László Krasznahorkai Is de 91-jarige elektricien die aanspraak maakt op het Hongaarse koningschap, een verwarde gek? In de nieuwe roman van de Nobelprijswinnaar, over de valse profeten van het nationalisme, zijn de paginalange zinnen ditmaal goed te volgen, en bevatten lichtheid en humor.
In Hongarije is de nostalgie het grootste gevaar.
László Krasznahorkai: Afscheid van Zsömle. (Zsömle Odavan) Vert. Mari Alföldy. Wereldbibliotheek, 256 blz. € 26,99
Een afstammeling van de dertiende-eeuwse Hongaarse koning Béla IV en een kleinzoon van een kleinzoon van de Mongoolse heerser Dzjengis Khan, zo ziet de 91-jarige gepensioneerde elektricien József Kada zichzelf het liefst. En dan beweert hij in 1944 ook nog eens in het geheim te zijn gekroond door admiraal Miklós Horthy, de toenmalige regent van het koninkrijk Hongarije.
Wat een opschepper, fantast, of, sterker nog, gek, denk je dan. Maar Kada trekt zich niets van zulke kritiek aan, zelfs niet van zijn dochter, die hem niet serieus neemt. Vanaf de berg waar hij met zijn hond Zsömle in een armzalig huisje woont, zoekt hij het via internet hogerop. Bij hooggeplaatste personen zoals de Duitse bondspresident en kardinaal Bergoglio, de toekomstige paus, bijvoorbeeld. Zij moeten hem steunen als hij zich de Stephanskroon nogmaals, maar dan in het openbaar laat opzetten, zodat zijn volk er getuige van is. Als koning József I zal hij zijn onderdanen daarna een beter leven geven. Een leven dat hemelsbreed verschilt van dat onder de moreel verderfelijke premier Viktor Orbán.
Al vanaf de eerste bladzijden van László Krasznahorkais nieuwe roman Afscheid van Zsömle weet je dat Kada zich zijn koningschap inbeeldt en hij zich alles tot in de kleinste details wijsmaakt. Niet voor niets twijfelt hij soms aan zijn beweringen. Hij wijt het aan de granaatscherf die hij in de oorlog in zijn hoofd kreeg en die niet verwijderd kan worden. Het is de gekte ten top. Types zoals Kada verwacht je daarom eerder in een psychiatrische inrichting, waar hij tussen de Napoleons niet opvalt. Maar ze zijn ook bij uitstek geschikt als hoofdpersonage in een vintage Krasznahorkai-roman, zoals deze keer eveneens blijkt.
Aan het begin van Afscheid van Zsömle zijn Kada’s ambities uitgelekt. Ineens staat er een gezelschap monarchisten bij hem op de stoep, verenigd in organisaties met veelzeggende namen als Bloed en Eer, Pijlen der Hongaren en Hongaarse Garde. Onder de nieuwe koning willen ze hun nationalistische agenda realiseren. En daarin schemert een sterk verlangen door naar vroeger, toen alles zogenaamd beter was.
Die monarchisten vestigen al hun hoop op een hoogmoedige fantast als Kada. Je zou bijna denken uit zelfdestructie. Kada is namelijk zo’n valse profeet waar Krasznahorkai in zijn romans, zoals in Baron Wenckheim keert terug (2019), patent op lijkt te hebben. Die baron Wenckheim duikt in de marge van dit ‘koningsdrama’ zelfs kortstondig op, als leverancier van de troon van de aanstaande vorst.
Om hun plannen voor een regimewisseling zo goed als mogelijk geheim te houden, spreken de bezoekers van Kada hem algauw niet meer aan met ‘Majesteit’, maar noemen ze hem ‘oom Józsi’, wat hun het gevoel geeft een geheim te delen. Als er dan ook nog geheime wapenopslagplaatsen worden aangelegd, besef je steeds meer dat ze voorbereidingen treffen voor een gewelddadige staatsgreep.
Dat iedereen in Krasznahorkais boeken zo gemakkelijk te misleiden is, heeft alles te maken met de toestand van Midden-Europa na de val van de Muur en het verlangen van met name de oudere generatie naar de dagen van voor de Tweede Wereldoorlog, toen de monarchie nog bestond. In de jaren volgend op 1989 was hun teleurstelling groot, omdat de zegeningen van het kapitalisme uitbleven. Sterker nog, de communistische machthebbers van weleer, de leden van de veiligheidsdiensten voorop, schaarden zich aan de zijde van de nieuwe democratische politici als wolven in schaapskleren. Als het erop aankwam, bleken zij gewoon de baas te zijn. De samenleving kon hun niets schelen, waardoor die in een onmetelijke chaos verzandde. Vandaar de wanhoop bij het volk, vandaar het succes van populistische politici van de grote belofte, zoals Viktor Orbán.
Om de manier waarop gewone burgers in die chaos proberen te overleven is het Krasznahorkai ook in deze roman te doen. Of beter gezegd: om de wijze waarop ze daarin falen en zich laten misleiden. Want na een halve eeuw communistische propaganda kun je ze alles wijsmaken. En zodra ze eenmaal doorhebben bedrogen te zijn, slaat hun hoop om in rancune, waarna ze een gemakkelijke prooi zijn voor een nieuwe valse profeet, van rechts of van links. Juist door de variatie op dat thema zijn Krasznahorkais boeken niet alleen razend actueel, maar geven ze ook inzicht in de wankele menselijke conditie.
Wie Krasznahorkais eerdere werk kent, vermoedt bij voorbaat dat die monarchistische staatsgreep alleen op een mislukking kan uitlopen. En inderdaad, de coupplegers inclusief Kada worden gearresteerd. Kada krijgt echter een kleine hersenbloeding en belandt na een kort verblijf in een gevangenisziekenhuis in een psychiatrische inrichting. Van de geheime plannen voor een staatsgreep beweert hij niets te weten – voor hem telde alleen het koningschap en het herstel van de grote Hongaarse natie met zijn roemrijke verleden waarin ook lijfstraffen weer zouden worden ingevoerd.
De enige om wie deze aspirant-koning aan het einde van zijn gang naar Golgotha nog geeft is zijn ’trouwe’ hond Zsömle, die hij in zijn neergang aan zijn zijde wil hebben. Maar Zsömle is zijn zoveelste hond met die naam. En als er een dood is, komt er gewoon een nieuwe. Daarmee laat Krasznahorkai zien dat alles en iedereen vervangbaar is en tegelijkertijd, als in een cirkelbeweging, weer terugkeert naar hetzelfde startpunt. De mensheid maakt steeds dezelfde fouten en leert niets van de geschiedenis. Het verbaast je dan ook niet dat met die hond de roman zijn ontknoping bereikt.
Het verhaal dat Krasznahorkai in deze roman vertelt is, anders dan in zijn eerdere boeken, vrij eenvoudig te volgen, ondanks de, door Mari Alföldy knap vertaalde, soms paginalange zinnen. Dat komt met name doordat hij zich beperkt tot één hoofdpersonage, dat zowel in de eerste als derde persoon vrijwel onafgebroken aan het woord is en je meeneemt in zijn monarchistische obsessie.
In Kada’s eindeloze geouwehoer schuilt ook de kracht van deze roman. Zo laat hij Krasznahorkai niet alleen zien dat een enkeling die de grootst mogelijke onzin verkoopt het heel ver kan brengen in een land van goedgelovigen, maar ook dat een groep gevaarlijke nationalisten met zo iemand heel makkelijk aan de haal kan gaan.
Een interessante bijzaak is dat het personage van Kada gebaseerd is op een bestaand iemand: József Daka, die in 2010 verklaarde de rechtmatige koning van Hongarije te zijn. Hij hield dat tot aan zijn dood in 2016 vol. Een andere parallel met de werkelijkheid is dat de geplande staatsgreep van de Hongaarse nationalisten sterk doet denken aan die van de rechts-extremistische Reichsbürger-beweging in Duitsland, die in 2022 een vergelijkbare coup tegen het wettelijk gezag wilde plegen. Ook in hun gelederen liep een verdwaasde prins voorop. Met die overeenkomst wijst Krasznahorkai je meteen op een klassiek gevaar dat in deze onzekere politieke tijden opnieuw de kop opsteekt: de nostalgie.
Krasznahorkai komt in deze roman ook zelf voor, in de gedaante van een jonge, liedjes zingende gitarist. Kada is zo van hem onder de indruk dat hij besluit hem, mocht hij eenmaal op de troon zitten, op grond van zijn dadendrang „het bestuur over het behoud van de traditionele nationale cultuurschat” toe te vertrouwen.
Op zo’n speelse manier weet de meester van de melancholie je voortdurend aan het lachen te maken als je het vertrouwen in de mensheid volledig hebt verloren. Gevoegd bij de grotere boodschap van zijn roman is dat meer dan een schrale troost.