven interpreteert, de duisternis was al geweest.
Toen J.D. Salinger (Jerome) werd geboren leefden zijn ouders op 3681 Broadway in het noorden van Harlem. Zijn vader Sol was afkomstig uit Oost-Europa en hoewel Sol Joods was, verdiende hij zijn geld met de verkoop van ham. Salingers moeder Mirjam, die afkomstig was uit Iowa, meende dat haar zoon Sonny (zo werd Jerome als kind genoemd) voorbestemd was om een grootheid te worden. Toen Jerome voortijdig de New York University verliet, adviseerde zijn vader hem „in de ham te gaan”. Dat deed hij niet en in het voorjaar van 1939, na een reis naar Wenen waar hij Duits leerde, gaf Salinger zich op voor een cursus korte verhalen schrijven aan Columbia University. Dankzij een vriend ontmoette hij niet veel later Oona O’Neill, actrice en dochter van toneelschrijver Eugene O’Neill. Hij werd smoorverliefd op haar, maar zij gaf uiteindelijk de voorkeur aan Charles Chaplin, 36 jaar ouder dan zij – bij Chaplin zou de rest van haar leven blijven. Slawenski noemt het „de grote romantische tragedie” in het leven van Salinger.
De afgewezene stortte zich vervolgens op het schrijven en in zekere zin ook op het leger. Omdat Salinger het Duits redelijk machtig was werd hij ingedeeld bij de contraspionage. Achter de vijandelijke linies (D-Day naderde) moest hij informatie over de vijand verzamelen. Zo landde hij als een van de eersten op Utah Beach en vocht later tijdens het Duitse Ardennenoffensief, waarbij het Amerikaanse leger enorme verliezen leed.
In een verhaal dat hij in Europa tijdens de oorlog schreef, noteert Salinger: „Ik geloof… dat het de morele plicht is van alle mannen, die in deze oorlog hebben gevochten en nog zullen vechten, om onze monden gesloten te houden, en als het over is het nooit meer op wat voor manier dan ook te vermelden. Het is tijd dat we de doden voor niets laten sterven. Het is nooit anders geweest, God weet dat.”
Volgens Slawenski heeft hij die eed nooit gebroken. In een tijd dat velen om onduidelijke redenen denken dat spreken genezend is, is een morele plicht om te zwijgen meer dan verfrissend. Wie vanuit dit perspectief The Catcher in the Rye herleest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat Holdens monoloog een afleidingsmanoeuvre is, hij spreekt slechts omdat hij nog niet klaar is voor het zwijgen. Salinger had in zijn verhalen daarvoor al een voorliefde gehad voor het kind, de nog-niet-volwassene, nu pas werd die voorkeur urgent. Het kind, het briljante kind, moest de wereld redden, in elk geval die van Salinger.
Uiteindelijk zou Salinger in een dorpje in New Hampshire „de poëzie van de stilte” gaan beoefenen. Hij noemde zijn latere schrijfsels, die nooit zijn opgedoken, gebeden, niet bestemd voor publicatie. Zijn nog gepubliceerde teksten werden geleidelijk aan steeds esoterischer tot ze de grens van de onleesbaarheid bereikten. Al zitten ook daar prachtige passages bij, zoals de schrijfadviezen van Seymour aan zijn broer Buddy: „Wanneer is schrijven ooit jouw beroep geweest? Het is nooit iets anders geweest dan je religie.”
Volgens de biografen David Shields en Shane Salerno is de stilte waarin Salinger uiteindelijk verviel te verklaren door zijn oorlogservaringen. Dat is te makkelijk. Het was een beetje Oona, een onsje vader die wilde dat hij in de ham ging, een paar druppels Ardennenoffensief, een scheutje predestinatie, vijf theelepels teleurstelling over wat succes in de literatuur uiteindelijk zou blijken te zijn.
Over zijn liefdesleven, waarover veel te zeggen is, zal ik hier verder zwijgen. Laat ik volstaan met de opmerking dat hij uiteindelijk, in de geest van Oona O’Neill en Charles Chaplin, eindigde met een veertig jaar jongere vrouw die verpleegkundige was geweest en wier hobby het maken van lappendekens was. Geruchten dat Salinger maar over één teelbal beschikte zijn vermoedelijk onwaar.
Mijn favoriete tekst van Salinger is het verhaal ‘Voor Esmé – veel liefs en morsigheid’ uit de bundel Negen verhalen. Vrijwel nergens zijn de morele plicht om te zwijgen over de oorlog en de behoefte om erover te spreken zo’n vruchtbare symbiose aangegaan. In een tearoom in een Engels stadje ontmoet een Amerikaanse soldaat in afwachting van D-Day Esmé en haar broertje Charles, beiden wees. Esmé, een kind eigenlijk nog en overduidelijk bijzonder intelligent, misschien briljant, zegt tegen de soldaat: „Het liefste lees ik verhalen over morsigheid.” „Waarover?” vraagt de soldaat. „Morsigheid”, antwoordt Esmé. „Ik ben erg geïnteresseerd in morsigheid.”
Een prikkelende uitspraak waar een hele wereld en – in de context van dit verhaal – een verliefdheid achter schuilgaat. Het is mijn hypothese dat Salinger uiteindelijk zijn interesse voor alle soorten morsigheid verloor. Hij ging geloven dat zuiverheid de ware weg is, en hij meende die eens te meer te vinden in de nog-niet-volwassene. In een poging die zuiverheid te naderen ging de oudere Salinger zwijgen, ook een beetje als een nukkig kind. Uiteindelijk wendde hij zich af van de wereld, de lezers, de uitgevers, zij waren, enkele uitzonderingen daargelaten, onreine afgodendienaren. Schrijven werd bidden, en gebeden publiceer je niet, Salinger niet althans.
Omdat op zomeravonden de geest van Salinger mij soms bespringt, ben ik zo vrij dit stuk te beëindigen met ongevraagd advies aan schrijvers en lezers die toevallig iets anders zijn dan schrijver. Er is geen weg uit de morsigheid, behalve de dood. Er hoeft ook helemaal geen weg te zijn uit de morsigheid. Probeer het niet.